Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/1186 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geding tussen eiseres en de gemeente over het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet Werk en Bijstand. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres na heroverweging in bezwaar afgewezen, omdat het vermogen van eiseres boven de in aanmerking te nemen vermogensgrens ligt. De rechtbank stelt vast dat het in aanmerking te nemen vermogen ten tijde hier van belang lager was dan de vermogensgrens van € 5.065,00. Verweerder heeft derhalve de aanvraag van eiseres ten onrechte op de grond dat haar vermogen boven die grens lag afgewezen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet echter in het navolgende voldoende grond om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/1186 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [gemeente A], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 16 december 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Bij brief van 3 mei 2005 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 juni 2005 heeft verweerder het primaire besluit van 30 maart 2005 ingetrokken en de aanvraag, met wijziging van gronden, opnieuw afgewezen.

Verweerder heeft het bezwaar van 3 mei 2005 ingevolge artikel 6:18 en artikel 6:19, van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 20 juni 2005.

Bij besluit van 29 november 2005, verzonden op 9 december 2005, heeft verweerder het besluit van 20 juni 2005 ingetrokken en de aanvraag van eiseres afgewezen.

Bij brief van 19 januari 2006, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 11 april 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiseres ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Willemsen-de Vries, advocaat te Alphen aan de Rijn, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door A. Albers en P.A. Steenaart.

Motivering

Artikel 36 van de WWB luidt:

1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

2. Bij de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.

3. De langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bereikt.

4. In afwijking van het eerste lid verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder:

a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (...);

b. voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek, en;

c. die voldoet aan het eerste lid, onderdelen a, b, voorzover het inkomsten uit arbeid betreft, c, en d.

5. De langdurigheidstoeslag bedraagt voor gehuwden € 478,00, voor een alleenstaande ouder € 430,00 en voor een alleenstaande € 336,00 per jaar.

6. De artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, 13, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 18, tweede en derde lid, 40, 46, eerste, derde, vierde en vijfde, 54, paragraaf 6.4 en 6.5, alsmede artikel 63 zijn van overeenkomstige toepassing.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres na heroverweging in bezwaar afgewezen, omdat het vermogen van eiseres boven de in aanmerking te nemen vermogensgrens ligt.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar auto tot haar vermogen heeft gerekend. De vader van eiseres heeft deze auto gekocht en aan eiseres ter beschikking gesteld in ruil voor aan hem te verlenen mantelzorg. Daarnaast heeft verweerder een in 1995 ontstane schuld bij [naam advocatenkantoor] advocaten ten onrechte niet bij de vermogensvaststelling betrokken. Het hoge saldo op haar bankrekening is een gevolg van een nabetaling in 2001 van alimentatie. Met de daarover verschuldigde belasting heeft verweerder echter geen rekening gehouden.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, onder a en b, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande (...) beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden en de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van de WWB is de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens voor een alleenstaande: € 5.065,00 [per 1 januari 2004].

Verweerder heeft het vermogen van eiseres als volgt vastgesteld:

Waarde auto € 5.300,00

Saldo bankrekening [000000000] op 30 december 2003: € 213,11

Saldo postbankrekening [0000000] op 7 januari 2004: € 1.454,86

Totaal: € 6.967,93

Af: vrijlating lopende lasten: € 907,56

In aanmerking te nemen vermogen: € 6.060,41

Blijkens het dossier heeft eiseres vanaf 9 juli 2001 een [auto] met bouwjaar 2001 op haar naam geregistreerd staan. Ter zitting heeft eiseres het standpunt dat verweerder deze auto ten onrechte tot haar vermogen heeft gerekend, laten varen. Haar vader heeft deze auto voor haar aangeschaft en aanvankelijk stond daar weliswaar een schuld tegenover, maar van een daadwerkelijke terugbetaling is het nooit gekomen.

Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de waarde van de auto ten tijde hier van belang tot het vermogen van eiseres behoorde. In de uitspraak van deze rechtbank van 18 april 2005 (AWB 06/621 WWB) is uitgemaakt dat verweerder de waarde van de auto terecht op € 5.300,00 (waarde op 1 januari 2005) heeft vastgesteld. Verweerder is voor de langdurigheidstoeslag van dezelfde waarde op de peildatum van 1 januari 2004 uitgegaan. Dit acht de rechtbank niet onredelijk. Eiseres wordt, nu ervan uit gegaan kan worden dat de waarde op 1 januari 2005 lager zal zijn geweest dan op 1 januari 2004, door deze schatting in haar belangen niet geschaad.

Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank vloeit eveneens voort dat verweerder ook met betrekking tot de langdurigheidstoeslag ten onrechte de gestelde schuld aan [naam advocatenkantoor] advocaten buiten beschouwing heeft gelaten.

Gelet op het voorgaande had verweerder naar het oordeel van de rechtbank het vermogen van eiseres als volgt moeten berekenen:

Waarde auto: € 5.300,00

Saldo bankrekening [000000000] op 30 december 2003: € 213,11

Saldo postbankrekening [0000000] op 7 januari 2004: € 1.454,86

Totaal: € 6.967,93

Af: vrijlating lopende lasten: € 907,56

Af: in aanmerking te nemen schulden op 1 januari 2004: € 3.015,94

In aanmerking te nemen vermogen € 3.044,47

Vastgesteld moet worden dat het in aanmerking te nemen vermogen ten tijde hier van belang lager was dan de vermogensgrens van € 5.065,00. Verweerder heeft derhalve de aanvraag van eiseres ten onrechte op de grond dat haar vermogen boven die grens lag afgewezen.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet echter in het navolgende voldoende grond om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

De langdurigheidstoeslag is bedoeld voor belanghebbenden die geruime tijd (vijf jaar onafgebroken) zijn aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau. Voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres zijn daartoe van belang de jaren 1999 tot en met 2003. Uit het dossier komt naar voren dat eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit haar jaarinkomen van 1999 kan blijken. Verweerder heeft derhalve niet kunnen vaststellen of verifiëren of eiseres in dat jaar een inkomen op bijstandsniveau had. Daarmee is evenmin komen vast te staan dat eiseres ten tijde hier van belang gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar was aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau. Dat is naar het oordeel van de rechtbank gelet op artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB reeds voldoende grond om de aanvraag af te wijzen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag om een langdurigheidstoeslag terecht afgewezen.

Nu het bestreden besluit op formele gronden zal worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen ervan, kan niet worden geoordeeld dat eiseres deswege in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs kosten heeft moeten maken. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 29 november 2005;

laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer in het openbaar uitgesproken op 19 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.