Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3544

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/4071 OVERIN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een verzoek om vergoeding van schade, die gesteld wordt te zijn geleden ten gevolge van het (niet tijdig nemen van) een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning, ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Het zelfstandig schadebesluit ziet op een besluit waarvan de onrechtmatigheid al in een eerdere en afzonderlijke rechterlijke procedure is komen vast te staan. Het ligt op de weg van de aanvrager van een zuiver schadebesluit de aanvraag te onderbouwen en aldus een gemotiveerd standpunt in te nemen met betrekking tot de omvang van de aansprakelijkheid van het bestuursorgaan. Onder verwijzing naar een op 13 april 2007 door de Hoge Raad gewezen arrest (gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder nummer LJN: AZ8751), overweegt de rechtbank dat, nu de aan eiseres verleende vergunning als zodanig niet strekt tot het verkrijgen van inkomen uit arbeid, het relativiteitsvereiste er aan in de weg staat dat verweerder aansprakelijk kan worden geacht voor de door eiseres gestelde inkomensderving. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat eiseres de gestelde schade niet heeft onderbouwd met gegevens waaruit de schade zou kunnen blijken. Ten aanzien van de grief dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden overweegt de rechtbank dat het in deze zaak hoogst twijfelachtig moet worden geacht of het horen in bezwaar enige nadere duidelijkheid had kunnen verschaffen over de omvang van de door eisers gestelde schade.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 69
Vreemdelingenwet 2000 71
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/103

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage, zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 06 / 4071 OVERIN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[A], eiseres,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 30 november 2005.

Kenmerk: 9505.11.2058.

V-nummer: 242.001.5505.

Behandeling ter zitting: 8 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Bij besluit van 30 november 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 29 november 2004, waarbij verweerder een verzoek van eiseres om schadevergoeding heeft afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiseres bij brief van 10 januari 2006 een beroepschrift ingediend.

Bij brief van 16 februari 2006 heeft verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Deze heeft de rechtbank bij brief van 21 februari 2006 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 december 2006. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. R.C.C.M. Nadaud. Namens verweerder is verschenen mr. F. Ticheler, ambtenaar ten departemente. Voorts waren aanwezig mevrouw E. Nizowa, tolk en de heer [B].

II. OVERWEGINGEN

1. Chronologisch overzicht van de feiten

Eiseres heeft op 12 augustus 1993 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige’ ingediend. Bij besluit van 17 juli 1995, aan eiseres bekendgemaakt op 20 mei 1996, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit bij brief van 10 juni 1996 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 14 februari 1997 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit een beroepschrift ingediend. Bij brief van 10 september 1997 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het besluit van 14 februari 1997 wordt ingetrokken en dat eiseres in de gelegenheid zal worden gesteld zich te doen horen ten overstaan van een ambtelijke adviescommissie. Eiseres heeft daarop haar beroepschrift ingetrokken.

Bij besluit van 19 maart 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van 10 juni 1996 tegen het besluit van 17 juli 1995 opnieuw ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken dat met de arbeid die eiseres als zelfstandige verricht een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Bij ditzelfde besluit heeft verweerder echter tevens overwogen dat gebleken is dat er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) tussen eiseres en haar Nederlandse zoon. Op die grond heeft verweerder eiseres een verblijfsvergunning regulier verleend met als doel ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij [C]’, geldig van 24 januari 2002 tot 24 januari 2003.

Bij brief van 12 april 2002 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van 19 maart 2002. Het beroep richt zich zowel tegen de ingangsdatum van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier, alsmede tegen het feit dat deze onder een beperking is verleend. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een verblijfsvergunning zonder beperkingen.

Bij brief van 8 januari 2003 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het besluit van 19 maart 2002 wordt ingetrokken. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres haar beroepschrift ingetrokken.

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 1995. Bij dit besluit heeft verweerder zijn weigering eiseres in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige’ gehandhaafd. Met betrekking tot de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier met als doel ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij [C]’ heeft verweerder echter overwogen dat op grond van de stukken die de gemachtigde van eiseres op 14 april 1997 heeft toegezonden over de alimentatieverplichting van de vader van de zoon van eiseres en over de getroffen omgangsregeling tussen de vader en de zoon van eiseres, aan eiseres vanaf de datum waarop deze stukken zijn ingediend een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM aan eiseres verleend had kunnen worden. Om deze reden heeft verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van 14 april 1997.

Bij brief van 7 juli 2003 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2003. In het kader van dit beroep heeft eiseres onder meer aangevoerd dat de ingangsdatum van de aan haar op grond van artikel 8 van het EVRM verleende verblijfsvergunning dient te worden gesteld op 30 juli 1994, de geboortedatum van haar zoon.

Bij brief van 13 april 2004 heeft eiseres bij verweerder een verzoek om schadevergoeding ingediend. Volgens eiseres heeft verweerder onrechtmatig gehandeld doordat zij negen jaar heeft moeten wachten, alvorens aan haar een verblijfsvergunning, overigens met een foutieve ingangsdatum, werd verstrekt. Eiseres stelt hierdoor schade te hebben geleden. Zij heeft hiertoe, bij wijze van voorbeelden, aangevoerd dat zij bij gebreke van een verblijfsvergunning niet in staat is geweest een zelfstandig bedrijf uit te oefenen, opleidingen te volgen en haar rijbewijs om te laten zetten. Voorts stelt zij psychische schade ten gevolge van het lange wachten te hebben geleden. Bij brief van 25 juli 2004 heeft de heer [B], onder verwijzing naar de aanvraag van 13 april 2004, verweerder om betaling van een voorschot van € 55.000,- verzocht.

Bij uitspraak van 3 november 2004 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht, het beroep tegen het besluit van 7 juli 2003 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, enkel voor zover daarbij de ingangsdatum van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning is vastgesteld op 14 april 1997. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 7 juli 2003 geen deugdelijke motivering bevat ten aanzien van het door eiseres gestelde gezinsleven met haar zoon. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat verweerder de verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige’ terecht heeft geweigerd op de grond dat met die arbeid geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing eiseres geen verblijfsvergunning op laatstgenoemde grond te verlenen rechtens onaantastbaar is geworden.

Bij besluit van 29 november 2004 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij brief van 31 december 2004 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van 10 juni 1996 tegen het besluit van 17 juli 1995. Bij dit besluit heeft verweerder de ingangsdatum van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning nader vastgesteld op 22 mei 1996. Voor wat de periode van 30 juli 1994 tot 22 mei 1996 betreft is verweerder van oordeel dat het recht van haar Nederlandse zoon om in Nederland te verblijven en de daarmee verband houdende belangen van eiseres niet opwegen tegen het algemeen belang dat wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Op deze reden is verweerder van oordeel dat uit artikel 8 van het EVRM niet de positieve verplichting voortvloeit eiseres reeds met ingang van 30 juli 1994 verblijf toe te staan.

Bij besluit van 18 januari 2005 is eiseres met ingang van 18 december 2004 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande.

Bij brief van 2 februari 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2005. Daarbij is (opnieuw) aangevoerd dat verweerder eiseres ten onrechte niet reeds met ingang van 30 juli 1994 in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning.

Bij uitspraak van 21 maart 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht, het beroep van 2 februari 2005 gegrond verklaard, omdat verweerder in gebreke was gebleven met het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank heeft verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift van 10 juni 1996 tegen het besluit van 17 juli 1995 te beslissen. Aan deze opdracht heeft verweerder bij besluit van 7 april 2005 gevolg gegeven. Daarbij heeft verweerder zijn besluit eiseres niet eerder dan met ingang van 22 mei 1996 in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning gehandhaafd.

Bij brief van 2 mei 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van 7 april 2005. Daarbij is (opnieuw) aangevoerd dat verweerder eiseres ten onrechte niet reeds met ingang van 30 juli 1994 in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig door verweerder beslissen op het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 november 2004, waarbij verweerder het verzoek van eiseres om schadevergoeding heeft afgewezen.

Bij brief van 11 augustus 2005 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het besluit van 7 april is ingetrokken en dat opnieuw op bezwaar zal worden beslist. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres het beroep bij brief van

15 augustus 2005 ingetrokken.

Bij besluit van 20 september 2005 heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning met ingang van 30 juli 1994.

Bij uitspraak van 2 november 2005 heeft de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van de rechtbank Maastricht het beroep van 5 augustus 2005 tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 november 2005 tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, gegrond verklaard.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het thans bestreden besluit van 30 november 2005 genomen en daarbij het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 november 2004 ongegrond verklaard.

2. Voorvragen

De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvraag van 13 april 2004, waarmee deze procedure is ingeleid, een verzoek inhoudt om vergoeding van schade, die gesteld wordt te zijn geleden ten gevolge van het (niet tijdig nemen van een) besluit tot verlening van een verblijfsvergunning (hierna: het schadebesluit). Gelet op vaste jurisprudentie is de beslissing op dit verzoek een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Aangezien in dit geval tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit op grond van 71, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) beroep openstaat bij de rechtbank ’s-Gravenhage, is deze rechtbank ook bij uitsluiting bevoegd te oordelen over het schadebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van de rechtbank Maastricht niet bevoegd was te oordelen over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het schadebesluit van 29 november 2004. Dat heeft voor de huidige procedure echter geen consequenties, daar verweerder bij het thans bestreden besluit alsnog op dit bezwaar heeft beslist en eiseres bij brief van 10 februari 2006 opnieuw beroep heeft ingesteld.

Aangezien de vreemdelingenrechter in deze zaak bevoegd is, brengt artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 mee dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken is. Tussen partijen is niet in geding, en ook de rechtbank stelt vast, dat het beroepschrift buiten deze termijn is ingediend, maar nog wel binnen de door artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat het beroep van eiseres om deze reden niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, nu verweerder aan het slot van het bestreden besluit zelf melding heeft gemaakt van een beroepstermijn van zes weken. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Mutatis mutandis komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen het primaire schadebesluit van 29 november 2004. Ook dit bezwaarschrift is buiten de voorgeschreven termijn van vier weken ingediend, maar wel binnen de door de Awb voorgeschreven termijn van zes weken. Ook in het besluit van 29 november 2004 heeft verweerder echter abusievelijk melding gemaakt van een termijn van zes weken.

3. Beoordeling ten gronde

Tussen partijen is niet in geding dat met de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht, van 3 november 2004, waarbij het beroep tegen het besluit van 10 juni 2003 gegrond is verklaard, de onrechtmatigheid van dit besluit is gegeven. De door de rechtbank vastgestelde onrechtmatigheid zag op de ingangsdatum van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier met als doel ‘uitoefenen van gezinsleven conform, artikel 8 EVRM met haar zoon [C]’. Deze ingangsdatum had, naar het verdere verloop van de hiervoor beschreven vreemdelingrechtelijke procedure heeft uitgewezen, vastgesteld moeten worden op 30 juli 1994. Dat de ingangsdatum van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning niet van meet af aan is vastgesteld op 30 juli 1994 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan te merken als een onrechtmatige daad die aanleiding kan zijn tot veroordeling van verweerder in de dientengevolge door eiseres geleden schade. Naar het oordeel van de rechtbank kan hier niet aan afdoen dat de aanvraag van eiseres op een andere doelstelling zag dan de later aan haar verleende verblijfsvergunning. Het besluit tot het verlenen van deze vergunning heeft immers zijn beslag gekregen in de beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag, waarmee dit besluit tevens voorwerp werd van de toetsing door de vreemdelingenrechter.

Bij brief van 1 november 2005 heeft de gemachtigde van eiseres, desgevraagd door verweerder, een “globaal overzicht” gegeven van de door eiseres geleden schade. De hoogte van de inkomensderving voorafgaand aan het verlenen van de verblijfsvergunning heeft de gemachtigde gesteld op 125% van het minimuminkomen dat zij gedurende die periode had kunnen verwerven, minus de inkomsten die eiseres heeft genoten. Ter onderbouwing van dit percentage heeft de gemachtigde verwezen naar de inkomenseis die verweerder stelt voor rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen die hun partner willen laten overkomen.

Voor wat de periode na het verlenen van de verblijfsvergunning betreft, heeft de gemachtigde de inkomensderving eveneens gesteld op 125% van het minimumloon dat zij had kunnen verwerven, ware zij ten gevolge van de onrechtmatige daad van verweerder niet arbeidsongeschikt geworden, zulks met aftrek van de door eiseres ontvangen bijstandsuitkering.

Voorts heeft eiseres vergoeding gevorderd van de door haar gemaakte kosten ter zake van het verkrijgen van de verblijfsvergunning, de huursubsidie en de bijstand, alsmede de kosten die zij heeft moeten maken voor het afsluiten van een particuliere ziektekostenverzekering en het door haar opgebruikte eigen risico.

Verder heeft eiseres vergoeding gevorderd ter zake van door haar gestelde belastingschade, bestaande uit een terugvordering die haar grondslag vond in het herroepen door de Belastingdienst van de “BTW-toekenning en de zelfstandige aftrek”.

Ten slotte is namens eisers een bedrag van € 25.000,- aan smartengeld gevorderd.

Verweerder heeft aansprakelijkheid voor de door eiseres gestelde afgewezen, omdat:

a. eiseres de gestelde schade niet heeft geconcretiseerd en aangetoond;

b. er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de gestelde schade, en

c. niet is gebleken dat eiseres schadebeperkend heeft gehandeld.

Met betrekking tot het gestelde onder b heeft verweerder nader aangevoerd dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de gestelde schade die voort zou komen uit het verrichten van arbeid als zelfstandige, daar eiseres in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘het uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM’, terwijl het verblijfsdoel waar eiseres bij haar aanvraag om had verzocht, arbeid als zelfstandige, naar het oordeel van de rechtbank terecht is afgewezen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan, wat hij noemt, de “Schutznorm”. De gemachtigde heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 8 van het EVRM, waarop de aan eiseres verleende verblijfsvergunning is gebaseerd, anders dan de door eiseres aangevraagde vergunning, niet strekt tot bescherming van een vermogensbelang.

De gemachtigde van eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verweerder de vraag of haar een onrechtmatige daad kan worden verweten en zij hiervoor aansprakelijkheid erkent, niet eenduidig heeft beantwoord. In verband hiermee is de gemachtigde van eiseres van mening dat verweerder van hem niet mag verwachten dat hij een gedetailleerde onderbouwing geeft van het verzoek om schadevergoeding. Onder verwijzing naar de civielrechtelijke schadedestaatprocedure heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat het voor de huidige procedure volstaat dat komt vast te staan dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld en voor de door eiseres geleden schade aansprakelijk is. De bepaling van de hoogte van de door verweerder te betalen schadevergoeding zou in een aparte schadestaatprocedure aan de orde kunnen komen. De gemachtigde heeft erop gewezen dat voor de bepaling van deze schade de hulp van deskundigen (een accountant en een psychiater) zal moeten worden ingeroepen, ter zake waarvan een voorschot van verweerder is gevorderd.

Mede gelet op het voorgaande is de gemachtigde van mening dat verweerder ten onrechte heeft afgezien eiseres in het kader van de bezwaarprocedure te horen.

De rechtbank stelt voorop dat zij met verweerder van oordeel is dat voor aansprakelijkheid van verweerder voor de door eiseres gestelde schade vereist is dat eiseres deze voldoende aannemelijk maakt. De rechtbank merkt in dit verband op dat artikel 8:73, tweede lid, van de Awb weliswaar ook voor het bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid van het voeren van een schadestaatprocedure. Het gaat hierbij om de bevoegdheid van de bestuursrechter een gehele of gedeeltelijke scheiding te maken tussen de uitspraak over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en die over de schadevergoeding. Deze procedure ziet dus op een situatie waarin de bestuursrechter de rechtmatigheid van het besluit nog moet beoordelen, alsvorens in een vervolgprocedure voor deze zelfde rechter de vraag naar de schadevergoeding aan de orde komt. De huidige procedure ziet echter op de beoordeling van een zelfstandig schadebesluit dat ziet op een besluit waarvan de onrechtmatigheid al in een eerdere en afzonderlijke rechterlijke procedure is komen vast te staan. Het zelfstandige schadebesluit ziet rechtstreeks op de aansprakelijkheid van het desbetreffende bestuursorgaan voor de door het reeds eerder onrechtmatig bevonden besluit geleden schade. Het ligt dan ook op de weg van de aanvrager van een zuiver schadebesluit de aanvraag te onderbouwen en aldus een gemotiveerd standpunt in te nemen met betrekking tot de omvang van de aansprakelijkheid van het bestuursorgaan.

De rechtbank acht het voorts aangewezen een op 13 april 2007 door de Hoge Raad gewezen arrest (gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder nummer LJN: AZ8751) in haar beoordeling te betrekken. In deze zaak was door betrokkene gesteld dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door haar pas na vijf jaar na datum aanvraag de vluchtelingenstatus te geven waarop zij van meet af aan aanspraak had. Zij stelde dientengevolge schade ter zake van verlies van arbeidsvermogen, alsmede pensioenschade te hebben geleden. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat hij weliswaar van oordeel is dat de Staat aldus onrechtmatig heeft gehandeld, maar dat de Staat niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door betrokkene geleden schade, omdat niet is voldaan aan het in artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek geregelde relativiteitsvereiste. Op grond van dit artikel bestaat er geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde heeft geleden. De Hoge Raad heeft in dit verband het volgende overwogen:

“Op zichzelf is juist dat de toelating als vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe sterkt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [betrokkene] is gevorderd.”

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat de Hoge Raad geen aanleiding heeft gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal te volgen, die onder verwijzing naar verdragsbepalingen, waaronder in het bijzonder artikel 17 van het Vluchtelingenverdrag, met kracht had betoogd dat het recht op toelating als vluchteling nauw verbonden is met het recht op het verrichten van loonvormende arbeid in het ontvangende land.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aangehaalde overwegingen van overeenkomstige toepassing op het thans te beoordelen geding. Dit hangt weliswaar niet samen met een toelating als vluchteling, maar met de verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘het uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM’. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat, nu ook de aan eiseres verleende vergunning als zodanig niet strekt tot het verkrijgen van inkomen uit arbeid, het relativiteitsvereiste er aan in de weg staat dat verweerder aansprakelijk kan worden geacht voor de door eiseres gestelde inkomensderving. Dat de initiële aanvraag van eiseres juist gericht was op het verrichten van arbeid als zelfstandige, maakt dit niet anders, omdat de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht, bij uitspraak van 3 november 2004 heeft geoordeeld dat verweerder de aanvraag van een verblijfsvergunning strekkende tot dit doel terecht heeft afgewezen. Van de uitspraak is eiseres niet in hoger beroep gekomen, zodat dit oordeel in rechte onaantastbaar is geworden. Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding, voor zover dat betrekking heeft op de inkomensschade die eiseres stelt tot de verlening van de verblijfsvergunning te hebben geleden, dan ook terecht afgewezen.

De rechtbank voegt aan het voorgaande nog toe dat de casus van eiseres in die zin een verschil vertoont met de door de Hoge Raad in voornoemd arrest besliste zaak, dat uit de gedingstukken met zoveel woorden is af te leiden dat eiseres tot het moment waarop de Koppelingswet van kracht wet, nog een “eenmanszaak” heeft gevoerd. De gemachtigde van eiseres heeft echter onvoldoende inzicht gegeven in de aard van de desbetreffende werkzaamheden en evenmin in de omvang van de inkomsten die eiseres uit deze zaak heeft genoten. Zij is dan ook met verweerder van oordeel dat eiseres, voor zover haar verzoek al geacht kan worden mede op deze kosten betrekking te hebben, deze niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit geldt evenzeer voor de door eiseres gestelde kosten in verband met een terugvordering van de Belastingdienst. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit deze terugvordering kan blijken.

Tot ditzelfde oordeel komt de rechtbank met betrekking tot de inkomensschade die eiseres stelt na de verlening van de verblijfsvergunning te hebben geleden. Blijkens de gronden zouden deze zijn terug te voeren op het feit dat eiseres ten gevolge van het uitblijven van de verlening van de verblijfsvergunning op grond van psychische klachten arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Eiseres heeft echter in het geheel geen medische gegevens overgelegd waaruit deze klachten en daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid zou kunnen blijken.

De door eiseres gestelde schade ter zake van kosten voor het verkrijgen van de verblijfsvergunning, de huursubsidie en de bijstand, alsmede de kosten die zij heeft moeten maken voor het afsluiten van een particuliere ziektekostenverzekering en het door haar opgebruikte eigen risico zijn eveneens niet onderbouwd, ondanks het feit dat verweerder zowel in de aanvraag- als de bezwaarfase herhaaldelijk op nadere onderbouwing van de gestelde schade heeft aangedrongen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ook het verzoek om smartengeld terecht heeft afgewezen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat bij eiseres sprake is van een zodanige aantasting van haar persoon, bestaande uit meer dan psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen als gevolg van het onrechtmatig handelen van verweerder, dat zij aanspraak kan maken op smartengeld. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij ten gevolge van het uitblijven van de verblijfsvergunning psychisch lijdt, maar heeft dit niet met medische stukken onderbouwd.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder, nu eiseres de door haar gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt, tevens heeft mogen afzien van uitbetaling van een voorschot op de uitbetaling van de door eiseres gestelde schade.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn besluit het verzoek van eiseres om schadevergoeding af te wijzen, terecht bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

Ten slotte overweegt de rechtbank met betrekking tot de grief dat verweerder de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden dat een hoorzitting, juist ook in gevallen als hier aan de orde, een belangrijke rol kan vervullen met betrekking tot het verkrijgen van duidelijkheid omtrent de feitelijke omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van een verzoek om schadevergoeding. In die zin brengt de aard van de schadeprocedure mee dat het afzien van horen in de bezwaarprocedure hoogst uitzonderlijk zal dienen te zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat het in deze zaak hoogst twijfelachtig moet worden geacht of het horen in bezwaar enige nadere duidelijkheid had kunnen verschaffen over de omvang van de door eiseres gestelde schade. De rechtbank acht hiertoe doorslaggevend dat de gemachtigde van eiseres, ook na daar herhaaldelijk door verweerder om te zijn verzocht, heeft nagelaten de gestelde schade in meer gedetailleerde zin te onderbouwen. Dat de gemachtigde van eiseres dit gedaan heeft in de onjuiste veronderstelling dat hij tot deze nadere onderbouwing eerst gehouden zou zijn in een afzonderlijk te voeren schadestaatprocedure dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiseres te komen. In deze omstandigheid ziet de rechtbank geen aanleiding het bestreden besluit wegens schending van de in artikel 7:2 van de Awb genoemde hoorplicht te vernietigen.

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt dan ook als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Kramer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kramer w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 23 april 2007

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.