Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3442

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/5499 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Projectontwikkelaar heeft een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor de bouw van vier eensgezinswoningen. De gemeente (verweerder) heeft de reguliere bouwvergunning verleend en ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet kan voldoen aan de verplichting om bij de nieuw te bouwen woningen parkeerplaatsen aan te bieden.Verweerder heeft ervoor gekozen om de nieuwe bewoners te verplichten een plek in de parkeergarage van het centrumplan af te laten nemen, maar een garantie dat men ook van die plek gebruik zal maken als er ook een parkeerplaats voor de deur aanwezig is, kan niet worden gegeven. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontheffing heeft verleend onder de voorwaarde dat de vergunninghouder ten behoeve van de te bouwen woningen een viertal parkeerplaatsen zal afnemen in de parkeergarage van het centrumplan. De rechtbank ziet geen grond voor de stelling dat verweerder niet in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/5499 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [gemeente A], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht, verweerder;

derde belanghebbende: [X] Projectontwikkeling BV, zetelend te [...].

Ontstaan en loop van het geding

[X] Projectontwikkeling BV heeft op 16 maart 2005 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor de bouw van vier eensgezinswoningen [locatie A] te Moordrecht.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder de reguliere bouwvergunning verleend en ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

Bij besluit van 22 juni 2006 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 juli 2006 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 11 april 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser verschenen, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door [Y]. Tevens was namens de derde belanghebbende ter zitting aanwezig [Z].

Motivering

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet kan voldoen aan de verplichting om bij de nieuw te bouwen woningen parkeerplaatsen aan te bieden. Verweerder heeft de (creatieve) oplossing gekozen om de nieuwe bewoners te verplichten een plek in de parkeergarage van het centrumplan af te laten nemen, maar een garantie dat men ook van die plek gebruik zal maken als er ook een parkeerplaats voor de deur aanwezig is, kan niet worden gegeven. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder niet binnen de termijn van zes weken op het bezwaar heeft beslist en is van mening dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht derhalve voor zijn rekening dient te nemen. Tenslotte heeft eiser er op gewezen dat er in het kader van de onderhavige bouwplannen een gebrek aan inspraakmogelijkheden is geweest.

Verweerder heeft eisers standpunt gemotiveerd bestreden.

Vooropgesteld wordt dat eisers grief dat de beslissing op bezwaar niet tijdig is genomen voor dit beroep geen consequenties heeft. Eiser had tegen het uitblijven van een tijdige beslissing ingevolge artikel 6:2 in samenhang met artikel 6:12 van de Awb het rechtsmiddel van beroep in kunnen stellen, maar heeft dat niet gedaan.

De rechtbank ziet in de hiervoor genoemde termijnoverschrijding geen grond om verweerder met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb, te veroordelen in het door eiser betaalde griffierecht. Die mogelijkheid bestaat slechts indien er tussen de termijnoverschrijding en het ingestelde beroep een causaal verband bestaat. Het onderhavige beroep is echter een direct gevolg van het bestreden besluit tot handhaving van de verleende bouwvergunning en ontheffing van de bouwverordening. De termijnoverschrijding staat niet in een causaal verband met het ingestelde beroep.

In het gegeven dat verweerder op 22 juni 2006 midden in de vakantietijd op eisers bezwaar (en dat van anderen) heeft besloten, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. Dat eiser door afwezigheid van medebelanghebbenden niet mede namens hen beroep heeft kunnen instellen, waardoor hij niet met gebruikmaking van de anticumulatiebepaling van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb, het verschuldigde griffierecht met hen heeft kunnen delen, leidt in de gegeven situatie niet tot een ander oordeel. Eiser had dit kunnen ondervangen door mede namens andere belanghebbenden alvast beroep in te stellen en een hersteltermijn te vragen voor het overleggen van de vereiste machtigingen.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden.

Voor zover hier van belang dient ingevolge artikel 44, eerste lid, en onder b en c, van de Wow de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of in strijd is met een bestemmingsplan.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Moordrecht-Dorpskern 2005'. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, zijn blijkens de bestemmingsplankaart aangewezen voor 'Centrumvoorzieningen II'. Dit houdt ingevolge artikel 4, eerste lid, van het bestemmingsplan in dat die gronden zijn bestemd voor woningen en bedrijven.

Het bouwplan voorziet in de bouw van vier eensgezinswoningen en is, gelet op de aangewezen bestemming, niet in strijd met het bestemmingsplan. Het gegeven dat dit bouwplan meebrengt dat de ter plaatse aanwezige beplanting voor een gedeelte verdwijnt, maakt dat niet anders. Op de plankaart behorende bij het bestemmingsplan staat op de desbetreffende locatie [locatie A] geen groenvoorziening ingetekend. Dit betekent dat ondanks de beplanting op de gegeven plaats niet de bestemming 'groenvoorziening' rust. De beplanting kon derhalve bij de planologische toets van het bouwplan geen rol spelen. Nu het gedeeltelijk verdwijnen van het groen niet in strijd is met het bestemmingsplan, kan hetgeen eiser hierover in bezwaar en herhaald in beroep heeft aangevoerd het bestreden besluit niet aantasten.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid van het openbaar vervoer.

Niet in geding is dat het bouwplan op zich hier niet in voorziet.

Ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening kan verweerder echter ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid (...) voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Verweerder heeft die bewuste ontheffing verleend en eiser heeft betwist dat verweerder dat in redelijkheid had mogen doen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontheffing heeft verleend onder de voorwaarde dat de vergunninghouder ten behoeve van de te bouwen woningen een viertal parkeerplaatsen zal afnemen in de parkeergarage van het centrumplan. Een en ander is nader uitgewerkt blijkens het dossier in de desbetreffende koopovereenkomsten. Daarnaast worden er schuin tegenover de te bouwen woningen twee extra parkeerplaatsen aangelegd en zal er bij de huidige woning aan de [adres] een parkeerplaats worden gerealiseerd.

De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling of verweerder in redelijkheid de in geding zijnde ontheffing heeft kunnen verlenen, alleen van belang is de parkeerbehoefte die het directe gevolg is van het voorgenomen bouwplan. Daarbij speelt dus niet, zoals eiser heeft betoogd, het totale [locatie A], maar alleen de vier te bouwen woningen een rol.

Vastgesteld wordt dat verweerder ter bepaling van de parkeerbehoefte zoals hiervoor bedoeld de norm heeft gehanteerd van 1,2 parkeerplaats per woning. Blijkens de toelichting op artikel 2.5.30 van de bouwverordening laat verweerder zich daarbij leiden door de kencijfers van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek te Ede (hierna: Stichting CROW). De Stichting CROW komt in haar Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004) met cijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw. Dat verweerder de cijfers van de Stichting CROW als leidraad heeft genomen voor de vaststelling van de in geding zijnde parkeerbehoefte, acht de rechtbank niet onredelijk of anderszins onjuist. Vastgesteld wordt dat verweerder in overeenstemming met de ASVV 2004 tot de norm van 1,2 parkeerplaats per woning is gekomen.

Hoewel verweerder van een norm van 1,2 parkeerplaats per woning is uitgegaan, moet worden geconcludeerd dat de ingevolge de ontheffing ingekochte vier parkeerplaatsen alsmede de aanleg van de twee extra parkeerplaatsen al neerkomt op het hanteren van een norm van 1,5 en dat betekent dat in ruimere mate in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien dan de norm van 1,2 parkeerplaats per woning vereist. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de zes bij het bedrijf horende parkeerplaatsen aan de [locatie A] en het gegeven dat die na de bouw van de woningen worden gehandhaafd. Eisers grief dat er ter plekke los van het bouwplan al een tekort aan parkeerplaatsen is, speelt in dit verband geen rol. Bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient immers alleen rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte die rechtstreeks uit het bouwplan voortvloeit. In dit verband speelt het gegeven dat verweerder niet kan garanderen dat de nieuwe bewoners ook daadwerkelijk van de parkeergarage gebruik gaan maken evenmin een rol. Voldoende is dat er in de ten gevolge van het bouwplan benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor de stelling dat verweerder niet in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen.

Na verlening van de ontheffing ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening was het bouwplan niet langer in strijd met die verordening en was verweerder gehouden ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wow de gevraagde vergunning te verlenen. De belangen van eiser kunnen in dit verband verder geen rol spelen, zodat de overige in bezwaar aangevoerde en hier als herhaald en ingelast beschouwde gronden, geen bespreking behoeven.

Ter zitting is gebleken dat eisers pijn voornamelijk zit in het - los van het bouwplan - bestaande algemene parkeerprobleem in en rond de [locatie A] en het gegeven dat eiser met betrekking tot deze problematiek weinig of geen gehoor heeft gevonden bij de gemeente Moordrecht. Met verweerders gemachtigde is ter zitting de mogelijkheid besproken dat eiser over het algemene parkeerbeleid met de gemeente van gedachten wisselt. Verweerders gemachtigde is gevraagd of zij zich er voor wil inzetten dat eiser daartoe wordt uitgenodigd door het college van burgemeester en wethouders. Hoewel dit het bestek van het onderhavige beroep te buiten gaat, spreekt de rechtbank het vertrouwen uit dat eiser ook daadwerkelijk zal worden uitgenodigd.

Het beroep is ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een veroordeling van verweerder in de vergoeding van het griffierecht af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.