Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3265

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/3863 ZW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB1057, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BH4910, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering ZW uitkering omdat er sprake zou zijn van loonbetalingsverplichting.

De rechtbank acht het in deze zaak van belang dat zowel de werkgever als eiser er veel aan hebben gedaan om eiser in het arbeidsproces te houden, maar dat de werkgever er uiteindelijk voor gekozen heeft een ontslagaanvraag in te dienen op de grond van langdurig ziekteverzuim. Eiser is vervolgens in een nieuw dienstverband bij zijn oude werkgever aangesteld.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat pas sprake is van een nieuw dienstverband als het ook een nieuwe werkgever betreft.

De bedoeling van de wet is weliswaar een nieuwe werkgever over de streep te trekken bij het aannemen van een arbeidsgehandicapte, maar de werkgever van eiser heeft in feite hetzelfde gedaan. De werkgever heeft zich namelijk ingespannen om voor eiser een nieuwe passende functie te vinden binnen zijn bedrijf. Het gegeven dat eiser niet aan de slag is gegaan bij een nieuwe werkgever mag zowel eiser als zijn werkgever niet worden tegengeworpen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuw dienstverband.

Verweerder heeft ten onrechte geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/3863 ZW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder geweigerd aan eiser een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toe te kennen, op de grond dat hij recht heeft op loondoorbetaling door zijn werkgever.

Bij besluit van 23 maart 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 mei 2006, ingekomen bij de rechtbank op 2 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 maart 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [...].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...].

Motivering

Eiser is sinds 1 september 1999 werkzaam als verkoper motoren, gedurende 38 uur per week, bij [werkgever]. In oktober 2002 is eiser uitgevallen wegens een motorongeval en de ziekte MS, per einde wachttijd is eiser volledig arbeidsongeschikt geacht. Eiser heeft gedeeltelijk hervat bij zijn eigen werkgever in aangepast werk, gedurende circa 9 uur per week. De werkgever heeft het CWI op 22 november 2004 toestemming gevraagd de arbeidsverhouding met eiser op te zeggen op grond van langdurig ziekteverzuim. Het CWI heeft de werkgever van eiser op 8 februari 2005 toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst uiterlijk 5 april 2005 te beëindigen.

Per 1 april 2005 is er een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand gekomen bij de eigen werkgever voor 20 uur per week als medewerker schadeafdeling motorfietsen. Op 15 november 2005 heeft eiser zich ziekgemeld.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat in het geval van eiser geen sprake is van een nieuwe datum aanvang dienstbetrekking, omdat de nieuwe arbeidsovereenkomst direct aansluitend op de vorige overeenkomst is ingegaan. Uitgegaan wordt van een aanvangsdatum dienstbetrekking van 1 september 1999. Eiser heeft vanaf oktober 2003 recht op een WAO-uitkering, hierdoor is hij niet onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking arbeidsgehandicapte en is er geen recht op ziekengeld. Op de werkgever van eiser rust een loondoorbetalingsverplichting.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake is van voortzetting van een dienstverband maar dat hij per 1 april 2005 een nieuw dienstverband is aangegaan met zijn werkgever. Het betreft hier een andere functie tegen een andere loonwaarde. Eiser voelt zich gesteund door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 december 2003, RSV 2004/95. Eiser is dan ook van mening wel recht te hebben op ziekengeld krachtens artikel 29b van de ZW.

In artikel 29b, eerste lid, van de ZW is bepaald dat de werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapt is vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken recht heeft op ziekengeld over de perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen zijn in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 29b ZW tot doel heeft de herintreding in het arbeidsproces te bevorderen van arbeidsgehandicapten, die door hun arbeidshandicap buiten het arbeidsproces zijn geraakt. Het artikel beoogt met de garantie van ziekengeld gedurende een aantal jaren na aanvang van de dienstbetrekking, werkgevers over de streep te trekken deze arbeidsgehandicapten in dienst te nemen.

Kern van het geschil is de vraag of op 1 april 2005 sprake is van voortzetting van het op 15 september 1999 aangevangen dienstverband of dat sprake is van een nieuw dienstverband.

Beide partijen beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 december 2003, RSV 2004/95. In deze uitspraak overweegt de CRvB onder meer dat sprake is van voortzetting van het dienstverband als de functie elementen van de tot dan toe verrichte functie bevatte en de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd zijn.

De rechtbank acht het in deze zaak van belang dat zowel de werkgever als eiser er veel aan hebben gedaan om eiser in het arbeidsproces te houden, maar dat de werkgever er uiteindelijk voor gekozen heeft bij het CWI een ontslagaanvraag in te dienen op de grond van langdurig ziekteverzuim. Eiser is vervolgens op 1 april 2005 in een nieuw dienstverband aangesteld.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat pas sprake is van een nieuw dienstverband als het ook een nieuwe werkgever betreft.

De bedoeling van de wet is weliswaar een nieuwe werkgever over de streep te trekken bij het aannemen van een arbeidsgehandicapte, maar de werkgever van eiser heeft in feite hetzelfde gedaan. De werkgever heeft zich namelijk ingespannen om voor eiser een nieuwe passende functie te vinden binnen zijn bedrijf. Het gegeven dat eiser niet aan de slag is gegaan bij een nieuwe werkgever, zoals in de wetsgeschiedenis wordt beschreven, mag zowel eiser als zijn werkgever niet worden tegengeworpen.

De rechtbank is van oordeel dat per 1 april 2005 sprake is van een nieuw dienstverband. In het geval van eiser betreft het een andere functie met andere arbeidsvoorwaarden (een lager loon, ander takenpakket en een lager aantal arbeidsuren). De situatie laat zich dan ook niet vergelijken met de situatie waarvan sprake was in bovengenoemde uitspraak.

Verweerder heeft ten onrechte geweigerd aan eiser een ZW-uitkering per 15 november 2005 toe te kennen.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 29 b van de ZW.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 38,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag het UWV aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. A.C.M. van Wesenbeeck en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.