Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
601418 RL EXPL 06-15607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat HagaZiekenhuis onrechtmatig heeft gehandeld jegens hun minderjarige kinderen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vordering van eisers in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van deze minderjarigen in zoverre niet worden aangemerkt als een vordering betreffende een arbeidsovereenkomst. Dat aan het onrechtmatige handelen van HagaZiekenhuis jegens de minderjarigen ten grondslag wordt gelegd dat HagaZiekenhuis in haar zorgplicht als werkgever jegens eiseressen te kort geschoten is, is voor de toepasselijkheid van art 93 sub c onvoldoende.

Dit brengt mee dat de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 93 sub b Rv. niet bevoegd is om te oordelen over de vorderingen van de vaders van de minderjarige kinderen. Het beroep van deze eisers op artikel 94 lid 2 Rv. gaat niet op. Artikel 94 lid 2 Rv. ziet slechts op het geval waarin een eiser tegen een gedaagde in één dagvaarding meer dan een vordering instelt, waarvan er tenminste één een aardvordering is als bedoeld in artikel 93 Rv. onder c of d Rv.. Artikel 94 lid 2 Rv. ziet met andere woorden op objectieve cumulatie. Een regel voor het geval van subjectieve cumulatie kent de wet niet. Wanneer, zoals in casu, sprake is van meerdere eisers, zal per eiser beoordeeld moeten worden of de kantonrechter bevoegd is.

Met betrekking tot de vorderingen van eiseressen is het bepaalde in artikel 94 lid 2 Rv. wel van toepassing, nu hun vorderingen deels gebaseerd zijn op artikel 93 onder c Rv. Gelet op de aard en de omvang van de zaak is de kantonrechter echter van oordeel dat de zaak zich niet leent voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom zal de kantonrechter de zaak met toepassing van artikel 98 Rv. verwijzen naar de meervoudige kamer van de sector civiel van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

MFB

rolnr. 601418 RL EXPL 06-15607

5 maart 2007

Vonnis in de zaak van:

1. [eiseres 1] en [eiser 2],

procederend in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter [minderjarige A.] en voor zichzelf,

wonende te [woonplaats A.],

en

2. [eiseres 3] en [eiser 4],

procederend in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [minderjarige B.] en voor zichzelf,

wonende te [woonplaats B.],

eisers,

gemachtigde: mr. J.W. Koeleman,

tegen

de stichting Stichting HagaZiekenhuis,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder.

Partijen zullen in het hiernavolgende worden aangeduid als "[eiseres 1]", "[eiser 2]", "[eiseres 3]", "[eiser 4]" en "HagaZiekenhuis".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 1 augustus 2006, met producties;

- de incidentele conclusie tot verwijzing, tevens houdende conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van antwoord inzake de conclusie tot verwijzing.

Beoordeling

1. De hierboven vermelde processtukken worden als hier ingelast beschouwd.

2. [eiseres1] en [eiseres 3] zijn beide in loondienst werkzaam van HagaZiekenhuis (voorheen Ziekenhuis Leyenburg) te 's-Gravenhage op de afdeling verloskunde.

3. [eiseres 1] is op [geboortedatum] 1998 bevallen van een dochter, [minderjarige A.]. [eiser 2] is de vader van [minderjarige A.]. [minderjarige A.] is geboren zonder anus en heeft in verband daarmee veelvuldige operaties ondergaan.

4. Na de geboorte van [minderjarige A.] is [eiseres 1] nog drie keer zwanger geweest. Alle zwangerschappen zijn geëindigd in een spontane abortus.

5. [eiseres 3] is op [geboortedatum] 1998 bevallen van een zoon, [minderjarige B.]. [eiser 4] is de vader van [minderjarige B.]. [minderjarige B.] is bekend met een niet-erfelijke vorm van het syndroom van Down, alsmede met een verzwakking in de luchtpijp en een niet open aangelegde slokdarm.

6. Eisers stellen dat de handicaps van [minderjarige A.] en [minderjarige B.] en de spontane abortussen van [eiseres 1] het gevolg zijn van het feit dat [eiseres 1] en [eiseres 3] tijdens hun werkzaamheden voor HagaZiekenhuis blootgesteld zijn aan het middel Entonox (lachgas).

7. Eisers vorderen in de onderhavige procedure - zakelijk weergegeven - :

- een verklaring voor recht dat HagaZiekenhuis aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die is geleden en nog zal worden geleden als gevolg van de blootstelling van [eiseres 1] en [eiseres 3] aan lachgas;

- schadevergoeding op te maken bij staat;

- veroordeling van HagaZiekenhuis in de proceskosten.

8. [eiseres 1] en [eiseres 3] baseren hun vordering op de artikelen 7:658 en 611 BW. [eiser 2] en [eiser 4] baseren hun vordering op artikel 6:162 BW.

9. HagaZiekenhuis heeft bij incidentele conclusie tot verwijzing gevorderd dat de zaak wordt verwezen naar de sector civiel van de Rechtbank. Zij voert daartoe aan dat de vorderingen die eisers hebben ingesteld als wettelijk vertegenwoordigers van hun kinderen niet behoren tot het takenpakket van de sector kanton. Dit geldt ook voor de vorderingen van [eiseres 1] en [eiseres 3] voor zichzelf, omdat deze - wellicht met uitzondering van de vordering van [eiseres 1] met betrekking tot de miskramen - afgeleid zijn van de vorderingen van de kinderen zelf. Van samenhang van de vorderingen als bedoeld in art. 94 lid 2 Rv. is geen sprake. Wat daarvan ook zij, is het in ieder geval gerechtvaardigd de zaak op grond van artikel 98 Rv. naar de rechtbank te verwijzen.

10. Eisers voeren verweer in het incident. Zij voeren aan dat de schade is ontstaan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van [eiseres 1] en [eiseres 3]. Daarom is sprake van een aardzaak als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. en behoort deze tot de competentie van de kantonrechter. De vorderingen van [eiser 2] en [eiser 4] als wettelijke vertegenwoordigers zijn gebaseerd op artikel 6:162 BW. Het onrechtmatig handelen van HagaZiekenhuis bestaat uit het handelen in strijd met een wettelijke plicht, namelijk de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW. Door de samenhang tussen de vorderingen is de kantonrechter ingevolge artikel 94 lid 2 Rv. bevoegd om van de vorderingen van [minderjarige A.] en [minderjarige B.] en van [eiser 2] en [eiser 4] kennis te nemen.

11. Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat HagaZiekenhuis onrechtmatig heeft gehandeld jegens [minderjarige A.] en [minderjarige B.]. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vordering van eisers in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [minderjarige A.] en [minderjarige B.] in zoverre niet worden aangemerkt als een vordering betreffende een arbeidsovereenkomst. Dat aan het onrechtmatige handelen van HagaZiekenhuis jegens [minderjarige A.] en [minderjarige B.] ten grondslag wordt gelegd dat HagaZiekenhuis in haar zorgplicht als werkgever jegens [eiseres 1] en [eiseres 3] te kort geschoten is, is voor de toepasselijkheid van art 93 sub c onvoldoende.

12. Dit brengt mee dat de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 93 sub b Rv. niet bevoegd is om te oordelen over de vorderingen van [eiser 2] en [eiser 4]. Het beroep van eisers op artikel 94 lid 2 Rv. gaat niet op. Artikel 94 lid 2 Rv. ziet slechts op het geval waarin een eiser tegen een gedaagde in één dagvaarding meer dan een vordering instelt, waarvan er tenminste één een aardvordering is als bedoeld in artikel 93 Rv. onder c of d Rv.. Artikel 94 lid 2 Rv. ziet met andere woorden op objectieve cumulatie. Een regel voor het geval van subjectieve cumulatie kent de wet niet. Wanneer, zoals in casu, sprake is van meerdere eisers, zal per eiser beoordeeld moeten worden of de kantonrechter bevoegd is.

13. Met betrekking tot de vorderingen van [eiseres 1] en [eiseres 3] is het bepaalde in artikel 94 lid 2 Rv. wel van toepassing, nu hun vorderingen deels gebaseerd zijn op artikel 93 onder c Rv. Gelet op de aard en de omvang van de zaak is de kantonrechter echter van oordeel dat de zaak zich niet leent voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom zal de kantonrechter de zaak met toepassing van artikel 98 Rv. verwijzen naar de meervoudige kamer van de sector civiel van de Rechtbank. Anders dan eisers aan het slot van hun conclusie van antwoord inzake de conclusie tot verwijzing stellen verliezen zij daarmee niet een instantie. Zowel van vonnissen van de kantonrechter als van vonnissen van de sector civiel kan in appel gekomen worden bij het gerechtshof.

Beslissing

De kantonrechter:

1. in de zaken van [eiser 2] en [eiser 4]:

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel;

2. in de zaken van [eiseres 1] en [eiseres 3]:

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel;

3. bepaalt dat partijen procureur dienen te stellen ter rolle van de rechtbank op woensdag 18

april 2007 om 10.00 uur.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.F. Baaij en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2007.