Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2086

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
09/757638-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Krachtens artikel 285b lid 2 Wetboek van Strafrecht vindt de vervolging wegens belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Artikel 164 lid 1 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging. Als een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging ontbreekt kan een stuk dat als klacht is bedoeld (de aangifte) toch als zodanig worden aangemerkt als de bedoeling van klager dat een vervolging wordt ingesteld, duidelijk blijkt. De aangifte van aangeefster [benadeelde partij] heeft betrekking op een verkrachting, op belaging en op mishandeling. In de aangifte is niet vermeld dat aangeefster wenst dat verdachte ter zake van belaging wordt vervolgd. De rechtbank kan een bedoeling van aangeefster tot een vervolging ter zake van belaging niet - zoals de officier van justitie heeft aangevoerd - afleiden uit de in de aangifte opgenomen zinsnede dat aangeefster zich wenst te voegen als benadeelde partij, temeer niet omdat de aangifte op meerdere bovenvermelde feiten betrekking heeft en genoemde zinsnede dan ook geenszins op de belaging betrekking behoeft te hebben. De rechtbank verklaart het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 2.

[...]

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 het volgende.

Aan verdachte is de verkrachting op of omstreeks 20 april 2006 van zijn (toenmalige) vriendin telastgelegd. Van verkrachting kan slechts sprake zijn als - op basis van de bewijsmiddelen - vast staat dat aangeefster door geweld of een andere feitelijkheid dan wel feitelijkheden of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel feitelijkheden gedwongen is tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Vast staat op grond van de aangifte en op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat verdachte en aangeefster op of omstreeks 20 april 2006 seksuele gemeenschap hebben gehad. Daarvan blijkt voorts nog uit het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de geaborteerde vrucht. Verdachte heeft evenwel gesteld dat dit seksuele contact geheel vrijwillig was.

Het enige bewijsmiddel dat de seksuele gemeenschap door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging daarmee zou hebben plaatsgevonden, is de aangifte.

De aangifte wordt niet gestaafd door andere (ondersteunende) bewijsmiddelen. De zich in het dossier bevindende processen-verbaal, bevattende de-auditu getuigenverklaringen, houden alleen een weergave in van hetgeen aangeefster aan deze getuigen heeft verklaard en behelzen dan ook niet een weergave van hetgeen deze getuigen zelf hebben waargenomen. Derhalve is in deze verklaringen geen ondersteunend bewijs te vinden De rechtbank is daarom van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit feit heeft begaan, ontbreekt.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 het volgende.

Ook hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangifte niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel. Het door de ouders van aangeefster bij haar geconstateerde letsel en de foto's op de mobiele telefoon van aangeefster, die aangeefster heeft gemaakt teneinde letsel vast te leggen kunnen niet tot wettig bewijs dienen van het begaan van dit feit door verdachte, daar noch uit de genoemde constatering van de ouders, noch uit de foto's op zichzelf beschouwd volgt, dat deze geconstateerde dan wel gefotografeerde letsels door toedoen van verdachte zijn ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757638-06

's-Gravenhage, 30 maart 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 maart 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr F.A.M. Engels, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr T.N.M. Kamps heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte ter terechtzitting gevorderd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ? 3.069,24 en tot niet-ontvankelijk-verklaring voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 3.069,24, te vervangen door 61 dagen hechtenis ten behoeve van aangeefster genaamd [benadeelde partij].

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zake van feit 2 aangevoerd dat aangeefster wel aangifte heeft gedaan maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging heeft gedaan.

Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard ter zake van dit feit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Krachtens artikel 285b lid 2 Wetboek van Strafrecht vindt de vervolging wegens belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Artikel 164 lid 1 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging. Als een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging ontbreekt kan een stuk dat als klacht is bedoeld (de aangifte) toch als zodanig worden aangemerkt als de bedoeling van klager dat een vervolging wordt ingesteld, duidelijk blijkt. De aangifte van aangeefster [benadeelde partij] heeft betrekking op een verkrachting, op belaging en op mishandeling. In de aangifte is niet vermeld dat aangeefster wenst dat verdachte ter zake van belaging wordt vervolgd. De rechtbank kan een bedoeling van aangeefster tot een vervolging ter zake van belaging niet - zoals de officier van justitie heeft aangevoerd - afleiden uit de in de aangifte opgenomen zinsnede dat aangeefster zich wenst te voegen als benadeelde partij, temeer niet omdat de aangifte op meerdere bovenvermelde feiten betrekking heeft en genoemde zinsnede dan ook geenszins op de belaging betrekking behoeft te hebben. De rechtbank verklaart het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 2.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 3 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 het volgende.

Aan verdachte is de verkrachting op of omstreeks 20 april 2006 van zijn (toenmalige) vriendin telastgelegd. Van verkrachting kan slechts sprake zijn als - op basis van de bewijsmiddelen - vast staat dat aangeefster door geweld of een andere feitelijkheid dan wel feitelijkheden of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel feitelijkheden gedwongen is tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Vast staat op grond van de aangifte en op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat verdachte en aangeefster op of omstreeks 20 april 2006 seksuele gemeenschap hebben gehad. Daarvan blijkt voorts nog uit het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de geaborteerde vrucht. Verdachte heeft evenwel gesteld dat dit seksuele contact geheel vrijwillig was.

Het enige bewijsmiddel dat de seksuele gemeenschap door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging daarmee zou hebben plaatsgevonden, is de aangifte.

De aangifte wordt niet gestaafd door andere (ondersteunende) bewijsmiddelen. De zich in het dossier bevindende processen-verbaal, bevattende de-auditu getuigenverklaringen, houden alleen een weergave in van hetgeen aangeefster aan deze getuigen heeft verklaard en behelzen dan ook niet een weergave van hetgeen deze getuigen zelf hebben waargenomen. Derhalve is in deze verklaringen geen ondersteunend bewijs te vinden De rechtbank is daarom van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit feit heeft begaan, ontbreekt.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 het volgende.

Ook hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangifte niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel. Het door de ouders van aangeefster bij haar geconstateerde letsel en de foto's op de mobiele telefoon van aangeefster, die aangeefster heeft gemaakt teneinde letsel vast te leggen kunnen niet tot wettig bewijs dienen van het begaan van dit feit door verdachte, daar noch uit de genoemde constatering van de ouders, noch uit de foto's op zichzelf beschouwd volgt, dat deze geconstateerde dan wel gefotografeerde letsels door toedoen van verdachte zijn ontstaan.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte af nu verdachte ter zake van feit 1 en 3 zal worden vrijgesproken en het openbaar ministerie ter zake van feit 2 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te Geystevenweg 70, 2532 TS 's-Gravenhage, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

? 5.411,44.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het bij dagvaarding onder 2 telastgelegde feit;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering;

wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming af.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R.A.C. van Rossum, voorzitter,

E.A. Mink en E.J. van As, rechters,

in tegenwoordigheid van mr P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2007.