Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3138

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
643270 \ EJ VERZ 07-80210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is als reclasseringsmedewerker in dienst bij Reclassering Nederland sinds 1990.

De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen op grond van de gewijzigde omstandigheden die een voortzetting van het dienstverband in de weg staan. Billijkheidshalve komt daarbij aan verweerder een vergoeding toe, nu de ontbindingsgrond weliswaar in de risicosfeer van verweerder ligt doch ook RN een verwijt treft.

De onderhavige zaak - waarbij een cliënt van verweerder wordt verdacht van de moord op een kind - heeft voor RN ernstige gevolgen gehad, daar de betrouwbaarheid van RN als toezichthouder op de uitvoering van bijzondere voorwaarden in het geding is geraakt. Dat geldt niet alleen voor de beeldvorming over RN bij het publiek maar raakt ook de betrouwbaarheid RN als ketenpartner in het justitiële proces. Deze gevolgen zijn vooral te herleiden op de niet, althans zeer gedeeltelijke uitvoering van de bijzondere voorwaarde, waarvoor primair verweerder zelf verantwoordelijk is, daaronder begrepen diens onvolledige rapportage daarover. De daardoor ontstane situatie dwingt tot krachtig ingrijpen door RN en staat aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Gouda

in/zaaknummer 643270 \ EJ VERZ 07-80210

Beschikking in de zaak van:

de stichting Stichting Reclassering Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verzoekende partij,

gemachtigde jhr. mr. A.G.J. Wesselman van Helmond,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde mr. M.A.T. Hillenaar-Cöp.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- een verzoekschrift tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen;

- een verweerschrift;

- aantekeningen aan de zijde van verzoekende partij;

- pleitaantekeningen aan de zijde van verwerende partij;

- aantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 22 maart 2007.

2. Overwegingen.

2.1 Tussen partijen - verder te noemen RN en [verweerder] - staat, mede gelet op de door partijen overgelegde producties, als niet of onvoldoende weersproken het volgende vast:

a. [verweerder] is op [datum] 1990 bij RN in dienst getreden en werkzaam in de functie van reclasseringsmedewerker. [verweerder] is geboren op [geboortedatum] 1959.

b. Het salaris van [verweerder] bedraagt laatstelijk € 2868,44 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van 3,6% over het jaarsalaris exclusief vakantiegeld.

c. De unit waarbij [verweerder] werkzaam is telt een werkbegeleider die verantwoordelijk is voor de inhoud van de rapportage en de toezichtuitvoering. De unit wordt geleid door een unitmanager. Deze laatste heeft de hierna te noemen rapportages van [verweerder] steeds voor akkoord getekend.

d. Bij vonnis van de rechtbank Breda (strafkamer) d.d. 27 april 2004 (verder: het vonnis) is de 19 jarige C. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder de volgende bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering en

- dat de veroordeelde zich ambulant laat behandelen in de Forensische therapeutische kliniek Groot Batelaar te Lunteren of een soortgelijke kliniek gedurende de proeftijd of zoveel korter als zijn behandelaar in overleg met de reclassering noodzakelijk oordeelt.

e. In het kader van het tijdens de detentie aangevangen Penitentiair Programma (PP) heeft de betreffende reclasseringmedewerker geadviseerd tot plaatsing van C. in het Exodusprogramma, dat voorziet in begeleid wonen. [verweerder], wiens taak voor een belangrijk deel bestaat uit het uitbrengen van plaatsingsadviezen voor het Exodusprogramma, heeft in het Plan van Aanpak op 22 september 2004 het volgende geadviseerd:

"- opname in het Exodusprogramma te Den Haag,

- in plaats van de niet bestaande ambulante behandeling van Groot Batelaar te Lunteren cliënt aanmelden voor een behandeling bij De Waag. Aangezien de Waag voor Exodus Den Haag een Terugvalpreventiecursus verzorgt, is dit in principe gegarandeerd,

- sociale vaardigheidstraining."

Ten aanzien van het recidiverisico vermeldt [verweerder] in zijn advies de kans op herhaling "zeer reëel"te achten.

f. Het reclasseringstoezicht (VRC) tijdens de proeftijd, die liep van 11 oktober 2004 tot 10 oktober 2006, is opgedragen aan [verweerder].

g. C. heeft zijn deelname aan het Exodus programma per 1 februari 2005 beëindigd. Bij de kliniek De Waag heeft C. na acht sessies (van een serie van tien) zijn deelname aan een groepstraining gericht op terugvalpreventie beëindigd. In het kader van de verdere begeleiding is voor C. werk en eigen woonruimte gevonden.

h. Bij brief d.d. 5 december 2006 heeft (de psycholoog van) De Waag aan [verweerder] met betrekking tot C. onder meer het volgende geschreven:

"Cliënt is op uw verzoek (...) in september 2004 voor een intakegesprek bij De Waag geweest. Geïndiceerd werd hem te laten starten in de Exodusgroep bij De Waag. Dit is een training bestaande uit tien bijeenkomsten waarin een start gemaakt wordt met terugvalpreventie. Daarnaast wordt de training gebruikt om tot een nadere diagnose van mogelijke persoonlijkheidsproblematiek te komen en om deelnemers te motiveren na afronding van de groep de behandeling individueel voort te zetten.

(...)

Hij liet zich kennen als een onthechte adolescent, die zich onverstoorbaar opstelde en met wie moeilijk contact te krijgen was. Hij imponeerde als berekenend en toonde geen spijt over zijn delictsgedrag. Inlevingsvermogen en geweten waren onvoldoende ontwikkeld.

(...)

Na overleg in januari 2005 met u (...) werd besloten de behandeling bij De Waag af te sluiten."

i. Tijdens de proeftijd heeft C. opnieuw een strafbaar feit gepleegd waarvoor hij op 13 december 2005 door de politierechter te Den Haag is veroordeeld. In zijn (spontaan gegeven) advies aan de rechtbank heeft [verweerder] geadviseerd het reclasseringstoezicht te laten voortduren dan wel te verlengen ook als dat inhoudt deelname aan het begeleidingsprogramma van Stichting Exodus te Den Haag.

j. Naar aanleiding van een gesprek met C. op 13 februari 2006 heeft [verweerder] voorgesteld het VRC te beëindigen. Op 19 juli 2006 heeft [verweerder] aan het OM een afloopbericht toegezonden waarin onder meer is vermeld:

"Einde toezicht

Betrokkene heeft zich gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. Voortzetting van het contact wordt niet langer nodig geacht.

(...)

Middel:

- deelname aan het Exodusprogramma, eerst in het kader van zijn Penitentiair Programma (PP) en aansluitend op vrijwillige basis,

- delictgerelateerde behandeling bij Forensische Polikliniek De Waag te Den Haag. In het vonnis is vermeld, conform het advies van de reclassering, deelname aan een ambulante behandeling van (...) Groot Batelaar.(...) Wij hebben ons inziens een reëel alternatief ontwikkeld, bestaande uit een ambulante behandeling van de Polikliniek De Waag in combinatie met zijn deelname aan het intramurale begeleidingsprogramma van Stichting Exodus Den Haag.

- betrokkene heeft deelgenomen aan reclasseringstrainingen: Goldstein- en budgetteringstraining,

(...)

Op 13 december 2005 is betrokkene ter zitting geweest bij de Politierechter te Den Haag. Volgens betrokkene is het vonnis nog niet onherroepelijk. Wij hebben op inhoudelijke redenen besloten het reclasseringstoezicht voort te zetten, gerelateerd aan de positieve ontwikkelingen van betrokkene.

Vervolg actie

Wij zien geen redenen tot verdere reclasseringsbemoeienis en wij sluiten dit reclasseringstoezicht als geslaagd af."

k. Op 1 december 2006 is te Hoogerheide de 8 jarige Jesse [D.] om het leven gebracht, van welk misdrijf C. wordt verdacht. Deze noodlottige gebeurtenis - die in de media zeer veel aandacht heeft gekregen - heeft geleid tot een onderzoek naar het verloop van het reclasseringstoezicht op C.

l. Op verzoek van RN heeft mr D.W. Steenhuis een onderzoek naar het reclasseringstoezicht gedaan en daarover een rapport d.d. december 2006 uitgebracht (verder: het rapport Steenhuis).

Naar aanleiding van het rapport Steenhuis heeft RN op 10 januari 2007 met [verweerder] een gesprek gehad en [verweerder] daarin onder meer meegedeeld op grond van de bevindingen van de rapporteur ontbinding van arbeidsovereenkomst na te streven, in afwachting waarvan [verweerder] werd geschorst. Bij brief d.d. 11 januari 2007 heeft RN dit gesprek bevestigd.

2.2 RN verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden primair op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW en subsidiair op grond van veranderingen in omstandigheden van dien aard dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.

Tegen de achtergrond van de onder 2.1 vastgestelde feiten onderbouwt RN haar verzoek als volgt.

RN maakt [verweerder] de volgende verwijten ten aanzien van het door hem over C. uitgeoefende reclasseringstoezicht.

- [verweerder] heeft geen kennis genomen van het "fysieke dossier" van C. dat zich bevond bij de reclasseringsunit te Tilburg, met name niet van het zich daarin bevindende psychologisch rapport over C., dat ook in het vonnis wordt genoemd. [verweerder] had dit rapport moeten opvragen.

- De inhoud van het vonnis heeft nauwelijks een rol gespeeld bij het vormgeven van de doelstellingen in het door [verweerder] opgestelde Plan van Aanpak.

- De bijzondere voorwaarde ter zake van de behandeling van C. is niet uitgevoerd. De groepstraining bij de Waag, gericht op terugvalpreventie, beoogde mede te komen tot een diagnose voor een individuele behandeling van C. Deze behandeling heeft niet plaatsgehad. [verweerder] is daarmee akkoord gegaan, zodat een ambulante behandeling bij De Waag niet heeft plaatsgevonden.

- [verweerder] heeft C. niet aangesproken op het afbreken van het Exodusprogramma en evenmin een aanwijzing gegeven aan C.

- [verweerder] heeft het OM niet geïnformeerd over de overtreding door C. van de opgelegde voorwaarden. [verweerder] is daartoe verplicht zoals volgt uit Handboek Reclassering en het methodiekboek "Delict als maatstaf".

- In het afloopbericht wordt niet vermeld dat C. niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ondanks het uitdrukkelijk verzoek van het OM daartoe. Ten onrechte wordt vermeld dat C. zich gehouden heeft aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. Hoewel aan het vonnis geen uitvoering is gegeven, wordt het reclasseringstoezicht voortijdig op 19 juli 2006 als "geslaagd" afgesloten. Bovendien heeft [verweerder] onvermeld gelaten dat door Exodus ten aanzien C. het "dringend advies" werd gegeven om professionele hulp te zoeken.

- Hoewel [verweerder] de politierechter op 12 december 2005 voortzetting van het begeleidingsprogramma (met geconcretiseerde beleidsdoelen) heeft geadviseerd, heeft [verweerder] zonder kennis te hebben van de uitspraken van de politierechter respectievelijk het gerechtshof in hoger beroep het toezicht op C. beëindigd.

- Hoewel dat in het Cliëntvolgsysteem (CVS) nog wel het geval was, heeft [verweerder] in het afloopbericht niets vermeld over het recidiverisico.

- Hoewel C. budgetteringstraining heeft geweigerd, vermeldt het afloopbericht dat [verweerder] deze training wel heeft gevolgd.

Door zijn handelwijze heeft [verweerder] ernstige schade toegebracht aan de integriteit en betrouwbaarheid van RN als ketenpartner in het strafrechtelijk proces. Het is niet aan de individuele reclasseringsmedewerker om bij een rechterlijk vonnis opgelegde voorwaarden te wijzigen. Er is aldus sprake van grove onzorgvuldigheid van [verweerder].

Voor zover [verweerder] aanvoert dat het Handboek Reclassering gedateerd zou zijn en in de praktijk niet zou worden gebruikt, bestrijdt RN dat. De daarin voorgeschreven handelwijze is gedetailleerd en helder. Het Handboek is voor zover hier van belang up to date. RN ziet zoveel als mogelijk toe op de naleving. In bovengenoemd methodiekboek en in een daarover gegeven werkcollege is de voorgeschreven handelwijze nog eens uitvoerig aan de orde gesteld.

Van RN kan niet worden gevergd dat zij de dienstbetrekking laat voortduren, daar het voorgaande een dringende reden oplevert ex art. 7:677 lid 1 BW. In elk geval is het vertouwen van RN in [verweerder] weggevallen dat voor een verdere samenwerking is vereist. Daar dit aan [verweerder] zelf te wijten is, ziet RN geen aanleiding voor het toekennen van enige vergoeding.

Ten slotte voert RN aan dat het verzoek geen verband houdt met enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

2.3 [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop wordt voor zover nodig teruggekomen bij de beoordeling van het verzoek.

2.4 De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.4.1 De kantonrechter stelt vast dat het verzoek van RN geen verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 BW.

2.4.2 De aan [verweerder] gemaakte verwijten vallen te onderscheiden in drie groepen:

a. het feit dat [verweerder] beschikbare informatie in de vorm van het vonnis van C. en het over hem opgemaakte psychologisch rapport niet heeft opgevraagd en derhalve niet heeft gebruikt;

b. de (niet) vervulling van de (tweede) bijzondere voorwaarde in het vonnis bestaande in de daarin genoemde ambulante behandeling bij de kliniek Groot Batelaar of een soortgelijke kliniek; de daarmee samenhangende vragen of [verweerder] gehouden was tussentijds het OM te informeren en of [verweerder] in het door hem opgestelde afloopbericht behoorlijk verslag van het reclasseringstoezicht heeft gedaan, waarbij tevens de andere punten van kritiek op de inhoud van het afloopbericht aan de orde komen;

c. het reclasseringsadvies dat [verweerder] op 12 december 2005 over C. in verband met diens recidive aan de politierechter heeft uitgebracht tot voortzetting van het begeleidingsprogramma, gevolgd door de vervroegde afsluiting van het reclasseringstoezicht als "geslaagd" op 19 juli 2006.

2.4.3 Ad a: het (niet) benutten van beschikbare informatie.

Bij de mondelinge behandeling is door RN niet, althans onvoldoende weersproken dat in de praktijk door het OM niet het vonnis wordt toegezonden maar wordt volstaan met de "kennisgeving bijzondere voorwaarde instantie", de zogeheten verkorte versie van het vonnis, waarin aan RN uitsluitend het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf wordt meegedeeld. Het (in het verzoekschrift niet geconcretiseerde) verwijt aan [verweerder] dat de inhoud van het vonnis bij het Plan van Aanpak nauwelijks een rol heeft gespeeld, is om die reden niet gegrond.

Om dezelfde reden kan aan [verweerder] evenmin worden verweten dat hij door kennis te nemen van het vonnis op de hoogte had kunnen zijn van het daarin genoemde psychologische rapport. RN heeft er op gewezen dat in het reclasseringsrapport d.d. 13 januari 2004, dat is opgenomen in het CVS, een psychologisch onderzoek wordt geadviseerd zodat [verweerder] op grond daarvan op het bestaan van een dergelijk rapport bedacht had kunnen zijn, hetgeen op zichzelf juist is.

Daarmee is echter nog niet gezegd dat [verweerder] valt te verwijten dat hij naar het bestaan van dit rapport geen navraag heeft gedaan. [verweerder] heeft bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat zijn bemoeienis pas is aangevangen in het kader van het VRC (in oktober 2004) en dat dit traject de voortzetting vormt van het Penitentiair Programma (verder: PP) dat in het Huis van Bewaring onder de verantwoordelijkheid van een ander is gestart, zodat in dit stadium - zo begrijpt de kantonrechter [verweerder] - het niet voor de hand lag dat hij alsnog naar het bestaan van een psychologisch rapport navraag zou doen. Wat er verder van dit verweer ook zij, in elk geval is juist dat de reclasseringsmedewerkers die verantwoordelijk waren voor het PP evenmin als [verweerder] het psychologisch rapport hebben opgevraagd (verwezen wordt naar de rapportage over het PP opgenomen in het CVS, prod. 9 bij het verzoekschrift).

In overeenstemming hiermee wordt in het rapport Steenhuis geconstateerd dat "niemand (...) het psychologisch rapport (heeft) gelezen waarop het vonnis in belangrijke mate was gestoeld" (p.8) en voorts "1. Er is geen vaste routine/instructie die de toezichthouder (en anderen) verplicht om informatie op te vragen die voor de invulling van het toezicht van groot belang is. 2. Zo heeft i.c. niemand kennis genomen van het psychologisch rapport waarop het vonnis en de bijzondere voorwaarde daarin in belangrijke mate zijn gebaseerd." (p.12). De rapporteur beveelt daarom aan de informatie die de toezichthouder moet raadplegen en gebruiken, te standaardiseren (p.12).

Op grond van het voorgaande is duidelijk dat [verweerder], door het psychologisch rapport van C. niet op te vragen, in elk geval niet in strijd heeft gehandeld met een voor hem bestaand voorschrift. Het heeft er daarentegen wel de schijn van dat de handelwijze van [verweerder] in overeenstemming is met een, althans op de unit van [verweerder] bestaande, praktijk die uiteraard aan RN niet onbekend kan zijn geweest. Onder deze omstandigheden is het dan ook niet aan RN om [verweerder] daarvan thans een verwijt te maken.

2.4.4 Ad b: de niet vervulling van de tweede bijzondere voorwaarde en de inhoud van het afloopbericht.

RN beschouwt de door [verweerder] in het kader van de bijzondere voorwaarde geadviseerde ambulante behandeling in De Waag - als alternatief voor de in het vonnis genoemde kliniek Groot Batelaar waar geen ambulante behandeling mogelijk was - op zichzelf als een juiste invulling van de bijzondere voorwaarde. Partijen verschillen echter over de vraag of van een behandeling in de zin van de voorwaarde kan worden gesproken, nu C. na acht groepssessies bij De Waag zijn deelname heeft beëindigd.

Met RN is de kantonrechter van oordeel dat aan genoemde voorwaarde niet is voldaan waartoe het volgende wordt overwogen.

Uit de onder 2.1 h genoemde brief van De Waag aan [verweerder] blijkt dat de groepssessies de inleiding vormden tot een op de persoonlijkheidsproblematiek van C. gerichte individuele behandeling. Afgezien van het feit dat de op terugvalpreventie en diagnose gerichte groepssessies ook niet zijn voltooid, heeft dus de eigenlijke op de persoon van C. gerichte behandeling niet plaatsgehad. Voor zover [verweerder] bij de mondelinge behandeling nog heeft betoogd dat met het bijwonen van een deel van de groepssessies bij De Waag aan de bijzondere voorwaarde is voldaan, volgt de kantonrechter [verweerder] daarin dan ook niet.

[verweerder] voert verder als verweer aan dat met C. het maximaal haalbare was bereikt. [verweerder] zag geen aanleiding om het afbreken van de behandeling te melden aan het OM nu C. op andere fronten vooruitgang boekte (het vinden van eigen woonruimte en werk) terwijl [verweerder] daarnaast van mening is dat een verplichting tot melding van een dergelijk feit niet bestaat.

Het standpunt van [verweerder] wekt verwondering in het licht van het eindverslag d.d. 1 april 2005 dat door de Stichting Exodus is opgemaakt in verband met het vertrek van C. uit Exodus. In de conclusie van dit verslag wordt vermeld dat vanuit Exodus C. dringend geadviseerd is om professionele hulp te zoeken in verband met zijn persoonlijkheidskenmerken, doch dat C. toen heeft besloten Exodus te verlaten. Het verslag lijkt aldus - in afwijking van de beoordeling door [verweerder] - het belang van de (voortzetting) van de behandeling van C. bij De Waag juist te onderstrepen. Het standpunt van [verweerder] inzake het afbreken van de behandeling is naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval onjuist. Zoals [verweerder] ook zelf erkent en bovendien in "Delict als maatstaf" nadrukkelijk wordt aangegeven, is de (bijzondere) voorwaarde het niet onderhandelbare kader waaraan derhalve reclassering en cliënt zijn gehouden. "Een reclasseringswerker die van het kader afwijkt, zet zijn betrouwbaarheid voor justitie op het spel" (p. 81). Als [verweerder] voortzetting van de behandeling niet in het belang van C. achtte, was de beslissing om van de (verdere) invulling van de bijzondere voorwaarde af te zien dus niet aan hem. [verweerder] had, als hij wijziging van de voorwaarde gewenst achtte, daartoe een advies kunnen doen zoals ook volgt uit het Handboek Reclassering (paragraaf 3.3.2 onder d en e alsmede het slot van deze paragraaf).

Blijkens het verslag van het gesprek van [verweerder] met mr. Steenhuis dat mede ten grondslag ligt aan het rapport Steenhuis (prod. 10 bij het verzoekschrift) heeft [verweerder] overigens zelf erkend dat er door hem op dat moment - na het stuklopen van Exodus en het vervroegd afbreken van De Waag - "een streep getrokken had moeten worden" (regel 187 van het verslag alsmede p. 10 van het rapport Steenhuis). "Betrokkene zegt zich te realiseren dat hij - achteraf beschouwd - verkeerd heeft gehandeld op een (groot) aantal momenten, maar hij kan niet uitleggen waarom hij er destijds anders over dacht (...)."

Hetgeen hiervoor is overwogen over de opstelling van [verweerder] bij de (niet) voortzetting van de behandeling bij De Waag geldt niet voor het afbreken door C. van het Exodusprogramma. Dit programma heeft immers geen betrekking op de uitvoering van de bijzondere voorwaarde (de kantonrechter gaat voorbij aan het feit dat in het afloopbericht de behandeling bij De Waag in combinatie met het Exodusprogramma wordt voorgesteld als invulling van de bijzondere voorwaarde, daar deze vermelding geheel op zichzelf staat en ook RN dit standpunt niet inneemt). [verweerder] heeft blijkens het gespreksverslag d.d. 17 januari 2005 (opgenomen in het CVS) met Exodus en C. over de beëindiging van het programma overleg gehad en geconcludeerd dat het "haalbare eruit was gehaald". Dat [verweerder] er van af heeft gezien om C. in het kader van VRC op te dragen om het programma te vervolgen en daardoor zijn bevoegdheden te buiten is gegaan, heeft RN niet duidelijk gemaakt, zodat dit verwijt geen stand houdt.

Het voorgaande brengt mee dat de kritiek van RN op het voor het OM bestemde afloopbericht voor een belangrijk deel terecht is. In het afloopbericht blijft namelijk onvermeld dat de behandeling bij De Waag door C. is afgebroken.

Onjuist zijn dan ook de mededelingen in het afloopbericht "Betrokkene heeft zich gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering" en "wij sluiten dit reclasseringstoezicht als geslaagd af"en "VRC positief afgesloten".

Onjuist, althans onvolledig is voorts de vermelding dat C. heeft deelgenomen aan het Exodusprogramma, nu C. deze deelname in een vroegtijdig stadium heeft afgebroken. Eveneens is niet juist de vermelding in het afloopbericht dat deze deelname op vrijwillige basis geschiedde. Het toezicht van [verweerder] vond immers plaats in het gedwongen kader van het VRC.

In het afloopbericht is verder ten onrechte de mededeling opgenomen dat C. heeft deelgenomen aan een budgetteringstraining. [verweerder] bestrijdt dit ook niet en wijt deze mededeling aan een vergissing. De kantonrechter stelt daarbij vast dat het (niet) volgen deze training geen verband houdt met het hoofdverwijt van RN, te weten de (niet-) vervulling van de bijzondere voorwaarde.

Voor het overige acht de kantonrechter de kritiek van RN op de inhoud van het afloopbericht - te weten dat het afloopbericht geen melding maakt van het eindverslag van de stichting Exodus noch van het recidiverisico - niet gegrond. In het rapport Ketenaansluiting reclassering en openbaar ministerie d.d. 21 november 2006 (prod. 3 bij het verweerschrift) wordt geconstateerd (paragraaf 2.3.3) dat er geen kwaliteitscriteria bestaan voor afloopberichten en dat deze dan ook landelijk gezien inhoudelijk sterk variëren. Inhoudelijke criteria waaraan een afloopbericht dient te beantwoorden, ontbreken blijkbaar.

Daar de werkzaamheden van [verweerder] vielen onder de supervisie van de werkbegeleider en de unitmanager, dient te worden ingegaan op de vraag in hoeverre RN medeverantwoordelijk moet worden geacht voor de hiervoor vastgestelde tekortkomingen in het toezicht en de rapportage van [verweerder]. Uit het rapport Steenhuis leidt de kantonrechter af dat deze tekortkomingen deels ook RN zelf aangerekend moeten worden. Volgens het rapport Steenhuis (p.11) - is sprake is van professionele eigenzinnigheid die "zijn kans (krijgt) in een organisatiecultuur, waar (...) terughoudendheid bij de begeleiding van en het toezicht op de professional en non-interventiegedrag eerder regel dan uitzondering is." In dit verband is ook van belang een brief van RN d.d. 10 januari 2007 aan de minister van justitie waarmee het rapport Steenhuis wordt aangeboden (prod. 5 bij het verweerschrift). Daarin schrijft RN dat de controlerende medewerkers - de unitmanager en de werkbegeleider - die beiden een belangrijk inhoudelijk controlemoment vertegenwoordigen niet hebben geconstateerd dat de taakuitoefening door [verweerder] inhoudelijk en procedureel niet juist was. De controlerende medewerkers zijn, zo valt daaruit uit af te leiden, in hun taak tekort geschoten hetgeen verband houdt met de bij RN bestaande organisatiecultuur, waarvoor RN uiteraard de verantwoordelijkheid draagt.

Het voorgaande leidt tot een verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder]. Dat geldt evenwel niet voor de niet-uitvoering van de bijzondere voorwaarde. In de rapportage van [verweerder] in het CVS wordt immers nergens duidelijk gemaakt dat de behandeling bij De Waag door C. is afgebroken en dat [verweerder] daarna heeft besloten van verdere uitvoering van de bijzondere voorwaarde af te zien. Dat dit aan RN niettemin duidelijk was of had moeten zijn, is niet gesteld of gebleken. Het aan [verweerder] gemaakte verwijt blijft op dit punt dan ook van kracht.

Wel past daarbij de aantekening dat de wijze waarop [verweerder] met de uitvoering van de bijzondere voorwaarde is omgegaan, niet op zichzelf staat. Het rapport Steenhuis benadrukt - naast de reeds genoemde organisatiecultuur - dat de bijzondere voorwaarde uitgangspunt dient te zijn voor de activiteiten van de toezichthouder, maar "Gebleken is, in casu, dat zulks niet of nauwelijks het geval is. De vrees is reëel dat dit niet alleen voor deze casus geldt." (p. 12). Het rapport Steenhuis beveelt daarom verdere maatregelen aan om te realiseren dat het vonnis met de achterliggende stukken de basis gaat vormen voor de activiteiten van de toezichthouder.

2.4.5 Ad c: het reclasseringsadvies d.d. 12 december 2005 en de vervroegde afsluiting van het VRC op 19 juli 2006.

Met RN is de kantonrechter van oordeel dat het reclasseringsadvies aan de politierechter d.d. 12 december 2005 tot - kort gezegd - voortzetting van het reclasseringstoezicht niet te verenigen is met de vervroegde afsluiting van het VRC op 19 juli 2006. Dit temeer nu blijkens het VCS [verweerder] reeds in een gesprek met C. op 13 februari 2006 heeft voorgesteld het VRC af te sluiten zonder dat sprake is van nieuwe omstandigheden die tot deze gewijzigde visie aanleiding geven.

[verweerder] heeft ter verklaring van zijn advies aan de politierechter aangevoerd dat afbreking van het toezicht voor C. het risico van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zou impliceren, waardoor baan en huisvesting van C. op het spel zouden komen te staan.

Zoals ook bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, heeft [verweerder] voortzetting van het reclasseringstoezicht geadviseerd zonder dat bij hem de bedoeling aanwezig was om daaraan werkelijk inhoud te geven. Weliswaar heeft [verweerder] op deze wijze alleen het belang van C. op het oog gehad, doch het spreekt voor zich dat deze bedoeling niet ten koste mag gaan van de deugdelijkheid van de rapportage. De integriteit en de betrouwbaarheid van RN worden op deze wijze immers in gevaar gebracht.

Wat betreft de mate van verwijtbaarheid geldt ook hier wat hiervoor onder 2.4.3 (voorlaatste alinea) is overwogen met betrekking tot de medeverantwoordelijkheid van RN. De gang van zaken rond het reclasseringsadvies d.d. 12 december 2005 en de vervroegde afsluiting van het toezicht zijn in de rapportage in het CVS duidelijk weergegeven: de controlerende medewerkers zagen daarin blijkbaar geen probleem. Van belang in dit verband is verder nog dat ook het afloopbericht d.d. 19 juli 2006 dat aan het OM is verzonden, de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 12 december 2006 in alle duidelijkheid vermeldt, maar blijkbaar ook bij het OM geen vragen heeft opgeroepen. Dat de werkwijze van [verweerder] in het geheel geen vragen opriep, doet vermoeden dat de benadering van [verweerder] niet op zichzelf staat en impliceert dat ook RN een verwijt valt te maken.

2.4.6 De onderhavige zaak heeft voor RN ernstige gevolgen gehad, daar de betrouwbaarheid van RN als toezichthouder op de uitvoering van bijzondere voorwaarden in het geding is geraakt. Dat geldt niet alleen voor de beeldvorming over RN bij het publiek maar raakt ook de betrouwbaarheid RN als ketenpartner in het justitiële proces. Deze gevolgen zijn vooral te herleiden op de niet, althans zeer gedeeltelijke uitvoering van de bijzondere voorwaarde, waarvoor primair [verweerder] zelf verantwoordelijk is, daaronder begrepen diens onvolledige rapportage daarover. De daardoor ontstane situatie dwingt tot krachtig ingrijpen door RN en staat aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg. De kantonrechter ziet dan ook geen ruimte voor het door [verweerder] bepleite verbetertraject. De kantonrechter neemt in aanmerking dat RN niet alleen voor [verweerder] doch ook voor de controlerende medewerkers arbeidsrechtelijke consequenties aan deze zaak verbindt.

Gelet op de overige omstandigheden van het geval acht de kantonrechter een dringende reden evenwel niet aanwezig. Op die wijze zou geen recht gedaan worden aan het hiervoor uiteengezette verband tussen de aan [verweerder] verweten handelwijze enerzijds en het gebrekkige toezicht op [verweerder] en de bij RN bestaande organisatiecultuur anderzijds. Bovendien mag niet voorbijgegaan worden aan het feit dat [verweerder] gedurende 17 jaar steeds tot tevredenheid van RN heeft gefunctioneerd, zoals blijkt uit de door [verweerder] overgelegde functioneringsverslagen. Ook de waarderende brief van de Stichting Exodus d.d. 6 maart 2007 (prod. 6 bij het verweerschrift) - waar [verweerder] zijn werk voor een belangrijk deel verrichtte - spreekt in dat opzicht duidelijke taal. [verweerder] heeft benadrukt dat hij in de uitoefening van de zaak C. niet op andere wijze te werk is gegaan dan hij gewoon was. Gelet op het continu als positief beoordeelde functioneren van [verweerder] is dat ook niet aannemelijk. Ook hieruit valt af te leiden dat RN heeft nagelaten eerder corrigerend op te treden met name door een adequater toezicht van de werkbegeleider en de unitcoördinator.

De verzochte ontbinding wordt daarom toegewezen op grond van de gewijzigde omstandigheden die een voortzetting van het dienstverband in de weg staan. Billijkheidshalve komt daarbij aan [verweerder] een vergoeding toe, nu de ontbindingsgrond weliswaar in de risicosfeer van [verweerder] ligt doch ook RN een verwijt treft. Bij afweging van de hiervoor vermelde omstandigheden acht de kantonrechter daarom een vergoeding volgens de kantonrechtersformule met toepassing van de correctiefactor C = 0,4 op zijn plaats.

2.5 De proceskosten zullen worden gecompenseerd zo, dat iedere partij haar eigen kosten draagt, tenzij RN haar verzoek intrekt. In dat geval wordt RN veroordeeld in de kosten van het salaris de gemachtigde van [verweerder].

3. De beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2007 te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden, onder toekenning van na te melden vergoeding ten laste van RN;

stelt RN in de gelegenheid vóór 1 mei 2007 gebruik te maken van haar bevoegdheid het verzoek in trekken, waarbij de datum van ontvangst van de betreffende brief ter griffie van dit gerecht bepalend zal zijn;

veroordeelt RN in geval van intrekking van het ontbindingsverzoek tot betaling van de proceskosten, tot op deze beslissing aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,-- wegens gemachtigdensalaris.

Voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 mei 2007;

kent aan [verweerder] ten laste van RN een vergoeding toe van (afgerond) € 26.250,-- (zegge zesentwintigduizend tweehonderd vijftig euro) bruto en veroordeelt RN tot betaling van dit bedrag;

compenseert de kosten van deze procedure zo, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H.I.J. Hage, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting van 5 april 2007.