Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
FA RK 06-3820 267917
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot nihilstelling van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer: FA RK 06-3820

zaaknummer: 267917

datum beschikking: 20 maart 2007

BESCHIKKING op het op 23 juni 2006 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [gemeente A],

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. E.P. Niemeijer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [gemeente A],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. M. Jonkman.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief met bijlagen d.d. 17 januari 2007 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 18 januari 2007 van de zijde van de vrouw.

Op 30 januari 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en zijn procureur, alsmede de vrouw en haar procureur. Van de zijde van de man en van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

FEITEN

Partijen zijn gehuwd op [datum] 1972 te [gemeente A].

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 april 1995 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald op f 600,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De echtscheidingsbeschikking is op 16 juni 1995 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw per 2007 € 362,35 per maand.

VERZOEK, GRONDSLAG EN VERWEER

Het verzoek van de man luidt - met wijziging van voornoemde beschikking - met ingang van 1 februari 2006, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op nihil te stellen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe aan dat met ingang van 1 februari 2006 de loongerelateerde werkloosheidsuitkering van de man is geëindigd en hij thans een vervolguitkering ontvangt, tengevolge waarvan hij een terugval in zijn inkomsten heeft van ca € 730,-- netto per maand. De man stelt dat hij derhalve sindsdien onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde alimentatie te kunnen voldoen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek van de man af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat de termijn gedurende welke de man verplicht is een uitkering tot haar levensonderhoud te verstrekken, wordt verlengd tot de datum waarop de man de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken, althans de uitkering tot haar levensonderhoud op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang te bepalen als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Aan dit verzoek legt de vrouw ten grondslag dat de alimentatieverplichting van de man van rechtswege op 16 juni 2007 zal eindigen en dat de gevolgen van die beëindiging van zo ingrijpende aard zijn dat ongewijzigde handhaving van de twaalf jaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Zij voert daartoe aan dat zij vanwege gezondheidsproblemen belast wordt met hogere uitgaven dan een gezond persoon en derhalve niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

BEOORDELING

Met betrekking tot het wijzigingsverzoek.

De man heeft gewijzigde omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag gelegd, zodat hij in zijn verzoek ontvankelijk is.

De man heeft als gewijzigde omstandigheid gesteld dat met ingang van 1 februari 2006 zijn loongerelateerde werkloosheidsuitkering is beëindigd en hij vanaf die datum een lagere vervolguitkering ontvangt.

Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat de man ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoekschrift alweer werkzaam was, zodat de stelling van de man dat hij de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw niet kan voldoen geen stand kan houden.

De man heeft ter terechtzitting erkend dat hij vanaf 1 mei 2006 een nieuwe dienstbetrekking heeft, doch dat dit slechts tijdelijk is en deze inkomsten onvoldoende zijn om de geldende bijdrage te kunnen voldoen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingangsdatum

Nu de vrouw zich heeft verweerd tegen een eerdere ingang van een eventuele wijziging van de bijdrage en de rechtbank met de vrouw van oordeel is dat zij eerst met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud, zal de rechtbank het verzoek van de man eerst met ingang van 1 juli 2006 toetsen en derhalve zijn verzoek voor de periode vóór 1 juli 2006 afwijzen.

Behoefte van de vrouw

De behoefte van de vrouw aan de geldende uitkering tot haar levensonderhoud staat als niet weersproken vast.

Draagkracht

De rechtbank overweegt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans werkzaam is op tijdelijke basis, terwijl het op zijn weg had gelegen dit met bewijs te onderbouwen. De rechtbank gaat derhalve bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een onbetwist inkomen van de man van € 2.357,85 bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de man overgelegde salarisspecificaties van de maanden augustus, september en oktober 2006. De rechtbank zal derhalve rekening houden met een totaal bedrag van € 151,11 als ingehouden pensioenpremie, met een bedrag van € 2,61 als aanvullende pensioen premie reparatie WAO-gat, met een bedrag van € 49,02 als premie WW en met een bedrag van € 140,08 per maand als inkomenafhankelijke werkgeversbijdrage.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

a. € 355,-- kale huur;

b. € 88,53 premie ziektekostenverzekering;

c. € 155,52 inkomens afhankelijke bijdrage ZVW;

d. € 15,60 premie begrafenisverzekering;

e. € 249,-- werkelijke verwervingskosten;

f. € 262,50 aflossing schulden;

g. € 69,43 overige kosten, zijnde alimentatie ten behoeve van zijn zoon.

De vrouw heeft de onder a, c, d, e, f en g vermelde lasten gemotiveerd betwist. De rechtbank houdt derhalve als onweersproken rekening met de onder b genoemde last en overweegt verder als volgt.

Ad a. Kale huur.

De vrouw heeft aangevoerd dat het door de man opgevoerde bedrag aan huurlasten inclusief gas, water en licht is. De vrouw stelt dat voornoemde kosten in totaal ongeveer € 100,-- bedragen, zodat slechts rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 255,-- per maand aan kale huur. Voorts stelt de vrouw dat slechts met de helft van voornoemd bedrag rekening dient te worden gehouden, nu de man thans samenwoont met zijn huidige partner.

Nu de man het door de vrouw gestelde ten aanzien van de huur niet - althans onvoldoende - heeft bestreden, zal de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de man rekening houden met een kale huur ad € 255,-- per maand. De stelling van de vrouw dat slechts met de helft van dit bedrag rekening dient te worden gehouden treft geen doel, nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet - althans onvoldoende- aannemelijk heeft gemaakt dat de man thans samenwoont met zijn huidige partner. De overgelegde brief van de Dienst Burgerzaken van de gemeente 's-Gravenhage is daartoe onvoldoende, nu deze brief geen stellig meegedeelde informatie bevat, maar slechts strekt tot het verschaffen van informatie.

Ad c. Inkomens afhankelijke bijdrage ZVW.

De rechtbak zal rekening houden met een bedrag ad € 140,07 per maand aan inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, zoals vermeld op de door de man overgelegde salarisspecificaties van de maanden augustus, september en oktober 2006.

Ad d. Premie begrafenisverzekering.

De rechtbak houdt geen rekening met de door de man als maandelijkse last ad € 15,60 aan premie begrafenisverzekering, nu de vrouw voornoemde last heeft betwist en de man daarvan geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd.

Ad e. Werkelijke verwervingskosten.

De man heeft ter terechtzitting gesteld dat hij voor woon-werkverkeer forse maandelijkse reiskosten maakt, bestaande uit een bedrag van € 249,-- per maand aan benzinekosten en een bedrag van € 33,-- per maand aan wegenbelasting, waarvan € 100,-- door zijn werkgever wordt vergoed.

De rechtbank zal bij de berekening van de financiële draagkracht van de man de gehele benzinekosten ad € 249,-- per maand in aanmerking nemen, nu de vrouw de door de man opgevoerde reiskosten ter zake van woon- werkverkeer tussen [gemeente B] en [gemeente A] niet - althans onvoldoende -k heeft weersproken en bij een volledige werkweek de door de man opgevoerde benzinekosten, gelet op het traject, de rechtbank niet onredelijk voorkomen. Voorts neemt de rechtbak de helft van het opgevoerde bedrag aan wegenbelasting in aanmerking, te weten € 16,50, omdat de man wordt geacht de auto ook voor andere doeleinden dan het woon-werkverkeer te gebruiken. Nu € 100,-- door de werkgever van de man wordt vergoed, zal de rechtbank rekening houden met een totaal bedrag van € 165,50 per maand aan werkelijke verwervingskosten.

Ad f. Aflossing schulden.

Het door de man als maandelijkse last opgevoerde bedrag ad € 262,59 aan aflossing schulden, bestaat deels uit een aflossing van € 75,-- per maand op een credit-card schuld, en deels uit een aflossing van € 187,50 per maand op een krediet die de man is aangegaan bij de postbank voor de aanschaf van een auto.

De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man als maandelijkse last opgevoerde aflossing ad € 75,-- op een credit-card schuld, nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld reeds bestond ten tijde van het uiteengaan van partijen en bovendien de noodzaak van het aangaan van die lening niet duidelijk geworden is. Het door de man als maandelijkse last opgevoerde bedrag van € 187,50 aan aflossing op een krediet bij de postbank, die de man is aangegaan voor de aanschaf van zijn auto, neemt de rechtbank voor de helft in aanmerking, nu de man geacht wordt de auto ook voor andere doeleinden dan het woon-werkverkeer te gebruiken. Derhalve zal de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de man rekening houden met een bedrag van € 93,75 per maand aan aflossing schulden.

Ad g. Overige kosten, zijnde alimentatie ten behoeve van zoon.

De vrouw heeft gesteld dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de verklaring d.d. 3 november 2006, waarin staat vermeld dat de man met ingang van 11 september 1995 een bijdrage van f 150,-- levert in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarig kind 1], is opgesteld ten behoeve van deze procedure. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat in de verklaring wordt gesteld dat er een bedrag wordt gestort ten behoeve van een ABC studiespaarplan, waarover de rechtbank 's-Gravenhage bij beschikking van 21 januari 2003 reeds heeft overwogen dat dit uit de vrije ruimte besteed dient te worden.

Daargelaten dat de vrouw niet heeft bestreden dat de man een zoon heeft, zodat hij reeds uit dien hoofde moet worden geacht onderhoudsplichtig te zijn, en eveneens daargelaten dat de door de man opgevoerde onderhoudsbijdrage geenszins bovenmatig voorkomt, is de rechtbank van oordeel dat aan het geschil tussen partijen over de vraag of de man de opgevoerde bijdrage daadwerkelijk betaalt voorbij dient te worden gegaan, nu de draagkracht van de man, ook indien ten volle met de opgevoerde bijdrage rekening wordt gehouden, toereikend is voor de betaling van de geldende uitkering tot levensonderhoud van de vrouw.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank na te melden beslissing redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Met betrekking tot het zelfstandig verzoek.

De vrouw heeft zelfstandig verzocht om verlenging van de alimentatieduur tot de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De vrouw stelt dat zij zich genoodzaakt heeft gezien reeds nu voor alsdan haar verzoek in te dienen. Indien zij de termijn zou afwachten, zou zij gedurende de procedure geen alimentatie meet ontvangen waardoor ze in financiële nood zou komen te verkeren.

Aan haar verzoek legt de vrouw ten grondslag dat de gevolgen van de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man van zo ingrijpende aard zijn dat ongewijzigde handhaving van de twaalf jaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Zij voert daartoe aan dat zij arbeidsongeschikt is en het onwaarschijnlijk is dat zij ooit goedgekeurd zal worden voor het verrichten van arbeid. De vrouw stelt dat zij vanwege gezondheidsproblemen belast wordt met hogere uitgaven dan een gezond persoon en derhalve niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw prematuur is en op grond daarvan dient te worden afgewezen. Voorts betwist de man dat de beëindiging van de alimentatiebetalingen van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de twaalf jaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kunnen worden gevergd. De man stelt verder dat de door de vrouw gestelde behoeftigheid niet voortvloeit uit het huwelijk van partijen en voert daartoe aan dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de vrouw pas jaren na de echtscheiding van partijen is ontstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De echtscheidingsbeschikking is op 16 juni 1995 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. De verplichting tot levensonderhoud eindigt derhalve van rechtswege, gelet op het bepaalde in artikel 1:157 vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), op 16 juni 2007.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw niet prematuur is, nu niet onoverzienbaar is hoe partijen er over enige maanden voor zullen staan. Zij zal derhalve overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het zelfstandig verzoek van de vrouw.

Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 1:157 vierde lid van het BW van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter ingevolge artikel 1:157 vijfde lid van het BW op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. De rechtbank vat het verzoek van de vrouw op als een beroep op artikel 1:157 vijfde lid van het BW.

De vrouw stelt dat de gevolgen van beëindiging per 16 juni 2007 van zo ingrijpende aard zijn dat ongewijzigde handhaving van de twaalfjaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Zij legt aan dit standpunt zakelijk weergegeven ten grondslag dat de vrouw voor de toepassing van de WAO 80-100% arbeidsongeschikt is geacht en als gevolg van haar medische toestand nimmer meer aan het arbeidsproces zal kunnen deelnemen, zodat haar inkomen bij het wegvallen van de alimentatie bij een WAO-uitkering van € 765,23 netto per maand neer zal komen op bijstandsniveau.

De rechtbank overweegt dat in de wettelijke regeling betreffende limitering van de alimentatieduur besloten ligt dat ex-echtgenoten na verloop van twaalf jaren sedert de ontbinding van het huwelijk zelf verantwoordelijk zijn voor de voorziening in de kosten van levensonderhoud. Slechts indien dit aangewezen zijn op de eigen verantwoordelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de onderhoudsgerechtigde kan worden gevergd, bestaat er aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank stelt voorop dat de man in 1950 is geboren en de vrouw in 1952, dat zij 23 jaar gehuwd zijn geweest, dat zij twee kinderen hebben groot gebracht en dat de vrouw al tientallen jaren met in ernst toenemende gezondheidproblemen kampt.

Ofschoon de man zijn tegenspraak van de gestelde onwaarschijnlijkheid dat de vrouw in de toekomst nog met arbeid inkomen zal kunnen verwerven, na overlegging van bewijs dat de vrouw volledig arbeidsongeschikt wordt geacht niet nader heeft onderbouwd en in het licht waarvan aannemelijk is dat de vrouw haar inkomen uit arbeid niet zal kunnen uitbreiden, heeft de vrouw niet onderbouwd weersproken dat zij een woning in eigendom heeft met een overwaarde van € 100.000,--. De rechtbank leidt daaruit af dat de vrouw, ofschoon niet in staat om een inkomen uit arbeid te verwerven dat de bijstandnorm van een alleenstaande overtreft, niet noodzakelijkerwijze hoeft terug te vallen op het met zodanige bijstanduitkering overeenkomende bestedingsniveau. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de vrouw te bevrijden van de verantwoordelijkheid voor de consequenties van haar keuze om dit vermogen geheel in stand te laten ten koste van de gelegenheid die dit vermogen biedt om door daarop met zo'n € 200,-- tot € 300,-- per maand in te teren de periode tot aan de ingang van het betrokken tussen partijen verevende pensioen van de man te overbruggen.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man tot nihilstelling van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw af;

wijst het zelfstandig verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Bouritius, bijgestaan door mr. J. van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2007.