Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3472

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
09/754096-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Verdachte en zijn mededaders hebben meerdere vrouwen gedurende langere periode in de prostitutie gedwongen. Zij hebben deze vrouwen veelal onder valse voorwendselen naar Nederland laten komen door hen werk in de schoonmaakbranche of tuinbouwkassen te beloven of een seksuele relatie met hen aan te gaan. Eenmaal in Nederland gekomen moesten de vrouwen iedere dag in de prostitutie werken. De rechtbank legt aan verdachte een hogere straf op dan aan zijn mededaders omdat zijn aandeel in de vrouwenhandel het grootst is geweest en voorts omdat hij degene is geweest die een bijzonder kwetsbaar meisje in de prostitutie heeft gedwongen, namelijk een meisje van 15 jaar dat (zeer) slechthorend is. Artikelen - 36f, 47, 57, 273a (oud) en 273f van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/754096-06

's-Gravenhage, 20 april 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [land] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden", PCS Jeugdhuis van Bewaring "De Sprang" (unit 3) te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 oktober 2006, 10 januari 2007 en 6 april 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, is telkens ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. A.H. Baggerman heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen nummers 1, 2 en 3 retour rechthebbenden zullen gaan en de nummers 4 en 5 retour verdachte zullen gaan.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A], te weten een bedrag van € 1.000,= als immateriële schade, een bedrag van € 4.000,= als materiële schade en een bedrag van € 5.000,= als gederfde inkomsten, met bepaling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B], te weten een bedrag van € 30.500,=, met bepaling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Ten aanzien van feit 5 leest de rechtbank in de zevende regel het woord "door" in, nu de steller van de dagvaarding kennelijk het oog heeft gehad op de uitvoeringshandelingen van verdachte en de medeverdachten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 3 1e cumulatief/alternatief.

De raadsman heeft namens verdachte het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het bij gewijzigde dagvaarding telastgelegde feit 3 1e cumulatief/alternatief op grond van het bepaalde in artikel 2 jo. 5a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de feitelijke handelingen, uitgaande van de verklaring van [B], hebben plaatsgevonden in Bulgarije. Verdachte is bij de Duitse grens tegengehouden en [B] is zonder verdachte verder gereisd. Nu die [B] ten tijde van de telastgelegde periode meerderjarig was, is de uitbreiding van artikel 5a Sr op artikel 2 Sr niet van toepassing.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is vaste rechtspraak dat vervolging op grond van artikel 2 van het wetboek van Strafrecht in Nederland mogelijk is indien een deel van de strafbare handelingen in Nederland hebben plaatsgevonden en een ander deel in het buitenland. Voorts miskent dit verweer dat op grond van het in artikel 5, eerste lid onder ten

2e de Nederlandse strafwet van toepassing is op in het buitenland begane strafbare feiten indien die feiten in Nederland als een misdrijf worden beschouwd en het land waarin de feiten zijn begaan daarop straf is gesteld. Nu Bulgarije het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (15-11-2005, Trb 2004/35) op 25 12-2003 heeft geratificeerd, neemt de rechtbank aan dat Bulgarije op grond van het bepaalde in

artikel 5 van dat protocol mensenhandel strafbaar heeft gesteld.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij gewijzigde dagvaarding onder 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet is komen vast te staan dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [C] met derden tegen betaling, nu die [C] als getuige op 28 juli 2006 tegenover de politie heeft verklaard die handelingen vrijwillig te hebben verricht, wel geldbedragen aan medeverdachte [AM] heeft gegeven, maar daarvan de werkelijke herkomst verzwegen en het geld dat zij daarmee verdiende altijd voor zichzelf heeft mogen behouden.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij de gewijzigde dagvaarding onder 1 1e cumulatief/alternatief en 2e cumulatief/alternatief, 2, 3 1e cumulatief/alternatief en 2e cumulatief/alternatief en 5 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de getuigen [D], [A], [B] en [E], in deze zaak afgelegde verklaringen, overweegt de rechtbank dat deze verklaringen, gezien in onderlinge samenhang met de door andere getuigen in deze zaak afgelegde verklaringen, die door de verdediging konden worden getoetst, consistent zijn en veel met elkaar overeenstemmende details bevatten.

Hoewel zulks uit het dossier niet expliciet blijkt, hanteert de rechtbank als uitgangspunt bij de beoordeling van de status van de slachtoffers in deze zaak dat zij allen illegaal in Nederland verbleven. De rechtbank komt tot deze vaststelling gelet op deels het terug naar Bulgarije sturen van deze slachtoffers het het deels wijzen op de zogenaamde B-9 status.

Door hun illegale status in Nederland werd de kwetsbaarheid van de positie van de slachtoffers vergroot.

De rechtbank merkt op dat zij ten aanzien van de slachtoffers [D], [B] en [E] telkens een kortere periode bewezen verklaart vallend binnen de telastgelegde periode, te weten:

Ten aanzien van [D] de periode van 1 maart 2005 tot en met 11 juli 2006;

Ten aanzien van [B] de periode van 30 oktober 2005 tot en met 1 maart 2006;

Ten aanzien van [E] de periode van 13 juni 2006 tot en met 6 juli 2006.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij wordt in het bijzonder nog het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn mededaders hebben meerdere vrouwen gedurende langere periode in de prostitutie gedwongen. Zij hebben deze vrouwen veelal onder valse voorwendselen naar Nederland laten komen door hen werk in de schoonmaakbranche of tuinbouwkassen te beloven of een seksuele relatie met hen aan te gaan. Één van de vrouwen hoopte op deze wijze in het onderhoud van haar vier kinderen in Bulgarije te kunnen voorzien. Eenmaal in Nederland gekomen moesten de vrouwen iedere dag in de prostitutie werken, zelfs indien zij ongesteld of mishandeld waren. Voorts heeft verdachte een aantal vrouwen veelvuldig mishandeld.

Verdachte en zijn mededaders hebben ontsnapping van de vrouwen voorkomen door de vrouwen in een woning op te sluiten en hen te begeleiden van en naar de klanten die zij voor de vrouwen hadden geregeld. Verdachte en zijn mededaders hebben van een aantal vrouwen voorts het paspoort ingenomen.

Gelet op deze handelwijze hebben verdachte en zijn mededaders de vrouwen op grove wijze voor eigen gewin uitgebuit. Zij hebben geen enkel respect getoond voor de vrouwen. De vrouwen zullen naar verwachting nog geruime tijd psychische problemen ondervinden door hetgeen verdachte en zijn mededaders hen hebben aangedaan.

De rechtbank legt aan verdachte een hogere straf op dan aan zijn mededaders omdat zijn aandeel in de vrouwenhandel het grootst is geweest en voorts omdat hij degene is geweest die een bijzonder kwetsbaar meisje in de prostitutie heeft gedwongen, namelijk een meisje van 15 jaar dat (zeer) slechthorend is.

De inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen nummers 1, 2 en 3 aan de desbetreffende rechthebbenden en van de nummers 4 en 5 aan de verdachte.

De vorderingen van de benadeelde partijen

[A], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 10.000,=, te weten een bedrag van € 5.000,= als immateriële schade (lichamelijke letsels) en een bedrag van € 5.000,= als materiële schade (ontnomen geld).

Deze vordering is door de verdediging weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is zij gedeeltelijk eenvoudig van aard en vindt haar grondslag - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - rechtstreeks in het bij dagvaarding onder 2 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij deels ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank zal deze vordering toewijzen, voor zover deze ziet op de geleden immateriële schade, tot een bedrag van € 5.000,=. De rechtbank acht immers de inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde partij aannemelijk gemaakt.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, nu deze niet eenvoudig van aard is. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[B], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 30.500,=, te weten een bedrag van € 30.000,= als immateriële schade en een bedrag van € 500,= als kosten voor rechtsbijstand.

Deze vordering is door de verdediging weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is zij gedeeltelijk eenvoudig van aard en vindt haar grondslag - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - rechtstreeks in het bij dagvaarding onder 3 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij deels ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank zal deze vordering toewijzen, voor zover deze ziet op de geleden immateriële schade, tot een bedrag van € 5.000,=. De rechtbank acht immers de inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde partij aannemelijk gemaakt.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, nu deze niet eenvoudig van aard is. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt - begroot op nihil - en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 5.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] en een bedrag groot € 5.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 47, 57, 273a (oud) en 273f van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij de gewijzigde dagvaarding onder 4. telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, 3 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

MEDEPLEGEN VAN MENSENHANDEL, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 54 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 12 juli 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 juli 2006,

gelast de teruggave van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1 aan [B] en van de voorwerpen genummerd 2 en 3 aan [D];

gelast de teruggave aan de verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 en 5;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen deels toe en veroordeelt verdachte:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan :

- [A], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag van € 5.000,=;

- [B], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag van € 5.000,=;

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [AM] aan de benadeelde partij [B], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat deze de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 5.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] en een bedrag groot

€ 5.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 respectievelijk 55 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Graaff, voorzitter,

Honée en Lely, rechters,

in tegenwoordigheid van Ligthart, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 april 2007.

Mr. Lely is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.