Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3679

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
Awb 06/39502
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / verblijf als au pair / voorwaarden / zorgvuldige voorbereiding

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van een zorgvuldige voorbereiding de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Nu sprake is van een aanvraag dient eiseres op grond van artikel 4:2, tweede lid, Awb de gegevens en bescheiden te verschaffen, die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank brengen deze bepalingen met zich dat het bestuursorgaan een actieve houding dient aan te nemen ter zake van het onderzoek naar de door eiseres aangedragen gegevens. In het bijzonder rust op het bestuursorgaan de plicht om te onderzoeken of de aangedragen gegevens kunnen leiden tot honorering van de aanvraag en zo nee in welke mate deze te kort schieten. In dat geval behoort het onderzoek zich mede te richten op de vraag op welke wijze alsnog aan de voorwaarden voor honorering kan worden voldaan. Tenslotte dienen de bevindingen van het onderzoek aan de aanvrager kenbaar te worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres alle voor de aanvraag relevante gegevens heeft verstrekt. Gelet op het feit dat eiseres alle door verweerder gevraagde gegevens heeft overgelegd en de door haar en referent afgelegde verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder meer kon concluderen dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3.43, eerste lid, Vb 2000. Het standpunt van verweerder dat eiseres bij haar aanvraag tevens had dienen aan te tonen dat geen sprake is van oneigenlijk gebruik van het au-pairschap kan de rechtbank ook niet volgen. Nu eiseres aan alle voorwaarden voor het au-pairschap heeft voldaan dient verweerder aannemelijk te maken dat sprake is van oneigenlijk gebruik van het au-pairschap. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Dat de indruk bij verweerder bestaat dat eiseres bij haar moeder zal verblijven acht de rechtbank hiertoe niet voldoende. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 06/39502

Uitspraak in het geschil tussen:

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

eiseres,

gemachtigde: mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen.

en

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. N.A.P. van Trommelen, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 30 januari 2005 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor verblijf als au-pair. Verweerder heeft bij beschikking van 4 mei 2005 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Eiseres heeft daartegen op 6 juni 2005, aangevuld bij brief van 27 juni 2005, bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 18 juli 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij beroepschrift van 15 augustus 2006, aangevuld bij brief van 14 september 2006, heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 december 2006. Eiseres heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiseres heeft op 31 januari 2005 een mvv aangevraagd met als verblijfsdoel verblijf als au-pair bij referent [naam] (verder te noemen referent). Bij beschikking van 4 mei 2005 is deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres en haar referent zonder opgaaf van reden de noodzakelijke bescheiden niet hebben overgelegd, zodat niet kan worden beoordeeld of eiseres voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijf als au-pair.

2.2. Tegen deze beschikking heeft eiseres bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft zij de ontbrekende bescheiden overgelegd.

2.3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 3.43 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en paragraaf B7/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) gestelde voorwaarden. Uit het departementale dossier van de moeder van eiseres is gebleken dat zij reeds in haar asielprocedure kenbaar heeft gemaakt dat zij eiseres permanent naar Nederland wil laten komen. In 2002 is een mvv-procedure gestart, echter zonder resultaat. Op grond van de in het dossier aanwezige informatie concludeert verweerder dat eiseres verblijf bij haar moeder beoogt. Referent heeft verklaard dat hij graag wil meewerken om eiseres in de gelegenheid te stellen te zien hoe haar moeder in Nederland leeft. Gelet op de afstand van ongeveer 40 kilometer die is gelegen tussen het gastgezin en de woonplaats van de moeder van eiseres wordt de indruk gewekt dat eiseres niet bij het gastgezin zal verblijven, maar bij haar moeder. Derhalve is sprake van oneigenlijk gebruik van het au-pairschap en is volgens verweerder het vertrek van eiseres uit Nederland niet redelijkerwijs gewaarborgd.

Bovendien heeft referent verklaard dat eiseres 30 tot 35 uur per werk lichte huishoudelijke werkzaamheden zal verrichten, hetgeen niet in overeenstemming is met de gestelde voorwaarden.

2.4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de informatie uit het departementale dossier van de moeder van eiseres buiten beschouwing gelaten dient te worden, nu dit dossier niet is overgelegd door verweerder en de informatie niet aan de orde is gesteld tijdens de hoorzitting op 12 juni 2006. Verweerder heeft de afwijzing van aanvraag gebaseerd op gegevens uit het dossier van de moeder van eiseres. Hierdoor is eiseres overvallen en geschaad in haar belangen. Voorts heeft referent tijdens deze hoorzitting uitdrukkelijk aangegeven dat eiseres bij hem en zijn gezin zal verblijven en niet bij haar moeder. Na afloop van het au-pairschap zal zij terugkeren naar het land van herkomst. Referent heeft aangegeven dat eiseres ’s ochtends licht huishoudelijke werk zal verrichten en zij zich verder kan bezighouden met de Nederlandse taal en cultuur. Als verweerder ter zitting had aangegeven dat eiseres maximaal 30 uren per week lichte huishoudelijke werkzaamheden mag verrichten, had referent reeds ter zitting aangegeven dat zij 30 uren huishoudelijk werk zal doen. Nu aan alle voorwaarden van het au-pairschap wordt voldaan is verweerder ten onrechte tot de conclusie gekomen dat sprake zou zijn van misbruik van het au-pairschap.

Beoordeling van het beroep

2.5. Eiseres beoogt met de aanvraag om verlening van een mvv verblijf hier te lande van langer dan drie maanden, zodat deze aanvraag dient te worden getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking verband houdende met het door eiseres beoogde verblijfsdoel.

2.6. Deze verblijfsvergunning regulier, zoals bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid Vw 2000. De bijzondere voorwaarden, waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel verblijf als au-pair wordt verleend, zijn nader uitgewerkt in B 7/2 Vc 2000.

2.7. In aanvulling daarop geldt dat ingevolge artikel 3.43 Vb 2000 de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf als au pair kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die achttien jaar of ouder, maar jonger dan zesentwintig jaar is;

b. die ongehuwd is en niet de zorg heeft voor kinderen;

c. die niet eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, heeft gehad;

d. die als au pair verblijft in een gastgezin, bestaande uit twee of meer personen, voor wie de vreemdeling niet eerder werkzaamheden heeft verricht;

e. die als tegenprestatie voor het verblijf in het gastgezin niet meer dan dertig uur per week lichte huishoudelijke werkzaamheden verricht, en

f. wiens vertrek uit Nederland naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.

Ingevolge het tweede lid -voor zover hier van belang- kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan en een garantverklaring heeft ondertekend.

Het derde lid bepaalt dat bij de aanvraag door de vreemdeling en het gastgezin een schriftelijke verklaring wordt ondertekend, waarin zij onder meer verklaren dat de vreemdeling als au pair tijdelijk in het gastgezin verblijft.

2.8. In het onderhavige geding dient te worden beoordeeld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aan alle voorwaarden als bedoeld in artikel 3.43, Vb 2000 voldoet. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder d, e en f, Vb 2000.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de voorbereiding van de bestreden beslissing de inhoud van het departementale dossier van de moeder van eiseres niet ter sprake gebracht dan wel het belang van dit dossier kenbaar gemaakt. Eiseres heeft niet de beschikking over deze gegevens. Dat verweerder deze informatie heeft betrokken bij de afwijzing van de aanvraag acht de rechtbank dan ook in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding.

2.9. Voorts dient verweerder in het kader van een zorgvuldige voorbereiding de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Nu sprake is van een aanvraag dient eiseres op grond van artikel 4:2, tweede lid, Awb de gegevens en bescheiden te verschaffen, die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank brengen deze bepalingen met zich dat het bestuursorgaan een actieve houding dient aan te nemen ter zake van het onderzoek naar de door eiseres aangedragen aangedragen gegevens. In het bijzonder rust op het bestuursorgaan de plicht om te onderzoeken of de aangedragen gegevens kunnen leiden tot honorering van de aanvraag en zo nee in welke mate deze te kort schieten. In dat geval behoort het onderzoek zich mede te richten op de vraag op welke wijze alsnog aan de voorwaarden voor honorering kan worden voldaan. Tenslotte dienen de bevindingen van het onderzoek aan de aanvrager kenbaar te worden gemaakt.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat zij alle voor de aanvraag relevante gegevens heeft verstrekt. Ten aanzien van de voorwaarde dat eiseres niet meer dan 30 uren per week licht huishoudelijk werk mag verrichten had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om bij referent navraag te doen of aan deze voorwaarde kon worden voldaan. Te meer nu referent heeft verklaard dat eiseres gedurende 30 tot 35 uren per week huishoudelijke werkzaamheden zal verrichten, in die zin dat zij ’s ochtends deze werkzaamheden zal doen, maar ’s middags zich met andere activiteiten zal bezighouden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat referent bereid is om eiseres gedurende niet meer dan 30 uren per weer licht huishoudelijk werk te laten verrichten.

2.11. Voorts heeft referent diverse malen verklaard dat eiseres gedurende haar verblijf in Nederland bij zijn gezin zal wonen. Referent heeft bovendien aangegeven dat eiseres na een jaar terugkeert naar het land van herkomst en dat de door hem ondertekende garantverklaring derhalve ook voor een jaar geldig is. Gelet op het feit dat eiseres alle door verweerder gevraagde gegevens heeft overgelegd en de door haar en referent afgelegde verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder meer kon concluderen dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3.43, eerste lid, Vb 2000. Het standpunt van verweerder dat eiseres bij haar aanvraag tevens had dienen aan te tonen dat geen sprake is van oneigenlijk gebruik van het au-pairschap kan de rechtbank dan ook niet volgen. Nu eiseres aan alle voorwaarden voor het au-pairschap heeft voldaan dient verweerder aannemelijk te maken dat sprake is van oneigenlijk gebruik van het au-pairschap. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Dat de indruk bij verweerder bestaat dat eiseres bij haar moeder zal verblijven acht de rechtbank hiertoe niet voldoende.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb. Het beroep dient dan ook gegrond verklaard te worden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.17. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank € 644,- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322) bedragen. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

3. Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 18 juli 2006;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een beschikking op de aanvraag te geven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ad € 141,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier op 12 maart 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: