Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2050

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
KG 07/146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veka Best tegen CBR. Veka Best vordert CBR te verbieden om nog langer theorie-examens af te nemen in de huidige vorm, onder meer omdat uit onderzoek blijkt dat de theorie-examens in aanzienlijke mate onbegrijpelijk zijn voor de gemiddelde burger. Veka Best heeft haar stelling dat zij als producent van verkeersleermiddelen door de vermeende gebrekkige examens direct wordt getroffen in haar eigen belangen, onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat Veka Best optreedt namens een groep gedupeerde examenkandidaten in een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) of dat zij moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijk rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305b BW. Veka Best wordt in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. In reconventie vordert CBR Veka Best te veroordelen tot betaling van een voorschot in de daadwerkelijke advocaatkosten van CBR, omdat partijen reeds uitvoerig hebben geprocedeerd over de vraag of CBR de vigerende Europese regelgeving en de uitvoeringsregelingen al dan niet naleeft met de huidige vorm en inhoud van de theorie-examens en Veka Best in twee instanties in het ongelijk is gesteld. Veka Best maakt volgens CBR misbruik van procesrecht nu zij CBR opnieuw in rechte betrekt. De voorzieningenrechter kan CBR daarin niet volgen en wijst de vordering in reconventie af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 2 april 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/146 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEKA Best Verkeersleermiddelen B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.M.M. van der Valk,

advocaat mr. P.J.A. van der Laar te Eindhoven,

tegen:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. M.B. Kerkhof.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "Veka Best" en "CBR".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 maart 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Veka Best is een producent van verkeersleermiddelen. CBR is door de wetgever aangewezen om rijexamens (zowel het theoriedeel als het praktijkdeel) af te nemen.

1.2. Partijen hebben in kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Gravenhage geprocedeerd over de stelling van Veka Best dat de theorie-examens van CBR niet voldoen aan de vigerende regelgeving. Veka Best is in beide instanties in het ongelijk gesteld, zulks bij vonnis van 31 augustus 2005 (rolnummer KG 05/693) en arrest van 14 november 2006 (rolnummer 05/1436).

1.3. Veka Best heeft op enig moment Bureau ICE verzocht om een oordeel te geven over onder meer de validiteit van twee theorie-examens (Nationaal Verkeersexamen, door SBS uitgezonden op 16 april 2006 en CBR-examen B-26.09.2006, Eindhoven). In zijn brief aan Veka Best van 5 oktober 2006 heeft Bureau ICE onder meer bericht dat kan worden gesteld dat het huidige theorie-examen een zeer kennisgericht examen is dat niet voldoende borgt dat de kandidaat de theoretische kennis en inzichten heeft zoals die door de Europese en Nederlandse Richtlijnen zijn voorgeschreven.

1.4. In opdracht van Veka Best heeft Bureau Taal het taalniveau van een aantal theorie-examens van CBR onderzocht. Bureau Taal heeft in zijn rapporten van november en december 2006 geconcludeerd dat - kort gezegd - een groot deel van de Nederlandse burgers de examenvragen niet begrijpt.

1.5. In antwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Roefs over de kwaliteit van theorie-examens heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat bij brief van 13 februari 2007 de Tweede Kamer onder meer bericht:

"In antwoord op mijn vraag 3 heb ik aangegeven dat de driejaarlijkse externe validatie van examenvragen uit een technisch en een taalkundig onderdeel bestaat. Deze toets wordt dit jaar uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek van Bureau Taal zullen in de toets worden betrokken. Wanneer deze toets daarvoor aanleiding geeft, zal het CBR de betreffende examenvragen aanpassen."

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

in conventie

Veka Best vordert - zakelijk weergegeven - CBR op straffe van een dwangsom te verbieden om na 12 weken na betekening van dit vonnis nog langer theorie-examens af te nemen in de huidige vorm.

Daartoe voert Veka Best het volgende aan.

Uit onderzoek blijkt dat de theorie-examens in aanzienlijke mate onbegrijpelijk zijn voor de gemiddelde burger. Daarnaast is sprake van onvoldoende evenwicht over de categorieën en onderwerpen. Er is sprake van een zeer ongewenste situatie. CBR handelt aldus onzorgvuldig en onbetamelijk en derhalve onrechtmatig en zij oefent haar publieke taak niet naar behoren uit.

De problemen moeten door CBR onmiddellijk en grondig worden aangepakt. Kandidaten met minder geestelijke bagage moeten een gelijke examenkans krijgen en moeten niet struikelen op onbegrijpelijke vragen. De verkeersveiligheid is verder gebaat bij evenwichtige examens. De examenvragen mogen ook niet verder komen af te staan van de door Veka Best geproduceerde verkeersleermiddelen. Veka Best wordt geconfronteerd met klachten over gebreken in haar verkeersleermiddelen, terwijl het echte probleem ligt bij de taal die CBR bij de examenvragen hanteert. CBR weigert echter om onmiddellijke actie te ondernemen ter verbetering van haar theorie-examens.

CBR voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

CBR vordert - zakelijk weergegeven - Veka Best te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 3.500,--, althans een ander in goede justitie te bepalen bedrag, in de daadwerkelijke advocaatkosten van CBR.

Daartoe voert CBR het volgende aan.

Over de vraag of CBR de vigerende Europese regelgeving en de uitvoeringsregelingen al dan niet naleeft met de huidige vorm en inhoud van de theorie-examens, hebben partijen reeds uitvoerig geprocedeerd. In twee instanties is Veka Best in het ongelijk gesteld. CBR leest noch in de analyse van Bureau ICE noch in de dagvaarding van Veka Best nieuwe of andere stellingen ten aanzien van de vorm en inhoud van de theorie-examens. Veka Best maakt misbruik van procesrecht nu zij CBR opnieuw in rechte betrekt.

Veka Best voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

in conventie

3.1. Door CBR wordt betwist dat Veka Best kan worden ontvangen in haar vordering. CBR heeft aangevoerd dat Veka Best geen enkel eigen belang heeft bij haar vordering die ziet op het taalniveau en de evenwichtigheid van de examens. Veka Best heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in verband met de gebrekkige examens van CBR klachten heeft ontvangen dat haar verkeersleermiddelen daarop niet goed aansluiten, hetgeen haar commerciële belangen raakt. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.2. Veka Best heeft haar stelling dat zij als producent van verkeersleermiddelen door de vermeende gebrekkige examens direct wordt getroffen in haar eigen belangen, onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd. Haar vordering is hoofdzakelijk geënt op de vermeende schending van het algemene belang van de verkeersveiligheid, de gestelde onjuiste uitoefening van de publieke taak van CBR en de belangen van kandidaten bij gelijke examenkansen. Gesteld noch gebleken is dat Veka Best optreedt namens een groep gedupeerde examenkandidaten in een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) of dat zij moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijk rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305b BW. Zonder nadere toelichting en onderbouwing, die ontbreekt, kan daarom niet gezegd worden dat de Veka Best bij haar vordering voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW, in elk geval is de enkele stelling dat zij verwijten krijgt daartoe onvoldoende. In het midden kan dan blijven onder meer de vraag of zij ter zake schade heeft geleden.

3.3. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat Veka Best in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.4. Veka Best zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

in reconventie

3.5. CBR heeft de veroordeling van Veka Best in de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten gevorderd, thans te bepalen op een voorschot van € 3.500,--. Partijen hebben eerder in kort geding geprocedeerd over de vraag of de theorie-examens van CBR voldoen aan de vigerende regelgeving. Veka Best is in beide instanties in het ongelijk gesteld. CBR stelt dat Veka Best zich schuldig maakt aan misbruik van recht door CBR opnieuw in rechte te betrekken over de theorie-examens.

3.6. De voorzieningenrechter kan CBR daarin niet volgen. Anders dan CBR heeft betoogd, kan niet zonder meer worden gezegd dat Veka Best in de onderhavige procedure louter argumenten heeft aangevoerd waarover in de eerdere procedures al is geoordeeld, mede gelet op de nadien opgestelde rapportage van Bureau Taal. Daarbij speelt nog een rol dat de aard van een kort gedingprocedure meebrengt dat slechts een voorlopig oordeel wordt afgegeven en dat het partijen vrijstaat om een en ander zonodig aan een rechter voor te leggen, bij nieuwe feiten opnieuw in kort geding dan wel in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om, in afwijking van het bij een proceskostenveroordeling gebruikelijkerwijs gehanteerde forfaitaire tarief, de vordering van CBR toe te wijzen, nog daargelaten dat deze niet met bewijsstukken is gestaafd. De thans gevorderde advocaatkosten worden geacht te zijn begrepen in de hierna in conventie uit te spreken proceskostenveroordeling van Veka Best.

3.7. CBR zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten zullen, gezien de nauwe samenhang met de conventie, tot dusverre op nihil worden begroot.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

verklaart Veka Best niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

veroordeelt Veka Best in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van CBR begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst af het gevorderde;

veroordeelt CBR in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van het Veka Best begroot op nihil;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

mlh