Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
AWB 07/9625
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zicht op uitzetting naar China beperkt / belangenafweging

De rechtbank ziet in de verhouding tussen het aantal in 2006 ingediende lp-aanvragen en het aantal in dat jaar afgegeven lp’s onvoldoende grond voor de conclusie dat het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt. Het aantal lp’s dat thans wordt afgegeven is wel dermate gering dat het zicht op uitzetting als beperkt moet worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu verweerder niet heeft kunnen verhelderen waarin de aanvragen die tot afgifte van een lp hebben geleid, zich onderscheiden van de aanvragen waarin dit niet is gebeurd. Op basis van deze informatie kan niet worden volgehouden dat de afgifte van lp’s significant wordt bespoedigd door het verstrekken van bepaalde gegevens door de vreemdeling. Naar het oordeel van de rechtbank dient aan deze omstandigheden betekenis te worden toegekend in de belangenafweging die aan het besluit tot oplegging dan wel voortduring van de maatregel vooraf gaat. Alhoewel het onderzoek door de Chinese autoriteiten nog maar anderhalve maand gaande is, duurt de vrijheidsontnemende maatregel reeds drie en een halve maand voort. Daar komt bij dat verzoeker minderjarig is en hij, met uitzondering van het verstrekken van zijn id-nummer, zijn medewerking heeft verleend aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Nu voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere belangen aan de zijde van verweerder om de vrijheidsontnemende maatregel te laten voortduren, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging thans uitvalt in het voordeel van eiser. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/9625

V-nr.: 271.471.0452

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1989, van (gestelde) Chinese nationaliteit, verblijvende in P.I. Doggershoek te Den Helder, eiser,

gemachtigde: mr. drs. E.M. Hoorenman, advocaat te Hoorn,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie,

gemachtigde: mr. A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 11 december 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Amsterdam van 31 januari 2007 (AWB 07/3194) is een eerder beroep van eiser gericht tegen deze maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 2 maart 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 20 maart 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij brief aan partijen van 21 maart 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is aan verweerder nader informatie gevraagd. Bij bericht van dezelfde datum heeft verweerder de gevraagde informatie verschaft. Bij brief van 22 maart 2007 heeft de gemachtigde van eiser hierop gereageerd. Na ontvangst van dit bericht heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

In de voortgangsgegevens staat vermeld dat op 1 maart 2007 schriftelijk is gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten. Deze rappelbrief ontbreekt echter in het dossier. Voorts ontbreekt in het dossier het bericht van de Chinese autoriteiten waarin zij aangeven dat de aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp) in onderzoek is genomen. Nu sinds het verzenden van lp-aanvraag op 18 december 2006 naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) geen resultaten meer zijn geboekt, heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld. Eiser heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 16 februari 2007 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 07/9690) gesteld dat de Chinese autoriteiten uiterst marginaal medewerking verlenen aan uitzetting. Daar komt nog bij dat eiser uit Tibet afkomstig is. Nu de Chinese autoriteiten vooralsnog ook geen medewerking verlenen aan de uitzetting van eiser, ontbreekt thans het zicht op uitzetting.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Verweerder heeft sinds de vorige uitspraak voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. De aanvraag om afgifte van een lp is op 16 februari 2007 in behandeling genomen door de Chinese autoriteiten en er is op 1 maart 2007 gerappelleerd naar de voortgang van het onderzoek. In tegenstelling tot hetgeen op pagina 2 van de voortgangsrapportage staat vermeld, is niet schriftelijk, maar mondeling gerappelleerd. Verweerder betwist voorts dat zicht op uitzetting ontbreekt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting statistische gegevens verstrekt betreffende de instroom en uitstroom van lp-aanvragen bij de afdeling LP van DT&V, waaruit blijkt dat nog steeds lp’s worden afgegeven door de Chinese autoriteiten.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder een plicht heeft om in de voortgangsgegevens de juiste gegevens neer te leggen. De rechtbank stelt voorts vast dat de gegevens in de voortgangsrapportage ten aanzien van de wijze van rappelleren niet overeenkomen met de verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting. Nu de rechtbank echter geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring van de gemachtigde van verweerder dat verweerder bij de Chinese autoriteiten mondeling en niet schriftelijk pleegt te rappelleren, gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder op 1 maart 2007 mondeling heeft gerappelleerd. Nu het voorts een geringe omissie in de voortgangsrapportage betreft ziet de rechtbank, anders dan eiser heeft betoogd, geen aanleiding om het beroep om deze reden gegrond te verklaren.

Evenmin volgt de rechtbank het betoog van eiser dat sinds het verzenden van de lp-aanvraag naar DT&V op 18 december 2006 geen resultaten meer zijn geboekt. In dat verband is van belang dat eiser op 14 februari 2006 een asielaanvraag heeft gedaan, waar op 19 januari 2007 afwijzend is beslist. Uit de voortgangsrapportage blijkt voorts dat DT&V de lp-aanvraag op 29 december 2006 heeft doorgestuurd naar de Chinese autoriteiten en dat deze de aanvraag op 16 februari 2007 in behandeling hebben genomen. Nu verweerder op 1 maart 2007 heeft gerappelleerd naar de voortgang van het onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.

Ten aanzien van het zicht op uitzetting wordt als volgt overwogen. Uit door de gemachtigde van verweerder ter zitting verstrekte informatie blijkt het volgende. In 2005 zijn 1171 aanvragen om afgifte van een lp gedaan bij de Chinese autoriteiten. In 2005 is in 121 gevallen afgifte van een lp toegezegd en in 452 gevallen is dit geweigerd. In 2006 zijn 1304 aanvragen om afgifte van lp ingediend. In dat jaar is, min of meer gelijkelijk verdeeld over de maanden van het jaar, in 37 gevallen afgifte van een lp toegezegd en in 113 gevallen is dit geweigerd. In de maanden januari en februari van 2007 zijn in totaal 140 lp-aanvragen ingediend. In diezelfde periode is één lp toegezegd en is in zeven gevallen afgifte van een lp geweigerd. In zijn reactie van 21 maart 2007 heeft verweerder bericht niet te kunnen aangeven waarin de aanvragen die in 2006 en 2007 tot afgifte van een lp hebben geleid, zich onderscheiden van de aanvragen waarin dit niet is gebeurd.

De rechtbank ziet in de verhouding tussen het aantal in 2006 ingediende lp-aanvragen en het aantal in dat jaar afgegeven lp’s onvoldoende grond voor de conclusie dat het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt. Zij acht daartoe met name van belang dat, ondanks de gesignaleerde daling, de afgifte van lp’s niet op enig moment is gestopt. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een aanscherping van de voorwaarden door de Chinese autoriteiten om in aanmerking te komen voor een lp. De stelling van de gemachtigde van eiser, dat door de Chinese autoriteiten geen lp zal worden afgegeven omdat eiser uit Tibet afkomstig is, is op geen enkele wijze onderbouwd en kan om die reden niet worden gevolgd.

Het aantal lp’s dat thans wordt afgegeven is wel dermate gering dat het zicht op uitzetting als beperkt moet worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu verweerder niet heeft kunnen verhelderen waarin de succesvolle lp-aanvragen zich hebben onderscheiden. Hieruit volgt immers dat op basis van deze informatie evenmin kan worden volgehouden dat de afgifte van lp’s significant wordt bespoedigd door het verstrekken van bepaalde gegevens door de vreemdeling. Voor zover verweerder zich ter zitting derhalve op het standpunt heeft gesteld dat eiser door meer het verstrekken van zijn id-nummer de afgifte van een lp zou kunnen bespoedigen, faalt dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank dient aan deze omstandigheden betekenis te worden toegekend in de belangenafweging die aan het besluit tot oplegging dan wel voortduring van de maatregel vooraf gaat. Alhoewel het onderzoek door de Chinese autoriteiten nog maar anderhalve maand gaande is, duurt de vrijheidsontnemende maatregel reeds drie en een halve maand voort. Daar komt bij dat verzoeker minderjarig is en hij, met uitzondering van het verstrekken van zijn id-nummer, zijn medewerking heeft verleend aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Nu voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere belangen aan de zijde van verweerder om de vrijheidsontnemende maatregel te laten voortduren, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging thans uitvalt in het voordeel van eiser.

Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel na heden bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 29 maart 2007.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van schadevergoeding. In onderhavige uitspraak is op grond van een belangenafweging geoordeeld dat de voortduring van de bewaring in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd is te achten. Dat oordeel geldt per heden, de datum van de uitspraak. Door de rechtbank is geen eerder moment van onrechtmatig worden van de bewaring vastgesteld.

Wel bestaat aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 29 maart 2007 wordt opgeheven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 29 maart 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: ST

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.