Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2111

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
AWB 05 / 51868
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / mob

Verweerder heeft bij brief van 21 december 2006 aan de rechtbank laten weten dat eiser, nadat eiser op grond van een Finse Dublinclaim aan Nederland is overgedragen, met onbekende bestemming is vertrokken, nu hij zich na de overdracht niet bij verweerder heeft gemeld. De gemachtigde van eiser heeft schriftelijk en voor de behandeling ter zitting aangegeven nog wel contact met eiser te hebben. Eiser noch zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. De rechtbank oordeelt dat eiser geen prijs meer stelt op het inwilligen van zijn aanvraag en dat eiser daarom geen rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij nog wel belang heeft bij een beoordeling in beroep, oordeelt de rechtbank dat het in het onderhavige geval aan eiser is om dat belang te concretiseren. Het enkele stellen dat gemachtigde contact heeft gehad met eiser is daartoe onvoldoende. Nu eiser niet ter zitting is verschenen en de gemachtigde evenmin ter zitting of schriftelijk het schrijven van verweerder van 21 december 2006 heeft weerlegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 51868

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 februari 2007

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976, van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J.P.H. Thissen, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nardelli, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 4 april 2003 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 8 november 2005 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 17 november 2005 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Bij schrijven van 21 december 2006 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op 31 januari 2006 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 9 juli 2006 is eiser door de Finse autoriteiten op grond van een door verweerder geaccordeerde Dublinclaim aan Nederland overgedragen. Na deze overdracht heeft eiser zich niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Waar eiser thans verblijft, is verweerder onbekend.

2.2 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat uit het departementale dossier blijkt dat de Finse autoriteiten niet hebben aangegeven dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en er derhalve vanuit moet worden gegaan dat hij naar Nederland is teruggebracht.

2.3 Bij schrijven van 22 januari 2007 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven contact te hebben gehad met eiser en daarnaast laten weten dat hij, noch eiser, ter zitting zouden verschijnen.

2.4 Nu eiser zich niet bij verweerder heeft gemeld na terugkeer uit Finland, valt hieruit te concluderen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Vast staat dat eiser de behandeling van het beroep in Nederland mocht afwachten. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan, dat eiser geen prijs meer stelt op het inwilligen van zijn aanvraag en dat eiser daarom geen rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.5 Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij nog wel belang heeft bij een beoordeling in beroep, oordeelt de rechtbank dat het in het onderhavige geval aan eiser is om dat belang te concretiseren. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser dat hij nog contact heeft (gehad) met eiser, is daartoe onvoldoende. Nu eiser niet ter zitting is verschenen en de gemachtigde evenmin ter zitting of schriftelijk het schrijven van verweerder van 21 december 2006 heeft weerlegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

2.6 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. van der Lelie, rechter, en op 27 februari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.