Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4383

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/6163
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onduidelijkheid grondslag en aanvang opgelegde maatregel

Aan eiser is de maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 opgelegd. De procedure leidend tot het opleggen van de maatregel en de datum waarop de maatregel aan eiser is opgelegd, zijn echter onduidelijk. Vast staat dat een eerdere bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 op 4 september 2006 is opgeheven in verband met de uitzetting van eiser. Uit een registratiekaart op naam van eiser blijkt voorts dat eiser op 12 september 2006 op grond van artikel 6 van de Vw 2000 is gedetineerd. Daarnaast bevindt zich in het dossier een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats op grond van artikel 6 van de Vw 2000 van 16 februari 2007, waarin aan eiser de Penitentiaire Inrichting Bankenbosch te Veenhuizen wordt aangewezen als ruimte om zich op te houden. De rechtbank overweegt dat verweerder niet de weigering tot toegang tot Nederland heeft overgelegd, die ten grondslag zou moeten liggen aan de onderhavige maatregel. Daarnaast valt uit de beschikking van 16 februari 2007 niet af te leiden of dit een eerste plaatsaanwijzing is op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 dan wel een volgende. Derhalve heeft verweerder geen enkele duidelijkheid verschaft over het moment waarop de (huidige) maatregel aan eiser is opgelegd. Evenmin is de rechtbank duidelijk geworden wat zich in de periode tussen 12 september 2006 en 16 februari 2007 omtrent de grondslag en duur van de detentie van eiser heeft afgespeeld. Niet is uitgesloten dat de onderhavige maatregel reeds voor langere tijd voortduurt, zonder dat eiser rechtsbescherming is geboden. Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel is door deze onduidelijkheid niet mogelijk. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet anders dan aannemen dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de artikelen 6 en 94 van de Vw 2000. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.:AWB 07/6163

V-nr.:110.400.5607

inzake:[eiser] alias [eiser], geboren op [geboortedatum] 1963, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Bankenbosch te Veenhuizen, eiser,

gemachtigde: mr. R.T.P.H. Jacobs, advocaat te Amsterdam,

tegen:de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Jansen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Ten aanzien van eiser is de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

1.2 Bij beroepschrift van 9 februari 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding. Op 27 februari 2007 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht het op 9 februari 2007 onder AWB-nummer 07/6163 ingediende beroepschrift tevens te kwalificeren als een beroepschrift gericht tegen de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000.

1.3 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 6 maart 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig M.L. Selmi, tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij brief van heden, 7 maart 2007, heeft de rechtbank het onderzoek heropend in het kader van het schadeverzoek.

II. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, welke beveiligd kan worden tegen ongeoorloofd vertrek.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 stelt de Minister uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling onrechtmatig is en onmiddellijk dient te worden opgeheven. De grondslag van de maatregel is onduidelijk en ook is onbekend wanneer de bewaring is aangevangen. Uit een fax van Vluchtelingenwerk van 25 januari 2007, welke eiser ter zitting heeft overgelegd, blijkt dat eiser reeds op dat moment in bewaring was gesteld in het Detentiecentrum Zeist. De door verweerder genoemde aanvangsdatum van 16 februari 2007 is dan ook apert onjuist.

2.3 Verweerder heeft aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het beroepschrift is op 9 februari 2007 ingediend tegen de maatregel ex artikel 59 van de Vw 2000, terwijl de op 18 juli 2006 opgelegde maatregel ex art. 59 van de Vw 2000 reeds op 4 september 2006 is opgeheven en pas op 16 februari 2007 een maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 is opgelegd. Het beroepschrift is daarmee gericht tegen een op dat moment niet meer, dan wel nog niet, bestaande maatregel.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.4 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep oordeelt de rechtbank als volgt. Het beroep gericht tegen de oplegging van de maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000 van 9 februari 2007 dient niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu uit de stukken duidelijk is geworden dat thans, noch ten tijde van het beroep, aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59 van de Vw is / was opgelegd. De brief van de gemachtigde van eiser van 27 februari 2007 moet echter worden aangemerkt als een nieuw beroepschrift gericht tegen de maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000. Dit beroep van 27 februari 2007 is wel ontvankelijk nu uit de stukken valt af te leiden dat aan eiser in ieder geval met ingang van 16 februari 2007 de maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 is opgelegd. Dit beroep is, anders dan verweerder stelt, niet prematuur.

2.5 De rechtbank overweegt ten aanzien van de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel het volgende. Uit het dossier en het ter zitting verhandelde kan de volgende gang van zaken ten aanzien van eisers voorgeschiedenis in detentie worden afgeleid.

- De op 18 juli 2006 opgelegde maatregel ex artikel 59 van de Vw 2000 is met ingang van 4 september 2006 opgeheven, omdat eiser die dag met een vlucht naar Marokko werd uitgezet.

- Op de registratiekaart van de Penitentiaire Inrichting (PI) Bankenbosch te Veenhuizen van 22 februari 2007 staat vermeld dat eiser sinds 12 september 2006 op grond van artikel 6 van de Vw 2000 is gedetineerd.

- Ter zitting heeft verweerder een opheffingsbeslissing van 7 november 2006 en een uitdraai uit het Vreemdelingen Basis Systeem van de Koninklijke Marechaussee overgelegd, waaruit blijkt dat de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 met ingang van die datum wordt opgeheven, omdat reeds twee maanden niets aan de zaak van eiser is gedaan.

- De gemachtigde van eiser heeft vervolgens ter zitting een faxbericht van Vluchtelingenwerk, locatie Detentiecentrum Zeist, van 25 januari 2007 overgelegd, waarin staat vermeld dat eiser zich, geregistreerd onder de naam [alias eiser], in het Detentiecentrum Zeist bevindt. Daarbij is aangegeven dat eiser na 12 september ongeveer 2 maanden in Rotterdam in detentie is geweest en toen na een mislukte uitzettingshandeling in Zeist is geplaatst.

- In het dossier zit tot slot een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats op grond van artikel 6 van de Vw 2000 van 16 februari 2007, waarin aan eiser onder de naam Mazour de PI Bankenbosch te Veenhuizen wordt aangewezen als ruimte om zich op te houden. De beschikking is ondertekend te Zeist, door de directeur van het Detentiecentrum Zeist.

2.6 Nu door verweerder niet de weigering tot toegang tot Nederland is overgelegd, die ten grondslag zou moeten liggen aan de onderhavige maatregel, en uit de beschikking van 16 februari 2007 niet valt af te leiden of dit een eerste plaatsaanwijzing is op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 dan wel een volgende, is geen enkele duidelijkheid verschaft over het moment waarop de (huidige) maatregel aan eiser is opgelegd. Evenmin is de rechtbank duidelijk geworden wat zich in de periode tussen 12 september 2006 en 16 februari 2007 omtrent de grondslag en duur van de detentie van eiser heeft afgespeeld.

Niet is uitgesloten dat de onderhavige maatregel al reeds voor langere tijd voortduurt, zonder dat eiser rechtsbescherming is geboden. Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel is door deze onduidelijkheid niet mogelijk.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven de zaak niet te willen aanhouden om daarmee de gelegenheid te krijgen nadere stukken te vergaren die meer duidelijkheid kunnen verschaffen omtrent de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel, omdat reeds intensieve pogingen zijn ondernomen om deze stukken boven water te krijgen. De gemachtigde van verweerder verwacht niet veel van een nieuwe zoektocht.

Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet anders dan aannemen dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de artikelen 6 en 94 van de Vw 2000. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en beveelt de rechtbank met ingang van heden, 7 maart 2007, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

2.7 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen. Omdat de rechtbank de omvang van de schadevergoeding thans nog niet volledig kan vaststellen, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek ter zitting te heropenen ter voorbereiding van een uitspraak daarover.

2.8 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de maatregel ex artikel 59 van de Vw 2000;

- verklaart het beroep gegrond, voor zover ziend op de opheffing van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000;

- beveelt dat de vrijheidsontnemende maatregel ingaande 7 maart 2007 wordt opgeheven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot €644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan op 7 maart 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Ullersma, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden op:

Conc.: CU

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.