Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1932

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
FA RK 06-4017 268467
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding - bepaling van de verblijfplaats van de minderjarige dochter, vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, vaststelling van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden, bepaling van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank wijst af het verzoek van de vrouw, te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten; houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling - voor zover daarover in het voorgaande niet reeds is beslist - aan tot de pro forma zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 06-4017

zaaknummer: 268467

datum beschikking: 14 maart 2007

BESCHIKKING op het op 29 juli 2006 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [gemeente A],

procureur: mr. E.C.C. van der Horst.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [gemeente B],

procureur: mr. B.N.C.M. Leemans.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 18 januari 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 19 januari 2007, met bijlagen, van de zijde van de man.

De minderjarige heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

Op 31 januari 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Beide partijen zijn ter zitting verschenen, ieder vergezeld van de eigen procureur. Van beide zijden zijn pleitnotities overgelegd.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de man, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding, met vaststelling van de volgende nevenvoorzieningen:

- bepaling dat de minderjarige dochter van partijen de gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

- verdeling te gelasten op de door de man in het verzoekschrift aangegeven wijze;

- althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank redelijk acht;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert - onder referte voor het overige - verweer tegen de door de man verzochte wijze van verdeling.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarige dochter van partijen de gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

- vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige ad € 400,= per maand, en, indien deze beschikking wordt gewezen op of na 1 januari 2007, bepaling dat deze bijdrage dient te worden verhoogd met de per 1 januari 2007 vastgestelde wettelijke indexering ingevolge artikel 1:402a lid1 BW;

- vaststelling van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden op de door de vrouw in het verweerschrift aangegeven wijze:

- bepaling dat de vrouw jegens de man gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- bepaling dat partijen zullen overgaan tot verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wet VPS);

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert - onder referte voor het overige - verweer tegen de door de vrouw verzochte wijze van verrekening en het verzochte omtrent de verevening van pensioenrechten.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1989 in de gemeente [gemeente C] met elkander gehuwd. Zij hebben één, thans nog minderjarig kind: [minderjarig kind ], geboren op [datum] 1989 te [gemeente D].

1. De echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende, niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

2. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

Blijkens de bij notariële akte van 1 mei 1989 opgemaakte huwelijkse voorwaarden zijn partijen met uitsluiting van gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd (artikel 1).

In artikel 6 van voornoemde akte is onder meer bepaald dat bij de ontbinding van het huwelijk over de groei van de vermogens dient te worden afgerekend. Tussen partijen is niet in geschil dat hiermee onder meer bedoeld wordt dat voor wat betreft de peildatum van de omvang en de waardering van het te verrekenen vermogen moet worden uitgegaan van de datum van ontbinding van het huwelijk. De vrouw is echter van mening dat partijen, in afwijking van de huwelijkse voorwaarden, het op enig moment eens zijn geworden over een andere peildatum, te weten: 1 januari 2006. Nu de man dit echter betwist en niet vast is komen te staan dat partijen daadwerkelijk een andere peildatum zijn overeengekomen, stelt de rechtbank vast dat voor wat betreft de peildatum voor de omvang en de waardering van het vermogen dient te worden uitgegaan van de datum van ontbinding van het huwelijk.

De volgende goederen komen kennelijk in aanmerking voor verdeling c.q. verrekening, althans daarover wordt aan de rechtbank een beslissing gevraagd:

1. de echtelijke woning te [adres];

2. de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening en de daaraan gekoppelde spaarverzekering;

3. de inboedel;

4. een auto: [merknaam], met kenteken [kenteken]

5. een motorboot '[A]' met trailer;

6. een zeilboot '[B]';

7. de op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden genoemde geldbedragen;

8. een gezamenlijke spaarrekening bij de ABN/AMRO-bank, met rekeningnummer [000000000];

9. een spaarloonrekening op naam van de man;

10. een spaarloonrekening op naam van de vrouw;

11. de door de vrouw na het feitelijk uiteengaan betaalde kosten voor de man.

De echtelijke woning en de hypotheek

De vrouw verzoekt de echtelijke woning en de hypotheek aan haar toe te delen, onder de voorwaarde dat zij de financiering daarvoor rond krijgt. Zij heeft een taxatierapport d.d. 18 augustus 2005 van [.....] Makelaardij in het geding gebracht, waaruit volgens haar dient te worden opgemaakt dat de onderhandse verkoopwaarde van de woning € 565.000,= bedraagt.

De man voert verweer; hij gaat op zich akkoord met toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw, doch hij vindt de door haar gestelde waarde veel te laag. Hij heeft op zijn beurt een taxatierapport d.d. 28 november 2006 van [.........] in het geding gebracht, in welk rapport een onderhandse verkoopwaarde van de woning wordt genoemd van € 640.000,=.

De rechtbank constateert dat partijen het over de waarde van de echtelijke woning niet eens zijn. Op basis van de voorhanden zijnde stukken is het de rechtbank voorshands ook niet mogelijk een objectief verifieerbare waarde vast te stellen. Hoewel beide partijen de woning reeds hebben laten taxeren, zijn deze taxaties kennelijk niet met medeweten en/of medewerking van de ander geschied. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de woning (opnieuw) getaxeerd dient te worden per de peildatum of een andere datum, zo partijen die in onderling overleg overeenkomen.

De rechtbank bepaalt daarom dat, voor zover partijen in onderling overleg geen makelaar kunnen aanwijzen, de vrouw in het kader van de taxatie drie - in de regio van de echtelijke woning bekende - (NVM) makelaars dient aan te wijzen, waaruit de man er één moet kiezen die de taxatie van de echtelijke woning zal doen. Partijen moeten beiden in de gelegenheid worden gesteld bij deze taxatie aanwezig te zijn. Het rapport van de makelaartaxateur zal bindend zijn en de kosten van het taxatierapport zullen tussen partijen bij helfte moeten worden gedeeld.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen in het kader van een spoedige afhandeling zo snel mogelijk zullen aanvangen met een en ander. Nadat de woning is getaxeerd, verzoekt de rechtbank partijen om in overleg te bezien of overeenstemming kan worden bereikt omtrent de verdeling van de (overwaarde van de) woning, dan wel of zij tot andersluidende afspraken kunnen komen. Indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, dienen zij dit aan de rechtbank te berichten, alsmede dienen zij alsdan het taxatierapport in het geding te brengen en zich uit te laten omtrent de hoogte van de hypothecaire geldlening alsmede de daaraan gekoppelde spaarverzekering per de peildatum. In het bijzonder dient de vrouw zich uit te laten over de vraag of zij ook bij een verdeling van de overwaarde bij helfte toedeling van de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening wenst en of dit in financieel opzicht binnen haar mogelijkheden ligt.

De inboedel

De man wenst toedeling van de inboedel van de echtelijke woning aan de vrouw. Aanvankelijk stelde hij dat de inboedel een waarde vertegenwoordigt van € 40.000,=, doch ter zitting heeft hij verklaard dat € 25.000,= een reëlere waarde is. Hij wenst geen inboedel meer toegedeeld te krijgen nu hij onlangs zelf veel inboedelgoederen opnieuw heeft aangeschaft.

De vrouw voert verweer en stelt dat de inboedel, die meer dan tien jaar oud is, niet of nauwelijks meer waard is dan € 12.000,=, terwijl de man bovendien reeds voor een waarde van € 2.000,= aan goederen heeft meegenomen. De man had daarenboven zoveel mee kunnen nemen als hij wenste, doch heeft daar kennelijk niet voor gekozen. Voor zover de man volhardt in zijn stellingen betreffende de waarde van de inboedel, kan de inboedel voor die waarde aan hem worden toegedeeld, en dient de helft van die waarde aan haar te worden voldaan, aldus de vrouw. Zij wenst geen taxatie van de inboedel, gezien de hoge kosten die zulks met zich meebrengt.

Nu partijen ten aanzien van dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de inboedel getaxeerd dient te worden per de peildatum. Voor zover partijen in onderling overleg geen taxateur kunnen aanwijzen, bepaalt de rechtbank dat de man drie taxateurs dient voor te stellen waaruit de vrouw er één moet kiezen. Deze taxatie zal bindend zijn en alle in dat kader gemaakte kosten moeten worden gedeeld. Ten slotte dienen partijen een voorstel tot verdeling in het geding te brengen.

De auto: [merknaam], met kenteken [kenteken]

De man verzoekt de auto aan hem toe te delen voor een waarde van € 2.000,=, voor welk bedrag hij naar eigen zeggen genoodzaakt was de auto te verkopen omdat deze in zeer slechte staat verkeerde. Als hij de auto voor een hoger bedrag had kunnen verkopen, dan had hij dat wel gedaan, zo stelt hij. De door de vrouw overgelegde kopie van de ANWB-koerslijst geeft volgens hem geen representatief beeld.

De vrouw voert verweer en verzoekt de auto toe te delen aan de man per 1 augustus 2005 - de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen en sedert welke datum de man het alleengebruik had van de auto - voor een waarde van € 4.700,=, conform de ANWB-koerslijst, waarbij bovendien bij dat bedrag is uitgegaan van een auto met een eerder bouwjaar dan in casu het geval is. Zij stelt dat de auto altijd goed is onderhouden en in goede staat verkeerde. De man heeft de auto bovendien ingeruild, hetgeen volgens haar de koopprijs van zijn nieuwe auto waarschijnlijk naar beneden heeft doen bijstellen.

De rechtbank overweegt als volgt. Er van uitgaande dat de peildatum niet lang na de datum van deze beschikking zal zijn, en gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank de waarde van de auto in redelijkheid vast op € 3.500,=. De rechtbank zal de auto aan de man toedelen, onder bepaling dat hij de helft van voornoemde waarde dient te vergoeden aan de vrouw.

De motorboot [A] + trailer

De man stelt de boot te hebben verkocht voor een bedrag van € 17.625,=.

Hoewel de vrouw aanvankelijk stelde dat de boot en de trailer tezamen een waarde hebben van tenminste € 20.000,=, zijn partijen ter zitting overeengekomen deze goederen voor het gemiddelde van voornoemde bedragen aan de man toe te delen, te weten € 18.812,50, en onder de verplichting voor de man om de helft van dat bedrag aan de vrouw uit te keren. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Zeilboot [B]

Partijen zijn ter zitting overeengekomen om de zeilboot '[B]' aan de man toe te delen voor een waarde van € 16.000,= onder de verplichting om de helft van die waarde uit te keren aan de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Ten tijde van het huwelijk aangebrachte vorderingen zoals vermeld op de staat van aanbrengsten

Volgens de staat van aanbrengsten heeft de man voorafgaand aan het huwelijk aangebracht een bedrag van ƒ 10.000,= (€ 4.537,80) en de vrouw een bedrag van ƒ 53.000,= (€ 24.050,35). Partijen zijn het erover eens dat als gevolg hiervan de man een (nominale) vergoeding krijgt van € 4.537,80 en de vrouw van € 24.050,35.

De gezamenlijke spaarrekening bij ABN/AMRO, met rekeningnummer [000000000]

De man heeft volgens de vrouw op 30 januari 2006 het gehele saldo ad € 7.103,= naar zijn rekening overgemaakt. Partijen zijn het erover eens dat deze rekening aan de man kan worden toegedeeld, onder verrekening van voornoemd bedrag in die zin dat de man de helft daarvan aan de vrouw dient over te maken. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De spaarloonrekeningen respectievelijk op naam van de man en de vrouw

Partijen zijn het erover eens dat voornoemde rekeningen moeten worden toegedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat, onder vergoeding van de helft van de waarde per de peildatum aan de ander. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Door de vrouw voor de man betaalde kosten na het feitelijk uiteengaan van partijen

De vrouw stelt dat zij na het uiteengaan van partijen diverse kosten voor de man heeft voldaan: een premie reisverzekering, wegenbelasting, het winterklaar maken van de boot [A], de winterstalling van beide boten en de premie ziektekostenverzekering van de man, ten belope van € 2.494,15. Nu de man het bestaan van deze kosten ter zitting heeft erkend en geen verweer heeft gevoerd tegen verrekening daarvan, zal de rechtbank conform het verzoek van de vrouw beslissen dat de man deze kosten aan haar dient te voldoen.

De verevening van de opgebouwde pensioenrechten

In artikel 8 van voornoemde huwelijkse voorwaarden staat vermeld:

'(...) Termijnen van rechten op periodieke uitkeringen, die één der echtgenoten toekomen, welke bij de ontbinding van het huwelijk of bij het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis tot scheiding van tafel en bed nog niet zijn vervallen en welke rechten samenhangen met een in het kader van de arbeidsvoorwaarden van de betreffende echtgenoot getroffen pensioen- of vergelijkbare voorziening zullen nimmer aanleiding geven tot enige verrekening (...)'

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de wederzijdse opgebouwde pensioenrechten verevend dienen te worden conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wet VPS).

De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verevening van de opgebouwde pensioenrechten. Zij stelt dat artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden de verevening conform de Wet VPS niet expliciet uitsluit, terwijl de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395 en Hof 's-Gravenhage 30 januari 2002, nr. 226-H01) er geen twijfel over laten bestaan dat de uitsluiting van die wet uitdrukkelijk in de huwelijkse voorwaarden moet zijn verwoord, wil de toepassing daarvan buiten beschouwing blijven. Volgens de vrouw hebben partijen met voornoemde bepaling niet beoogd de wettelijke pensioenverevening uit te sluiten nu de wet pas jaren later van kracht is geworden.

De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen. Hij is van mening dat voornoemde bepaling weinig aan duidelijkheid te wensen overlaat. De huwelijkse voorwaarden, die de man overigens aanvankelijk niet wilde en op uitdrukkelijk verzoek van de vrouw zijn opgemaakt, beoogden de ongelijke vermogensrechtelijke uitgangspositie van partijen tot uitdrukking te brengen. De vrouw had bij aanvang van het huwelijk meer vermogen dan de man, en de man, die thans 57 jaar oud is, zou eerder aanspraak maken op pensioen dan de vrouw, die thans 43 jaar oud is. Hij is voorts van mening dat is voldaan aan de uitzondering genoemd in het overgangsrecht van artikel 11 Wet VPS, te weten dat, ondanks tussen partijen vóór de inwerkingtreding van de wet (te weten 1 mei 1995) opgemaakte huwelijkse voorwaarden verevening van pensioenrechten plaatsvindt, tenzij de echtgenoten in de huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk anders hebben bepaald.

Voor zover de rechtbank anders mocht bepalen, is de man van oordeel dat er een zeer onredelijke situatie zal ontstaan, nu de vrouw een veel hoger inkomen geniet dan hijzelf en naast haar hoge inkomen aanspraak zal maken op een deel van zijn pensioen, terwijl de man pas over lange tijd pensioeninkomsten van de zijde van de vrouw zal kunnen genieten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst overweegt de rechtbank dat in voornoemde, door de vrouw aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad en het Hof 's-Gravenhage, weliswaar sprake was van een geschil inzake huwelijkse voorwaarden, doch dat van een vergelijkbare bepaling als artikel 8 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden geen sprake was. Van een min of meer vergelijkbaar artikel in de huwelijkse voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake bij de uitspraak van het Gerechtshof

's-Gravenhage d.d. 6 december 2002, LJN: AA9931, waarbij partijen in de huwelijkse voorwaarden waren overeengekomen dat na echtscheiding tussen de echtgenoten in geen geval verrekening zal plaatsvinden van de waarde van voor en tijdens het huwelijk door één van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken. Gelijk het hof in voornoemde beschikking, leest de rechtbank in de thans aan de orde zijnde bepaling van de huwelijkse voorwaarden een uitsluiting van pensioenverevening. Hierbij van belang is dat ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen in 1989 het Boon-Van Loon-arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) al was gewezen en dat bekend was dat bij uitsluiting van de gemeenschap geen pensioenaanspraken behoefden te worden verdeeld. In 1985 was er evenwel al sprake van een voorontwerp van de Wet VPS, zodat bekend was dat de wetgever een verder gaande regeling omtrent pensioenrechten in de wet wilde gaan opnemen. Voor de toestand naar geldend recht in 1989 was het gezien het Boon-Van Loon arrest evenwel nog betekenisloos om artikel 8 in de huwelijkse voorwaarden van partijen op te nemen, hetgeen pleit voor de uitleg dat die bepaling is opgenomen met het oog op een eventueel komende wettelijke regeling die verder zou gaan dan het bestaande recht en die ten doel had de werking van die regeling uit te sluiten.

Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de man dat haar inkomen het zijne thans overstijgt en dat zij ingeval van verevening in een aanzienlijk betere inkomenspositie zou komen te verkeren dan hij - temeer nu hijzelf pas veel later aanspraak kan maken op haar opgebouwde pensioenrechten - leidt toepassing van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden niet tot een onredelijke uitkomst in de omstandigheden die in 1999 waren te voorzien. Voor zover wordt vastgehouden aan een strikt tekstuele uitleg van artikel 11 van de Wet VPS op de wijze zoals de vrouw voorstaat, en aldus de uitsluiting van de Wet VPS expliciet in de huwelijkse voorwaarden moet worden genoemd, zou naar het oordeel van de rechtbank voorbij worden gegaan aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid, die gezien de parlementaire geschiedenis ook van toepassing zijn op deze wet. Een dergelijke uitleg zou gelet op de situatie van partijen naar het oordeel van de rechtbank bovendien voorbijgaan aan de strekking van de wet, te weten dat na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd partijen in gelijke mate kunnen genieten van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, afwijzen.

3. De overige nevenvoorzieningen

De overige verzochte nevenvoorzieningen kunnen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen, waarbij de rechtbank verstaat dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw zelf alle hypothecaire en eigenaarslasten van de echtelijke woning zal voldoen en dat de man ter zitting heeft afgezien van het verzoeken van een gebruiksvergoeding ter zake van het gebruik van de echtelijke woning door de vrouw. Voorts overweegt de rechtbank dat zij - gezien het verzoek van de vrouw dat voor zover onderhavige beschikking wordt gegeven op of na 1 januari 2007, de door haar verzochte bijdrage ad € 400,= per maand ten behoeve van de minderjarige per 1 januari 2007 wordt verhoogd met de wettelijke indexering - voornoemde bijdrage conform de wettelijke indexering per 1 januari 2007 (te weten 1,8 %) thans zal vaststellen op € 407,20.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1989 in de gemeente [gemeente C];

*

bepaalt dat de minderjarige:

- [minderjarig kind ], geboren op [datum] 1989 te [gemeente D],

de gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 407,20 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [adres], en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het verzoek van de vrouw, te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten;

*

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling - voor zover daarover in het voorgaande niet reeds is beslist - aan tot 15 september 2007 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank de in het lichaam van deze beschikking genoemde stukken dienen over te leggen,

bepaalt dat partijen tot uiterlijk twee weken vóór de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan, tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd;

houdt iedere beslissing ten aanzien van de verdeling verder aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.D. Veenendaal, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. B. Laterveer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2007.