Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2462

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/4263 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geding tussen eiser en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over het wel of niet in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW). Verweerder heeft het besluit om eiser bij wijze van maatregel een uitkering ingevolge de WW te weigeren gehandhaafd, omdat eiser door zijn dienstbetrekking voortijdig te beëindigen verwijtbaar werkloos is geworden en verweerder in die periode daardoor is benadeeld. Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden door de voortijdige beëindiging van zijn dienstbetrekking bij. Aan de voortzetting van dit dienstverband waren zodanige bezwaren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Deze bezwaren liggen in de medische sfeer. Eisers medische klachten zijn toegenomen als gevolg van enkele incidenten bij die werkgever. De rechtbank is van oordeel dat aan de voortzetting van eisers dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Dit betekent dat de voortijdige beëindiging van eisers dienstbetrekking niet kan leiden tot verwijtbare werkloosheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/4263 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [gemeente A], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 12 december 2005 heeft eiser zich op het CWI gemeld voor het indienen van een aanvraag ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW).

Bij besluit van 2 januari 2006 heeft verweerder eiser met ingang van 6 december 2005 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Daarnaast is de uitkering bij wijze van maatregel geweigerd over de periode van 6 december 2005 tot en met 3 februari 2006.

Bij besluit van 6 april 2006 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 15 mei 2006 beroep ingesteld.

Het beroep is op 21 maart 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door [...] en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

Motivering

Op het onderhavige beroep zijn de hierna genoemde bepalingen van de WW van toepassing zoals die luidden tot 30 juni 2006.

Artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW, bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is - voor zover hier van belang - van verwijtbare werkloosheid sprake indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, (...) niet benadeelt of zou kunnen benadelen. (...)

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW weigert verweerder, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW weigert verweerder, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van - voor zover hier van belang - artikel 24, zesde lid, van de WW, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.

Ingevolge het vierde lid van die bepaling wordt een maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vooropgesteld wordt dat eiser met ingang van 6 december 2005 werkloos is geworden uit zijn dienstbetrekking bij [werkgever A] (hierna: [werkgever A]). Dit dienstverband heeft slechts enkele weken geduurd, zodat eiser niet uitsluitend hieraan een recht op WW kan ontlenen, terwijl die dienstbetrekking direct is gevolgd op de dienstbetrekking bij [werkgever B]. Volgens vaste jurisprudentie kunnen in zo'n situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid verweten kan worden, de omstandigheden waaronder die voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd in aanmerking worden genomen.

Verweerder heeft het besluit om eiser in de periode van 6 december 2005 tot en met 3 februari 2006 bij wijze van maatregel een uitkering ingevolge de WW te weigeren gehandhaafd, omdat eiser door zijn dienstbetrekking bij [werkgever B] voortijdig te beëindigen verwijtbaar werkloos is geworden en verweerder in die periode daardoor is benadeeld.

Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden door de voortijdige beëindiging van zijn dienstbetrekking bij [werkgever B]. Aan de voortzetting van dit dienstverband waren zodanige bezwaren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Deze bezwaren liggen in de medische sfeer. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat daarbij moet worden gedacht aan neerslachtigheid, gespannenheid en hoofdpijn.Verschillende medici hebben eisers medische klachten in direct verband gebracht met zijn werkzaamheden bij [werkgever B]. Eisers medische klachten zijn toegenomen als gevolg van enkele incidenten bij die werkgever. Die incidenten hebben de arbeidsrelatie zodanig verstoord dat eiser zich herhaaldelijk genoodzaakt zag zich ziek te melden. Eiser heeft zijn dienstbetrekking bij [werkgever B] voortijdig beëindigd en is bij [werkgever A] aan het werk gegaan in een functie waarvoor hij is opgeleid. Niet alleen kon hij bij die werkgever meer verdienen, maar bovendien heeft hij naar zijn zeggen daar geen medische problemen meer ondervonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen medische omstandigheden zoals door eiser naar voren gebracht rechtvaardigen dat een werknemer zijn dienstbetrekking beëindigt. Dat kan zijn vanwege een acute medische noodzaak, maar ook indien het voortbestaan van de dienstbetrekking leidt tot schade aan de gezondheid. Onder die omstandigheden kan niet in redelijkheid van de werknemer worden gevergd dat de dienstbetrekking wordt voortgezet en zal niet van verwijtbare werkloosheid kunnen worden gesproken.

Uit de stukken komt naar voren dat eiser tot 15 november 2005 ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW) werkzaam was bij [werkgever B]. Met ingang van 8 augustus 2005 heeft eiser zich na een conflict met zijn leidinggevende ziek gemeld. Blijkens de brief van [werkgever B] van 22 november 2005 is men daarna akkoord gegaan met het ontslag en heeft eiser bovendien een drie jaar durende terugkeergarantie gekregen.

Blijkens het dossier had eiser reeds in maart 2005 gezondheidsklachten. Hij heeft laten onderzoeken of deze in verband konden worden gebracht met het door hem in 1999 geleden hersenletsel, of dat de klachten konden worden toegeschreven aan zijn werksituatie bij [werkgever B]. Neurochirurg dr. A.I.R. Maas komt in zijn aan eiser gerichte e-mail van 2 maart 2005 tot de volgende slotsom:

'Concluderend kunnen wij geen duidelijke afwijkingen vaststellen die de huidige klachten verklaren of die in relatie kunnen worden gebracht tot het eerder doorgemaakte schedelhersenletsel. Ik denk dat het belangrijkste is dat u passend werk krijgt, passend bij uw intellectueel vermogen, en dat hierin ook een duidelijke structuur wordt aangebracht.'

In het uitgebreide onderzoeksrapport van 6 februari 2006 komt neuro- en revalidatiepsycholoog B. van der Feen tot de conclusie:

'Het werk bij de Sociale Werkplaats sluit niet goed aan bij het cognitieve niveau van pt. en heeft door zijn geschiedenis daar een sterk negatieve associatie gekregen. Het lijkt voor de gezondheid van pt. dan ook geen goede optie meer.'

De verzekeringsarts van verweerder is in zijn rapport van 2 juni 2006, dat is opgemaakt naar aanleiding van eisers beroep, tot de conclusie gekomen dat niet wordt voldaan aan de medische voorwaarden voor het niet aannemen van verwijtbaarheid. Blijkens het rapport neemt verweerder geen verwijtbare werkloosheid aan in de volgende gevallen:

'1. De psychische toestand van de betrokkene ten tijde van het nemen van ontslag was zodanig, dat deze het ontslag niet aan te rekenen was;

2. Het bestaan van de dienstbetrekking met de betreffende werkgever op zich was reeds zo bezwaarlijk voor gezondheidstoestand van belanghebbende, dat voortzetting van die dienstbetrekking - ook als belanghebbende niet zou werken - reeds tot schade van diens gezondheid zou leiden;

3. Er is sprake van alle drie van de volgende situaties:

a. Betrokkene zou bij hervatting de betreffende arbeid tot schade van de gezondheid gaan doen; en

b. Aan deze situatie zou niet binnen afzienbare tijd een einde komen; én

c. Betrokkene heeft alvorens ontslag te nemen een advies tot het nemen van ontslag gekregen van een bedrijfsarts en/of behandelend arts (huisarts en/of specialist).

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden door de voortijdige beëindiging van zijn dienstbetrekking bij [werkgever B].

Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de problemen die eiser op deze WSW-baan zegt te hebben ondervonden en de aard van de medische klachten die aan zijn beslissing om van werkkring te veranderen ten grondslag heeft gelegen. Daarbij heeft verweerder zich ten onrechte laten leiden door het rapport van de verzekeringsarts. Dat rapport, dat is opgesteld zonder dat eiser in verband daarmee is gehoord, miskent naar het oordeel van de rechtbank dat eisers situatie in ieder geval overeen lijkt te komen met die geschetst onder punt 3 van het rapport. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de werksituatie bij [werkgever B] voor eisers gezondheid schadelijk is geweest. Eiser heeft zich immers meerdere malen ziek gemeld en heeft onderzoek laten doen naar de oorzaak van zijn medische klachten. Vast staat dat eiser een arbeidsconflict heeft gehad met zijn direct leidinggevende en dat hij als gevolg daarvan zich heeft ziekgemeld. Uit het gegeven dat de verzekeringsarts in zijn rapportage heeft aangegeven dat eiser, in plaats van aan het werk te gaan, had moeten volharden in zijn ziekmelding, leidt de rechtbank bovendien af dat verweerder eisers gezondheidsklachten in ieder geval serieus genoeg heeft geacht voor het voortduren van de ziekmelding.

De rechtbank acht het gelet op eisers gezondheidsklachten en zijn beperkingen in de sociale en contactuele sfeer in combinatie met werkzaamheden van een voor eiser te laag niveau, niet onaannemelijk dat hervatting van die werkzaamheden tot schade aan eisers gezondheid zou kunnen leiden. Vast staat immers dat de functie waarin eiser was aangesteld (medewerker montage) beneden zijn cognitieve niveau lag (eiser heeft een IQ van 120). Het is gelet op de aard van een regeling als de WSW twijfelachtig of [werkgever B] eiser had kunnen plaatsen op een werkplek die beter bij zijn omstandigheden en cognitieve niveau aansloot, zodat daarmee uit te sluiten viel dat werkhervatting niet zou leiden tot schade aan eisers gezondheid of dat [werkgever B] aan die situatie binnen afzienbare tijd een einde had kunnen maken. Daarbij is nog van belang dat de neuro- en revalidatiepsycholoog in zijn rapport heeft aangeraden dat bij de keuze van een werkplek voor eiser rekening moet worden gehouden met diens beperkingen op het sociale en contactuele vlak.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat eiser zich voldoende heeft laten adviseren door medische specialisten voordat hij een nieuwe dienstbetrekking heeft aanvaard en de oude heeft beëindigd.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de voortzetting van eiser dienstbetrekking bij [werkgever B] zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Dit betekent dat de voortijdige beëindiging van eisers dienstbetrekking bij [werkgever B] niet kan leiden tot verwijtbare werkloosheid. Verweerder was gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 september 2000 (RSV 2001, 5), omdat eisers situatie naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar is met die welke in die uitspraak wordt besproken, weliswaar bevoegd om van het primaat van artikel 27, eerste lid, van de WW, af te wijken en toepassing te geven aan artikel 27, derde lid, van de WW, maar voor zover verweerder in de verwijtbare werkloosheid van eiser een benadelingshandeling heeft gezien zoals bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW, was verweerder gelet op artikel 27, vierde lid, van de WW, gehouden om van het opleggen van een maatregel af te zien, omdat elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van eiser ontbrak.

Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat de benadelingshandeling moet worden gevonden in het gegeven dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de hem door [werkgever B] geboden driejarige terugkeergarantie. Voor zover verweerder hiermee afstand heeft willen nemen van het standpunt dat de verwijtbaarheid van eisers werkloosheid een benadelingshandeling inhoudt, en daarmee heeft beoogd de motivering van het bestreden besluit te wijzigen, leidt dat de rechtbank niet tot een ander oordeel. Vast staat immers dat aan de voortzetting van eisers dienstbetrekking bij [werkgever B] zodanige medische bezwaren waren verbonden dat voortzetting van die dienstbetrekking niet van eiser kon worden gevergd. Wanneer dat zo is, kan niet worden ingezien hoe eiser nog kan worden tegengeworpen dat hij verweerder heeft benadeeld door geen gebruik te maken van een terugkeergarantie. Wanneer voortzetting van een dienstbetrekking vanwege medische omstandigheden onmogelijk is, dan kan terugkeer naar die dienstbetrekking logischerwijs vanwege exact dezelfde omstandigheden evenmin.

Ook wat betreft het geen gebruik maken van de terugkeergarantie van [werkgever B] ontbreekt derhalve elke vorm van verwijtbaarheid, zodat op basis van die tegen geworpen gedraging al evenmin een maatregel kan worden opgelegd.

Het beroep is gegrond.

Nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van professionele rechtshulp en evenmin is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 6 april 2006;

draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

bepaalt dat de rechtspersoon het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 38,00, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S. Verheijen en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.