Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2568

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
AWB 07/2195 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening: schorsing marktvergunning i.v.m. vermeende bedreiging van medewerker Dienst Stadsbeheer.

Er is geen sprake van wangedrag of bedrog als bedoeld in art. 11 van de Marktverordening. Van een in een telefoongesprek geuite bedreiging kan niet worden gezegd dat daarbij het belang van de rust en orde op de markt in het geding was. Het bestreden besluit wordt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 07/2195 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

I. Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 13 maart 2007 van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder, waarbij de marktvergunning van verzoeker is geschorst voor de duur van vier marktdagen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 maart 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van gelijke datum heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op

27 maart 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...].

II. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1.Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.Verweerder heeft verzoeker op 22 februari 2007 in kennis gesteld van het voornemen tot het opleggen van een schorsing voor de duur van vier marktdagen in verband met bedreiging van mevrouw [A.], medewerkster van de Dienst Stadsbeheer, afdeling Markten. Volgens verweerder heeft verzoeker mevrouw [A.] op 22 februari 2007 telefonisch bedreigd met de woorden: "Ik kom naar kantoor en ik zal je aan je haren meesleuren om naar het Belastingkantoor te gaan. Binnen 10 minuten ben ik er en het maakt me niet uit of de politie moet komen". Verweerder heeft de telefonische uitlatingen van verzoeker aangemerkt als wangedrag. Volgens het sanctiebeleid is een schorsing voor de duur van vier marktdagen daarmee in overeenstemming.

4.De stelling van verzoeker dat hij het voornemen niet heeft ontvangen zodat hij daarop niet op passende wijze heeft kunnen reageren, kan niet worden gevolgd nu verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter een bewijs heeft overgelegd van aangetekende verzending. Het niet ophalen van een aangetekend stuk komt voor rekening en risico van verzoeker.

5.Verweerder heeft verzoeker vervolgens bij besluit van 13 maart 2007 de toegang tot de markt ontzegd voor de volgende marktdagen: vrijdag 30 maart, zaterdag 31 maart, maandag 2 april en woensdag 4 april 2007.

Verweerder heeft vastgesteld dat het in toenemende mate voorkomt dat de vergunninghouder van een marktstandplaats verbaal agressief is tegenover ambtenaren van het secretariaat Markten en van het uitvoerende onderdeel van de afdeling Markten. Verweerder heeft in juli 2006 aangekondigd dat hiervan in voorkomende gevallen aangifte zal worden gedaan bij de politie en sanctionerende maatregelen te nemen, zoals het schorsen dan wel het - in uiterste gevallen - intrekken van de vergunning.

In het kader van deze beleidsaanscherping is verzoeker de eerste aan wie een dergelijke maatregel wordt opgelegd.

6.De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verweerder dat ook in het verkeer tussen burger en (de vertegenwoordigers van) bestuursorganen, bijvoorbeeld bij informatie-uitwisseling tussen ambtenaar en burger, het gebruik van beledigend en/of bedreigend taalgebruik tegengegaan moet worden. Indien onderwijs en voorlichting dit niet meer in voldoende mate bewerkstelligen, zal de inzet in beeld komen van andere handhavingsmechanismen zoals die van het strafrecht.

7.Verzoeker heeft niet betwist dat zijn telefonisch taalgebruik op 22 februari 2007 tegenover een ambtenaar van de Dienst Stadsbeheer de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Ook heeft hij laten blijken dat een lichtere maatregel dan de door verweerder opgelegde disciplinaire maatregel op zijn plaats zou kunnen zijn. Verzoeker heeft aangevoerd dat de door hem gebezigde bewoordingen niet een zo'n zware sanctie als is opgelegd, rechtvaardigen. In het bewuste telefoongesprek heeft hij gezegd: "Moet ik u dan bij de haren pakken en in mijn auto sleuren en naar de Belastingdienst brengen zodat u met eigen ogen en oren kunt aanschouwen dat de Belastingdienst het stempel niet afgeeft?" Deze woorden, die niet letterlijk waren bedoeld, waren ingegeven door frustratie omdat hij reeds geruime tijd zonder succes doende was een verklaring van de Belastingdienst te verkrijgen al dan niet door tussenkomst van de afdeling Markten. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij aan mevrouw [A.] zijn excuses wil aanbieden, maar dit nog niet heeft gedaan.

8.De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het besluit naar verwachting in de bezwarenprocedure in stand zal kunnen blijven.

9.De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

10.Ingevolge het bepaalde in artikel 11, aanhef en onder b, van de Marktverordening gemeente Den Haag 2004 (hierna: de Marktverordening) kan het college een marktvergunning, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog.

11.Ter uitvoering van het bepaalde in de Marktverordening en het Marktreglement gemeente Den Haag 2004 heeft verweerder bij besluit van 4 juli 2006, beleidsregels vastgesteld. Deze beleidsregels -het Sanctiebeleid- zijn in werking getreden op 1 september 2006. Het Sanctiebeleid is gepubliceerd in het Marktbulletin van augustus 2006.

Hoofdregel van het Sanctiebeleid is dat, anders dan voorheen, het opleggen van een voorwaardelijke schorsing geen regel maar uitzondering is.

In het Sanctiebeleid is opgenomen dat ingeval van wangedrag, dat als een ernstige overtreding wordt beschouwd, zonder voorafgaande waarschuwing een onvoorwaardelijke schorsing volgt van vier marktdagen.

12.De voorzieningenrechter is, anders dan verweerder, van oordeel dat van wangedrag als bedoeld in artikel 11 van de Marktverordening niet kan worden gesproken. Uit de in artikel 11 van de Marktverordening omschreven gevallen alsmede de wijze waarop dit nader uitgewerkt is in het Sanctiebeleid, leidt de voorzieningenrechter af dat het aan verweerder ter beschikking staande instrumentarium om de (spel)regels te handhaven betrekking heeft op en bedoeld is voor het behoud van de orde op de markt en niet is bedoeld voor het bestraffen van gedragingen zoals waarvan hier sprake is. Een uitzondering op bovengenoemd uitgangspunt is specifiek in de Marktverordening omschreven (het niet of niet tijdig voldoen van marktgelden). Van de onderhavige situatie -een in een telefoongesprek geuite bedreiging- die zich niet in de openbaarheid heeft afgespeeld kan niet worden gezegd dat daarbij het belang van handhaving van de rust en orde op de markt in het geding was. Verweerder was in het onderhavige geval dan ook niet bevoegd tot het opleggen van een sanctie.

13.Voor zover er van zou moeten worden uitgegaan dat de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie wel zou bestaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in diens opvatting dat het besluit geen punitieve sanctie betreft. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat leedtoevoeging bij het opleggen van de sanctie voorop heeft gestaan. Volgens vaste jurisprudentie (AB 2001, 189) dient ingeval van een punitieve sanctie de evenredigheid door de rechter te worden getoetst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opgelegde sanctie niet in redelijke verhouding staat tot de uitlatingen van verzoeker.

14.Gezien het vorenstaande komt het verzoek voor toewijzing in aanmerking en dient het bestreden besluit te worden geschorst tot en met zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar.

15. Ten overvloede en buiten de grenzen van het geschil tredend acht de voorzieningenrechter het gepast dat verzoeker binnen vijf dagen na bekendmaking van deze uitspraak uitvoering geeft aan zijn voornemen om mevrouw [A.] direct of via het Hoofd van de Markten zijn excuses aan te bieden.

16.Er zijn termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening gemaakte kosten.

17.Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-, te weten € 322,- voor het verzoekschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe met dien verstande dat het besluit van 13 maart 2007 wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

Veroordeelt verweerder (de gemeente Den Haag) in de proceskosten van

€ 644,- welke kosten de gemeente aan verzoeker dient te vergoeden;

Bepaalt dat verweerder (de gemeente Den Haag) verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P. Kleijn, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.M. van der Meide.