Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1720

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/2899 BEPTDN en AWB 07/2900 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffen vrijheidsbeperkende maatregel / beroep voortijdig

Aan eisers is op 9 november 2006 met ingang van 16 november 2006 een maatregel zoals bedoeld in artikel 56 Vw opgelegd. Op 16 janauri 2007 hebben eisers verweerder verzocht de maatregel op te heffen en/of in plaats daarvan een meldingsplicht ex artikel 54 Vw op te leggen. Nu aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw is opgelegd, acht de rechtbank het redelijk dat verweerder binnen een week had dienen te beslissen op dit door eisers ingediende verzoek. De rechtbank constateert dat deze termijn (inmiddels) is overschreden. De rechtbank zal bepalen dat verweerder gehouden is een besluit te nemen op eisers verzoek, binnen een week na verzending van de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/2899 BEPTDN en AWB 07/2900 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 8 maart 2007

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1955, eiser, en zijn echtgenote [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1961, eiseres,

en hun meerderjarige kinderen [eiser 1], geboren op [geboortedatum] 1987, en [eiser 2], geboren op [geboortedatum] 1989, allen van Afghaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Inleiding

1.1 Op 18 januari 2007 hebben eisers bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het op 16 januari 2007 ingediende verzoek de maatregel ex artikel 56 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op te heffen en/of in plaats daarvan een meldingsplicht ex artikel 54 Vw op te leggen bij de Korpschef van de gemeente van het feitelijk verblijf voordat de plaatsingsbeschikking werd opgelegd, zijnde de Korpschef van de politie te Utrecht.

Overwegingen

2.1Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Na kennis te hebben genomen van de stukken ziet de rechtbank aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van eisers van 16 januari 2007 staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.3 Blijkens de gedingstukken is aan eisers op 9 november 2006 meegedeeld dat aan hen met ingang van 16 november 2006, in het kader van de aan hen opgelegde maatregel zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw, de verplichting is opgelegd te verblijven in de gemeente Vlagtwedde.

2.4 Op 16 januari 2007 hebben eisers het onder 1.1 weergegeven verzoek aan verweerder gericht. Nu aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw is opgelegd, acht de rechtbank het redelijk dat verweerder binnen een week had dienen te beslissen op dit door eisers ingediende verzoek. De rechtbank constateert dat deze termijn (inmiddels) is overschreden.

2.5 De rechtbank stelt verder vast dat het beroepschrift van 18 januari 2007 voortijdig is ingediend, nu de beslistermijn voor het nemen van een besluit ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog niet was verstreken. De rechtbank stelt verder vast dat de beslistermijn inmiddels wel is verstreken en dat verweerder thans nog steeds geen beslissing op eisers verzoek heeft genomen. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook om proces-economische redenen achterwege blijven.

2.6 De rechtbank zal bepalen dat verweerder gehouden is een besluit te nemen op eisers verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank mag van verweerder verwacht worden dat hij na deze uitspraak zo spoedig mogelijk een besluit neemt op eisers verzoek. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen een termijn van één week na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op eisers verzoek te nemen.

2.7 Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Vw een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld wordt met een besluit. Ingevolge het artikel 93, tweede lid, van de Vw is artikel 7:1 van de Awb niet van toepassing.

Ingevolge artikel 69, derde lid, Vw is in afwijking van artikel 6:7 van de Awb het instellen van beroep als bedoeld in de artikelen 94 en 96 tegen een besluit als bedoeld in artikel 93 Vw niet aan enige termijn gebonden. Tegen het opleggen van de maatregel ex artikel 56 Vw staat dan ook (nog steeds) de mogelijkheid open om bij de rechtbank beroep in te stellen. Een mededeling met deze strekking is door verweerder overigens ook aangegeven op de besluiten van 9 november 2006.

2.8 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 80,50 (1 punt x factor 0,25 x € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu het onderhavige geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden.

2.9 Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank sluit het onderzoek en beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

3.2 draagt verweerder op alsnog een besluit op de aanvraag te nemen binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in dit geding ad € 80,50 te betalen door de Staat der Nederlanden aan eisers.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2007.

De griffier: De rechter:

mr. M.M. van Luijk-Salomons mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kan tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan verzet worden gedaan bij deze rechtbank, sector Bestuursrecht.