Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4372

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 61664, AWB 06 / 61666 en AWB 06 / 61667
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Toegangsweigering / mededeling rechtmatig verblijf

Regeling “tijdelijke sluiting van AC Schiphol” (WBV 2006/41). Toegangsweigering is blijven bestaan na toepassing maatregel ex art. 55 Vw. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat kennelijk bij vergissing naast de eerder opgelegde maatregel ex artikel 6, lid 1, Vw ook de maatregel bedoeld in artikel 55 Vw aan eiser is opgelegd, niet tot gevolg heeft dat de toegangsweigering niet langer is gehandhaafd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State in zijn uitspraak van 28 oktober 2004 onder nr. 200407707/1 heeft overwogen, is daarvoor nodig dat verweerder ondubbelzinnig terugkomt op het weigeringsbesluit. Volgens genoemde uitspraak vervalt een eerder gegeven toegangsweigering niet door de mededeling aan de vreemdeling dat deze rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw en biedt de wet geen grondslag voor het oordeel dat rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder f, Vw niet verenigbaar is met een toegangsweigering op grond van artikel 3 Vw. In de gegeven omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de toegangsweigering ten aanzien van eiser is opgeheven en uit het dossier blijkt evenmin dat het grensbewakingbelang in verzoekers geval is prijsgegeven. In deze situatie kon aan eiser na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 61666 (voorlopige voorziening)

AWB 06 / 61664 (beroep)

AWB 06 / 61667 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 9 januari 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1985, van Soedanese nationaliteit, verblijvende in

de Penitentiaire Inrichting Bankenbosch te Veenhuizen,

verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsman: mr. H.M. van der Linden, advocaat te Almelo,

tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Th. Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 12 december 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 18 december 2006 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 18 december 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 18 december 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 8 december 2006 aan verzoeker op grond van artikel 3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste lid, Vw een vrijheidbeperkende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw opgelegd. Verzoeker heeft op 18 december 2006 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 2 januari 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Hij behoort tot de Barqu-stam. Vanaf zijn geboorte tot zijn dertiende jaar heeft hij verbleven in de plaats [plaatsnaam], dan wel [plaatsnaam]. Verzoeker was goed in hardlopen en werd rond het eind van 1997/begin van 1998 overgeplaatst naar Khartoum. Hij had daar een trainer. Na vijftien dagen ging hij weer naar zijn familie en na twee of drie maanden deed hij mee aan een wedstrijd. Van 1997/1998 tot 2000 woonde hij in een wijk van Omdurman. Van 2000 woonde hij weer in [plaatsnaam]. Op 27 februari 2004 werd zijn dorp verrast door een aanval van de Janjaweed. Verzoeker is naar de bergen van [plaatsnaam] gevlucht. Na een week kwam hij terug. Er waren in zijn dorp veel doden gevallen. Hij vond alleen zijn vader, zijn moeder was gedood. Zijn zus en beide broers waren vermist. Eind 2005/begin 2006 overleed verzoekers vader. Verzoeker besloot toen om te vluchten. Via de bergen van [plaatsnaam] ging verzoeker naar Khor Baranga op de grens met Tsjaad. Hij is er 7 maanden gebleven. Twee maanden voor zijn vertrek vond hij een reisagent. Via een luchthaven in een ander land is hij vertrokken.

2.6 Verweerder werpt aan verzoeker tegen dat hij toerekenbaar geen reis- en identiteitsbescheiden heeft overgelegd. Zijn relaas mist verder iedere positieve overtuigingskracht. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de etniciteit heeft van een Negroïde stam in Darfur. Evenmin is geloofwaardig dat verzoeker ooit heeft gewoond of verbleven in een plaats in de provincie Darfur in Soedan. Als hij gevolgd wordt in zijn verklaringen over zijn problemen in Khartoem, leidt dat niet tot vluchtelingschap. Van problemen met de autoriteiten of zodanige discriminatie wegens zijn afkomst uit West Soedan dat dit geleid heeft tot ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden is immers niet gebleken.

2.7 Verzoeker voert aan dat ten onrechte aan hem wordt tegengeworpen dat hij geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Hij heeft aangegeven dat zijn geboorteakte en zijn schoolpasje bij een brand verloren zijn gegaan en dat hij niets meer in zijn bezit heeft wat hij nog zou kunnen overleggen. Verder heeft hij verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar) die ertoe hebben geleid dat zijn vliegticket en opstapkaart konden worden achterhaald, waardoor hij wel degelijk voldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute. Verzoeker is voorts van mening dat van zijn relaas een positieve overtuigingskracht uitgaat. Hij merkt op dat verweerder niet getwijfeld heeft aan zijn Soedanese nationaliteit. Hij behoort tot de Barkawi-stam. Bij zijn eerste gehoor gaf hij inderdaad aan dat hij tot de Barqu-stam behoort maar dat betreft een afkorting van Barkawi. Hij heeft zijn stamtaal ook benoemd, dat is Barkawiye. Verweerders conclusie dat hij de naam van zijn stamtaal niet eens kon noemen, is het gevolg van een verkeerde vertaling door de tolk. Verweerder heeft zijn relaas onvoldoende zorgvuldig onderzocht omdat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat verweerder heeft nagegaan of de Barkawi-stam in Soedan bekend is. Ten onrechte is hem tegengeworpen dat hij zijn stamtaal niet spreekt nu verzoeker heeft aangegeven dat hij die taal is vergeten. Verzoeker is schoolgegaan op een koranschool waar zijn vader koranleraar was, hetgeen aannemelijk maakt dat verzoeker in die periode is opgevoed met de Arabische taal. Verweerder heeft nagelaten om te onderzoeken of verzoeker nog wel Barkawiye kan verstaan. Hiertoe had een tolk moeten worden ingeschakeld. Verzoeker is ook van mening dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij weinig over rotsformaties in de buurt van de plaats Al Fasher kan meedelen, hij is er immers slechts twee keer geweest toen hij dertien jaar oud was voor sportactiviteiten. Hij weet niet meer of er rotsformaties te zien waren. Dat het dorp waar hij gewoond heeft niet op de kaarten van verweerder te vinden is, komt omdat het een eenvoudig huttendorp was. In de beschikking is verweerder er van uitgegaan dat verzoeker uit West Darfur afkomstig is, terwijl hij in zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor duidelijk gesteld heeft dat hij uit Noord Darfur afkomstig is. De conclusie dat zijn relaas ongeloofwaardig is, is derhalve onzorgvuldig.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.9 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.10 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11 Verweerder heeft in C1/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C1/3.2.3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.12 Verzoeker heeft geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd. Verweerder heeft het ontbreken van deze documenten in redelijkheid aan verzoeker kunnen toerekenen en die omstandigheid in het nadeel van verzoeker bij het onderzoek van de geloofwaardigheid zijn verklaringen over zijn identiteit, de regio waaruit hij afkomstig is en het asielrelaas kunnen betrekken. Redengevend voor dat oordeel is het volgende. Verzoekers verklaring dat hij afkomstig is uit de regio Noord Darfur is door verweerder in twijfel getrokken. Aan de gestelde brand in verzoekers geboortedorp in die regio, waarbij diens geboorteakte en schoolpasje verloren zouden zijn gegaan, kon verweerder als verklaring voor het niet overleggen van deze documenten dan ook voorbijgaan. Aan verzoeker kan als gevolg daarvan toegerekend worden dat hij niet tenminste deze documenten heeft overgelegd, zodat hij een begin van bewijs voor zijn gestelde identiteit zou hebben kunnen leveren. Voorts heeft verzoeker geen documenten met betrekking tot zijn reisroute naar Nederland overgelegd. Hij is, zoals niet door hem is bestreden, door verweerder op de luchthaven aangetroffen zonder dat hij in het bezit was van zijn vliegticket en instapkaart. Verweerder kon uit die omstandigheid afleiden dat verzoeker zich van zijn documenten had ontdaan om onderzoek naar zijn stelling dat hij onder een valse identiteit Nederland is ingereisd, te frustreren. Zijn enkele stelling dat de reisagent zijn documenten in bezit had en die niet heeft teruggegeven, is ontoereikend als weerlegging van dat vermoeden. De omstandigheid dat deze documenten alsnog zijn achterhaald, al dan niet als gevolg van verklaringen die verzoeker ten overstaan van de Kmar heeft afgelegd, doet niet af aan verzoekers verplichting om die documenten zelf over te leggen. Daaraan is niet voldaan.

2.13 Met toepassing van de in C1/3.2.3 Vc weergegeven maatstaf heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat de verklaringen van verzoeker over zijn identiteit en regio van herkomst en de feiten die verzoeker in het asielrelaas naar voren heeft gebracht ongeloofwaardig zijn en het realiteitsgehalte van de vermoedens die verzoeker aan de feiten in het asielrelaas ontleent, onvoldoende is.

2.14 In het voorliggende geval is voor de conclusie of verzoeker aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel, doorslaggevend of aannemelijk is te achten dat hij uit de regio Darfur afkomstig is en tevens dat hij tot een niet-Arabische bevolkingsgroep behoort. Voorop staat dat verzoeker, die immers geen enkel documentair bewijs met betrekking tot zijn herkomst heeft overgelegd, deze feiten aan de hand van zijn verklaringen zoveel mogelijk positief aannemelijk dient te maken. Van de aannemelijkheid van zijn verklaringen ten aanzien van zijn herkomst en etniciteit dient niet reeds uit te worden gegaan, omdat verweerder hetgeen verzoeker heeft verklaard niet voldoende uitputtend zou hebben weerlegd.

2.15 Gezien dat uitgangspunt heeft verweerder een doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat deze de aanwezigheid in Soedan van de stam waartoe verzoeker stelde te behoren, niet in zijn bronnen heeft kunnen traceren. Hierbij wordt opgemerkt dat verzoeker in zijn eerste gehoor heeft gesteld dat hij behoorde tot de Barqu-stam. Verweerder heeft niet uit zijn bronnen kunnen opmaken dat deze stam of een stam met een daarop gelijkende naam in Soedan voorkomt. Een stam met die naam is door verweerder wel in Tsjaad getraceerd. Verzoeker heeft bij de zienswijze een stuk overgelegd dat van het internet afkomstig is, uit de bron GlobalSecurity.org, waarin sprake is van onder andere de Bargu die wonen in “the central belt of the region, including the Jebel Marra massif”. Hoewel naar het oordeel van de voorzieningenrechter gezien dit stuk ook niet geheel valt uit te sluiten dat een stam met de naam Bargu zijn woonplaats in Soedan zou kunnen hebben, is dat onvoldoende om verweerders conclusie dat dit niet is aangetoond, aangezien genoemd stuk kennelijk betrekking heeft op de hele regio van Soedan en Tsjaad, te ondergraven. Uit het overgelegde stuk is ook niet positief af te leiden dat de Bargu wel in Soedan woonplaats hebben. Het volgende is daarbij mede van betekenis.

2.16 Verzoeker heeft in zijn nader gehoor verklaard dat de stamtaal die hij van jongs af aan heeft gesproken, het Rotana was en dat zijn familie heel verbaasd was dat hij die stamtaal was vergeten. Ter zitting heeft verzoeker expliciet gesteld dat zijn stam Barkawi heet, waarvan Barqu een afkorting is, en dat de stamtaal in het Arabisch Barkawiye genoemd wordt. Verzoeker kan echter niet eens tot tien tellen in zijn gestelde stamtaal. Nu hij volgens zijn verklaringen tenminste tot zijn dertiende die stamtaal gesproken zou hebben, heeft verweerder het ongeloofwaardig kunnen achten dat hij in zijn jonge jaren Rotana dan wel Barkawiye gesproken zou hebben, waarmee zijn verklaringen met betrekking tot zijn stam eveneens niet geloofwaardig te noemen zijn. Verzoekers verklaring dat hij in zijn jeugd al meer op de Arabische taal georiënteerd was, gezien het beroep van zijn vader, overtuigt niet als reden waarom hij zo weinig van zijn stamtaal spreekt. Mede omdat verzoeker in die tijd in een plattelandsomgeving als herder zou hebben gewerkt kan verwacht worden dat hij de stamtaal van die streek beheerst. Niet valt in te zien dat verweerder bij zo weinig aanwijzingen voor de betrouwbaarheid van al deze verklaringen gehouden zou zijn om met behulp van een tolk vast te stellen of verzoeker die stamtaal wel zou kunnen verstaan.

2.17 Aan verzoeker kan worden toegegeven dat verweerder in de bestreden beschikking geen overwegingen heeft gewijd aan de vraag of er in Soedan mogelijk een Barkawi-stam zijn woonplaats heeft. Gelet op hetgeen verzoeker heeft verklaard over de Barkawi stam, waarvan Barqu de afkorting zou zijn, heeft verweerder op grond van het raadplegen van de in het besluit genoemde bronnen inzake de Barqu-stam of enige op deze naam fonetisch gelijkende naam in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de stam waartoe verzoeker zou hebben behoord niet in Soedan kon worden getraceerd.

2.18 Verzoeker heeft zijn etniciteit ook nog in verband gebracht met de Selehab of Silaihab. Het door hem overgelegde stuk getiteld ”Darfur Hilfe e. V.” maakt inderdaad melding van een stam die in Darfur woont en Silaihab wordt genoemd. Daaronder wordt echter opgemerkt dat de volgende Afrikaanse volksgroepen in de Darfur wonen, waarna een opsomming volgt waarin de Silaihab niet worden genoemd. In redelijkheid heeft verweerder op grond van deze informatie kunnen vaststellen dat de Silaihab een Arabische stam vormen. Dat gegeven is echter niet in overeenstemming met de centrale stelling van verzoeker dat zijn afkomst niet-Arabisch is en draagt niet bij tot de aannemelijkheid van zijn relaas.

2.19 Verweerder heeft voorts kunnen overwegen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit een dorp in Noord Darfur dat Surrunding zou heten. Aan verzoeker valt toe te geven dat verweerder er in de desbetreffende overwegingen van uitgaat dat Surrunding in West Darfur ligt. Nu verweerder zich echter kennelijk tegelijkertijd heeft gebaseerd op verzoekers verklaring dat Surrunding dichtbij de stad El Fasher in Noord Darfur ligt, kunnen deze overwegingen van verweerder nochtans stand houden. Surrunding is uit geen enkele verklaring van verzoeker te traceren. Onvoldoende is dat Surrunding slechts een zeer onbeduidend dorpje zou zijn. Verzoekers stelling dat hij uit dit dorpje afkomstig is, wordt er niet aannemelijker op nu hij over het nabijgelegen Al Fasher ook heel weinig heeft kunnen meedelen. Ook indien aannemelijk zou moeten worden geacht dat verzoeker in primitieve omstandigheden op het platteland zou hebben geleefd, zou het voor de hand liggen dat hij -ook al zou hij bij die gelegenheid niet ouder dan dertien jaar zijn geweest- bij zijn eerste bezoeken aan deze nabij gelegen grotere plaats voldoende indrukken heeft overgehouden om tenminste enige concrete feiten met betrekking tot die plaats te kunnen vermelden. Uit de door verweerder in de bestreden beschikking genoemde voorbeelden blijkt echter genoegzaam dat verzoeker gezien zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ooit in Al Fasher is geweest. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat opvalt dat verzoeker wel juiste verklaringen heeft kunnen afleggen over zijn woonplaats Umbadda in Umdurman bij Khartoem waar hij twee jaar zou hebben verbleven. Niet in te zien valt dat verzoeker dan geen concrete verklaringen omtrent [plaatsnaam] en Al Fasher zou kunnen afleggen.

2.20 Verweerder heeft ook in redelijkheid kunnen oordelen dat verzoeker zijn gestelde verblijf in Khor Baranga niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit verzoekers verklaringen is op te maken dat hij vanuit Darfur via Khor Baranga de grens is gepasseerd en in het aangrenzende Tsjaad terecht is gekomen. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat hij Khor Baranga kan hebben bereikt dat volgens verweerder niet aan de grens met Darfur is gelegen. Dit klemt temeer omdat verzoeker verklaard heeft dat hij daarna maanden lang in die plaats zou hebben verbleven.

2.21 Gezien dit alles heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij afkomstig is uit de Darfur regio van Soedan en ook niet dat hij behoort tot een niet Arabische etnische groepering in die streek. Aan zijn verklaringen met betrekking tot hetgeen hem in Darfur is overkomen, heeft verweerder dan ook voorbij mogen gaan.

2.22 Uit verzoekers verklaringen volgt niet dat hij overigens in Khartoem relevante problemen van de kant van de autoriteiten heeft ondervonden of dat hij daar een dermate ingrijpende discriminatie vanwege zijn afkomst dan wel om andere redenen heeft ondergaan dat dit als vervolging dient te worden beschouwd.

2.23 Verweerder hoefde dus niet uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van verzoeker over zijn identiteit en regio van herkomst en de feiten en de vermoedens die verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat verzoeker geen verdragsvluchteling is. De aanvraag is dus niet gegrond op omstandigheden die op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, Vw een rechtsgrond voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel vormen.

2.24 Gezien het feit dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort een niet-Arabische bevolkingsgroep uit Darfur, komt hij ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning uit hoofde van het categoriale beschermingsbeleid dat voor deze bevolkingsgroepen wordt gevoerd.

2.25 Er is dus geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag van verzoeker op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

2.26 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

2.27 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.28 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

2.29 Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

2.30 Ingevolge artikel 6, eerste lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de desbetreffende vreemdeling worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.31 Verweerder voert in verband met de tijdelijke sluiting wegens verbouwing van AC Schiphol ten aanzien van de vreemdelingen die hun asielaanvraag op of na 1 december 2006 hebben ingediend het volgende tijdelijke beleid: Aan de betrokken asielzoekers zal, net als thans het geval is, de toegang tot Nederland worden geweigerd. Vervolgens zal aan hen echter niet de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, maar de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vw worden opgelegd alvorens zij naar AC [plaatsnaam] worden overgebracht. Na een kort verblijf in de tijdelijke noodvoorziening zullen zij versneld in de AC procedure worden opgenomen. Indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure wordt afgewezen, zal na uitreiking van de afwijzende beschikking de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw worden opgelegd en zal de vreemdeling worden overgebracht naar een grenslogies. (Tussentijds besluit wijziging vreemdelingencirculaire (WBV) van 23 november 2006 nr. 2006/41).

2.32 Namens eiser is aangevoerd dat hem op 12 december 2006 het zogenoemde model M 117-C is uitgereikt, houdende de mededeling dat hij rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet en dat hem in verband daarmee de maatregel als bedoeld in artikel 55 Vw wordt opgelegd. Deze mededeling brengt volgens eiser mee dat de toegangsweigering aan hem is opgeheven. Dientengevolge ontbreekt de grondslag waarop de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw aan hem kon worden opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.33 In het onderhavige geval blijkt uit het zich in het dossier bevindende standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens dat op 8 december 2006 bij de doorlaatpost te Schiphol aan eiser de toegang tot Nederland is geweigerd. Eiser heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij een verzoek om asiel wilde indienen. Voorts is hem diezelfde dag door een ambtenaar der Kmar de maatregel bedoeld in artikel 6, eerste lid, Vw opgelegd met de verplichting om zich op te houden in de lounge. De dag erna is de maatregel in zoverre gewijzigd dat eiser zich diende op te houden te Ter Apelervenen, het aanmeldcentrum te [plaatsnaam]. In dat aanmeldcentrum heeft vervolgens de afhandeling van het door eiser ingediende asielverzoek plaatsgevonden. In de afwijzende beschikking van 18 december 2006 is overwogen dat er aanleiding is de toegangsweigering en de eerder opgelegde maatregel ex artikel 6, eerste lid juncto tweede lid, Vw voort te zetten. Dit is eiser bij de uitreiking van de beschikking medegedeeld. Vervolgens is aan eiser bij afzonderlijke beschikking op 18 december 2006 op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, de verplichting opgelegd om zich op te houden in P.I. Veenhuizen, locatie Bankenbosch.

2.34 De rechtbank stelt vast dat deze beschreven gang van zaken, een kennelijke verschrijving in de beschikking en de begeleidingsbrief daargelaten, immers er is geen sprake van voortzetting van de eerder opgelegde vrijheidsontnemende maatregel maar van oplegging van een nieuwe maatregel, in overeenstemming is met het thans geldende beleid zoals dat is vastgelegd in de bovengenoemde WBV 2006/41.

2.35 Niet daarmee in overeenstemming is dat blijkens een zich in het dossier bevindend formulier model M-117C eiser van de vreemdelingenpolitie Groningen op 12 december 2006 ingevolge artikel 55 Vw een aanwijzing heeft gekregen zich op te houden in het aanmeldcentrum [plaatsnaam]. In dit formulier is vermeld dat hij behoort tot de categorie vreemdelingen die rechtmatig verblijf geniet in afwachting van de beslissing op hun aanvraag. Volgens eiser is aldus de op 8 december 2006 gegeven toegangsweigering impliciet opgeheven.

2.36 Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat kennelijk bij vergissing naast de eerder opgelegde maatregel ex artikel 6, lid 1 Vw ook de maatregel bedoeld in artikel 55 Vw aan eiser is opgelegd, niet tot gevolg heeft dat de toegangsweigering niet langer is gehandhaafd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State in zijn uitspraak van 28 oktober 2004 onder nr. 200407707/1 heeft overwogen, is daarvoor nodig dat verweerder ondubbelzinnig terugkomt op het weigeringsbesluit. Volgens genoemde uitspraak vervalt een eerder gegeven toegangsweigering niet door de mededeling aan de vreemdeling dat deze rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw en biedt de wet geen grondslag voor het oordeel dat rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder f, Vw niet verenigbaar is met een toegangsweigering op grond van artikel 3 Vw. In de gegeven omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de toegangsweigering ten aanzien van eiser is opgeheven en uit het dossier blijkt evenmin dat het grensbewakingbelang in verzoekers geval is prijsgegeven. In deze situatie kon aan eiser na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw worden opgelegd.

2.37 De rechtbank ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.38 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.39 De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

2.40 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank:

3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.4 wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Hofman, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 9 januari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.