Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2382

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
FA RK 06-5538 272993
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Op grond van de feiten en omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de verdeling te worden afgeweken van de in artikel 1:94 BW lid 2 vervatte hoofdregel dat de gemeenschap wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten omvat.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/91 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 06-5538

zaaknummer: 272993

datum beschikking: 21 maart 2007

BESCHIKKING op het op 12 september 2006 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende [te A],

procureur: mr. J.W. van der Kooi.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [B],

procureur: mr. R. van Venetiën.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 22 januari 2007, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 31 januari 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Beide partijen zijn ter zitting verschenen, ieder vergezeld van de eigen procureur.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, met als nevenvoorziening de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op door de vrouw in het verzoekschrift aangegeven wijze.

De man voert - onder referte voor wat betreft de verzochte echtscheiding - verweer tegen de door de vrouw verzochte wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 2005 in de gemeente [B] met elkander gehuwd.

1. De echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken - primaire - verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

2. Verdeling

De vrouw verzoekt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aldus te bepalen dat de echtelijke woning alsmede de daarop rustende hypothecaire geldlening aan de man worden toebedeeld, nu de woning van zijn zijde in de gemeenschap is gevallen en bovendien nog voor de helft aan zijn voormalige partner - met wie hij de woning tezamen heeft aangekocht - toebehoort. Daarnaast verzoekt zij de verdeling van de inboedel vast te stellen, in die zin dat ieder der partijen krijgt toebedeeld wat hij/zij thans onder zich heeft, behoudens een aantal goederen die de man volgens de vrouw thans onder zich heeft en die zij terugwenst: 'dozen met speelgoed', 'kleding van de vrouw en [...]' en 'dvd’s van de vrouw'. Ten slotte verzoekt de vrouw nog de verdeling van de schulden vast te stellen op die wijze dat ieder de schulden die op eigen naam zijn aangegaan krijgt toebedeeld.

De vrouw motiveert haar wens om met voornoemde wijze van verdeling af te wijken van verdeling bij helfte onder meer met de stelling dat er sprake is van een bijzondere situatie nu het huwelijk zeer kort heeft geduurd. De samenwoning na de huwelijkssluiting heeft slechts 8 dagen geduurd, waarna partijen weer uiteen zijn gegaan. Zij stelt dat de aanleiding daartoe was dat de man haar zoon (geboren uit een eerdere relatie van haar met een andere partner) heeft mishandeld, voor welk feit de man inmiddels strafrechtelijk is veroordeeld. Daarenboven, aldus de vrouw, zijn de schulden van de man voor het grootste deel aangegaan vóór het huwelijk.

Hoewel de man betwist dat hij de door de vrouw gespecificeerde inboedelgoederen onder zich heeft - volgens hem staan deze nog in de echtelijke woning, die partijen inmiddels hebben verlaten en welke woning thans te koop staat - gaat hij op zich akkoord met de door haar gewenste verdeling van de inboedel. Tegen de door de vrouw verzochte wijze van verdeling van de echtelijke woning (die volgens de man wellicht met verlies zal moeten worden verkocht) en de toedeling van de schulden aan diegene die ze is aangegaan, verzet hij zich. Onder verwijzing naar onder meer artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW), stelt hij dat, nu partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, alle tot die gemeenschap behorende goederen en schulden bij de verdeling dienen te worden betrokken en gelijkelijk verdeeld, ongeacht van wiens zijde deze in de gemeenschap zijn gevallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Daarvan is in casu geen sprake. Het feit dat het huwelijk recent is gesloten alsmede de door de vrouw - onweersproken - geschetste omstandigheden dat de samenwoning van partijen na het sluiten van het huwelijk slechts acht dagen heeft geduurd, dat deze samenwoning is geëindigd door een gewelddadig incident van de man jegens haar zoon en de omstandigheid dat de man niet heeft betwist dat het merendeel van de door hem gemaakte schulden zijn aangegaan vóór het huwelijk, leveren naar het oordeel van de rechtbank echter dusdanige feiten op dat gesteld kan worden dat tussen partijen gedurende hun kortdurende huwelijk niet of nauwelijks financiële lotsverbondenheid heeft bestaan. Op grond van deze feiten en omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de verdeling te worden afgeweken van de in artikel 1:94 BW lid 2 vervatte hoofdregel dat de gemeenschap wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten omvat.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank conform het verzoek van de vrouw zal beslissen en de verdeling van de schulden vast zal stellen op die wijze dat ieder der partijen de schulden krijgt toebedeeld die hij/zij is aangegaan met vrijwaring van de ander tegen eventuele aanspraken van derden; alsmede dat de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening - voor zover partijen daarover kunnen beschikken - aan de man wordt toebedeeld. Voor wat betreft de inboedel zal de rechtbank gezien het voorgaande eveneens beslissen op de door de vrouw verzochte wijze, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat de man waar mogelijk zijn medewerking zal verlenen om na te noemen goederen aan de vrouw ter hand te stellen.

BESLISSING

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 2005 in de gemeente [B];

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden, als volgt vast:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1 de echtelijke woning te [adres], alsmede de daarop rustende hypothecaire geldlening, voor zover partijen daarover kunnen beschikken;

1.2 de inboedel die reeds in het bezit is van de man, behoudens na te noemen goederen;

1.3 de schulden die door de man zijn aangegaan, waarbij de man de vrouw zal vrijwaren tegen eventuele aanspraken van derden;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1 de inboedel die reeds in het bezit is van de vrouw, alsmede:

- dozen met speelgoed;

- kleding van de vrouw en [...];

- dvd’s van de vrouw;

2.2 de schulden die door de vrouw zijn aangegaan, waarbij de vrouw de man zal vrijwaren tegen eventuele aanspraken van derden;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.D. Veenendaal, bijgestaan door mr. B. Laterveer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2007.