Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1598

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/9251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / China

De gemachtigde van eiser heeft onder meer een beroep gedaan op het ontbreken van reëel zicht op uitzetting in het geval van eiser, nu de Chinese autoriteiten nagenoeg geen laissez-passers verstrekken. De rechtbank komt, evenals eerder onder meer de zittingsplaatsen Rotterdam, Dordrecht en Maastricht, na het stellen van aanvullende vragen aan verweerder, tot het oordeel dat een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank heeft in dit verband van belang geacht dat niet in geschil is dat het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte lp’s vanaf de tweede helft van het jaar 2006 opmerkelijk is gedaald ten opzichte van eerdere jaren en dat sindsdien slechts in 2 à 3 % van de ingediende aanvragen een laissez-passer-akkoord (lp-akkoord) is verstrekt. Verweerder heeft desgevraagd geen enkele oorzaak weten te duiden voor de drastische afname van lp-akkoorden sedert medio 2006 en heeft ook geen aanwijzingen om aan te nemen dat op korte termijn wijziging zal komen in de huidige gang van zaken. Voor het verlenen van uitstel aan verweerder voor het indienen van een nadere cijfermatige onderbouwing heeft de rechtbank geen termen aanwezig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is beantwoording van die vraag ook anders mogelijk dan door middel van een cijfermatige onderbouwing. Daarenboven stelt verweerder ten onrechte dat de tijd voor beantwoording door middel van een cijfermatige onderbouwing (te) kort is geweest. De problematiek van deze daling is immers bij verweerder, die het aantal verstrekte akkoorden - zoals ter zitting is meegedeeld - volgt, reeds geruime tijd bekend of had in elk geval bekend kunnen en moeten zijn. Bij een dermate laag percentage als hiervoor genoemd kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet meer worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting. Dat zou anders kunnen zijn, indien, zoals verweerder stelt, de vraag of de bevoegde autoriteiten wel of geen lp-akkoord afgeven afhankelijk is van de juistheid en of volledigheid van de door een vreemdeling verstrekte gegevens. Door verweerders gemachtigde is ter zitting weliswaar gesteld dat het al dan niet verstrekken van een dergelijk akkoord inderdaad afhankelijk zou zijn van het verstrekken van juiste en volledige gegevens door de vreemdeling, maar de rechtbank is van oordeel dat voor dit door verweerder ingenomen standpunt een voldoende deugdelijke (feitelijke) grondslag ontbreekt. Verweerder heeft dit standpunt immers niet nader onderbouwd en heeft zelfs aangegeven dat het beschikbaar zijn van een (kopie van een) identiteitsondersteunend document evenmin van doorslaggevende betekenis is voor de afgifte van een lp-akkoord. Verweerder heeft voorts ook geen enkel inzicht heeft kunnen verschaffen in de criteria die de Chinese autoriteiten aanleggen om tot een akkoord te komen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het wel of niet meewerken door een vreemdeling met de Chinese nationaliteit van invloed is op, laat staan van doorslaggevende betekenis is voor, de vraag of een lp-akkoord door de bevoegde autoriteiten zal worden afgegeven. Tenslotte zijn door verweerder geen feiten en omstandigheden genoemd, waarom er specifiek in het geval van eiser wel grond is om te veronderstellen dat er voor hem alsnog op korte termijn een lp-akkoord zal worden verstrekt. Voor wat betreft de toekenning van schadevergoeding heeft de rechtbank de bewaring onrechtmatig geacht vanaf 1 maart 2007. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag, gelegd onder verwijzing naar een uitspraak van 16 februari 2007 van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, met procedurenummer AWB 07/969 dat verweerder uit die uitspraak duidelijk heeft moeten en kunnen zijn dat de rechtbank consequenties zou verbinden aan het niet of nauwelijks nog verstrekken van lp-akkoorden door de Chinese autoriteiten en het daardoor niet meer bestaan van reëel zicht op uitzetting. De rechtbank heeft vervolgens een termijn van circa twee weken voldoende geacht voor verweerder om te hebben kunnen bezien tot welke consequentie voormelde uitspraak en de gegevens waarop die uitspraak is gebaseerd in het geval van eiser hadden moeten leiden. Niet gebleken is dat er om andere redenen dan het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting aanleiding is om de bewaring per een eerdere datum dan 1 maart 2007 onrechtmatig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Proc.nr.: AWB 07/9251

Inzake: [eiser], alias [eiser],

volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1950 en van Chinese nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Tilburg,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. G.J.C. van Buuren, advocaat te Weert,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Op 26 augustus 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft op 26 augustus 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, waarna hij op diezelfde datum in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Bij besluit van 6 oktober 2006 is de door eiser ingediende asielaanvraag niet ingewilligd. In verband hiermee is eiser wederom in bewaring gesteld op de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde grond.

Bij beroepschrift van 28 februari 2007 is namens eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 6 maart 2007 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 6 maart 2007.

De rechtbank heeft op 7 maart 2007 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.

Bij fax van 13 maart 2007 heeft verweerder de rechtbank nog nadere informatie doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. A. van Rheenen.

Bij beslissing van 16 maart 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere informatie te verstrekken. Ook heeft de rechtbank de zaak, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:10, tweede lid, van de Awb, doorverwezen naar een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft vervolgens de behandeling hervat ter zitting van 21 maart 2007 en het beroep gevoegd behandeld met een tweetal gelijkende zaken, geregistreerd onder procedurenummers AWB 07/7928 en AWB 07/9389. Eiser is niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw G.I. Ramsaroep. In de gevoegd behandelde zaken zijn eisers eveneens niet in persoon verschenen, doch hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. I.K Kolev respectievelijk mr. I.M. van Kuilenburg.

Na de gevoegde behandeling heeft de rechtbank de zaken gesplitst en in iedere zaak separaat uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans allereerst de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser. Het is aan verweerder om op grond van concrete op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat bedoeld reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn daadwerkelijk aanwezig is dan wel dat het aan eiser zelf te wijten is dat dit zicht op uitzetting ontbreekt.

Namens eiser is aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting naar China bestaat, omdat slechts in 2,8% van de gevallen waarin een laisser-passer (lp) is gevraagd, een lp is verstrekt. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht ter zake van zijn uitzetting.

Hierbij is van belang dat de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage vele onduidelijkheden bevat waardoor niet valt af te leiden wanneer de aanvraag tot afgifte van een lp bij de Chinese autoriteiten is ingediend en op welke data verweerder heeft gerappelleerd naar de stand van zaken daaromtrent.

Verweerder heeft bij de behandeling van het beroep op 14 maart 2007 verklaard dat er door de Chinese autoriteiten lp’s worden afgegeven. Onder verwijzing naar het schrijven van 13 maart 2007 is gesteld dat sedert juni 2006 door de diplomatieke vertegenwoordiging van China 15 zogenoemde lp-akkoorden door de Chinese autoriteiten zijn verstrekt. De verstrekking van die akkoorden is in hoge mate afhankelijk van de door de vreemdeling zelf aangedragen gegevens, waarbij in voormelde gevallen veelal een (kopie) van een identiteitsdocument voorhanden was. Er wordt een actieve houding van de vreemdeling verwacht en een intensieve bijdrage ten aanzien van het aanleveren van gegevens die betrekking hebben op de identiteit en nationaliteit. Verweerder controleert de gegevens die benodigd zijn voor het indienen van een verzoek tot afgifte van een lp slechts marginaal. Indien bij aanvragen voor een lp voor China slechts de naam, de geboortedatum en geboorteplaats wordt ingevuld, wordt de aanvraag reeds ingezonden, ongeacht of de rest van het formulier is ingevuld. De beoordeling of de door de vreemdeling gegeven informatie juist is, behoort tot de competentie van de diplomatieke vertegenwoordiging, aldus verweerder.

Bij de heropening van het onderzoek heeft de rechtbank verweerder een aantal vragen voorgelegd. De bedoelde vragen zijn door verweerder ter zitting van 21 maart 2007 beantwoord door middel van het overleggen van een schrijven van 20 maart 2007 en een mondelinge toelichting. In het schrijven van 20 maart 2007 is – voor zover in dit verband van belang – het volgende opgenomen:

“1 Waarin is de oorzaak gelegen van de significante daling in het aantal laissez-passer (LP) – akkoorden dat door de Chinese autoriteiten is afgegeven in 2006.

Verweerder bestudeert dit hierop binnen de door uw rechtbank gegunde termijn geen antwoord geven. Veel moet op dossierniveau uitgezocht en geverifieerd worden.

Verweerder merkt wel op dat fluctuaties in de aantallen afgegeven lp’s voorkomen. Binnen de door uw rechtbank gestelde termijn kan verweerder echter niet met een (cijfermatige) onderbouwing komen.

2 Zijn er concrete aanwijzingen op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat het percentage akkoorden op korte termijn zal stijgen?

3 Zo ja, welke?

Neen, deze aanwijzingen zijn thans niet voorhanden. Zoals reeds eerder is vermeld fluctueert het aantal LP akkoorden per jaar. Een missie naar China wordt voorbereid voor de tweede helft van mei dit jaar waarbij de afgifte van vervangende reisdocumenten hoog op de agenda staat.

4 Uit uw schriftelijke reactie van 13 maart 2007 (b)lijkt te volgen dat bij de 15 LP akkoorden die sedert juni 2006 zijn verstrekt, het voorhanden zijn van een identiteitsondersteunend document een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Zijn dat de enige gevallen waarbij dergelijke documenten voorhanden waren en zo nee, in hoeveel gevallen zijn ook dergelijke documenten overgelegd maar is desalniettemin nog geen akkoord verstrekt

Niet gesteld kan worden dat het overleggen van een (kopie) van een identiteits-ondersteunend document van doorslaggevende betekenis is, immers, ook in gevallen waarin geen identiteitsondersteunend document aanwezig was, zijn er wel LP akkoorden afgegeven. Hierbij geldt dat zijdens DT&V vaak niet kan worden vastgesteld of de door de vreemdeling verstrekte informatie en documentatie, waaronder (kopieën) van identiteitsondersteunende documenten, ook juist is. Wel is het zo dat naar aanleiding van alle aanvullende informatie, mits correct, door de Chinese autoriteiten beter onderzoek kan worden gedaan.

5 Hoeveel tijd is er in de gevallen dat de aanvraag ondersteund werd met documenten gemiddeld genomen gelegen tussen de aanvraag en de verstrekking van het LP akkoord?

In die gevallen waarin in 2006 een lp is afgegeven, is gebleken dat de duur tussen het indienen van de LP aanvraag bij de Chinese consul en het verkrijgen van een positief antwoord op de afgifte van een LP akkoord circa 2 ½ maand bedraagt. Individueel kan dit variëren tussen één week en 7 ½ maand.

Daarbij moet worden aangetekend dat nog dat alleen de Chinese autoriteiten kunnen aangeven in hoeverre ondersteunende informatie heeft geleid tot een kortere doorlooptijd en deze informatie wordt door hen niet verstrekt.”

Vervolgens overweegt de rechtbank allereerst geen grond te zien voor een heropening van het onderzoek teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de beantwoording van vraag 1 nog cijfermatig te onderbouwen zoals door de gemachtigde van verweerder is verzocht bij de behandeling ter zitting op 21 maart 2007. Naar het oordeel van de rechtbank is beantwoording van die vraag ook anders mogelijk dan door middel van een cijfermatige onderbouwing. Daarenboven stelt verweerder ten onrechte dat de tijd voor beantwoording door middel van een cijfermatige onderbouwing (te) kort is geweest,. De problematiek van deze daling is immers bij verweerder, die het aantal verstrekte akkoorden - zoals ter zitting is meegedeeld - volgt, reeds geruime tijd bekend of had in elk geval bekend kunnen en moeten zijn. Bovendien is deze problematiek bij diverse andere zaken op diverse eerdere tijdstippen door andere zittingsplaatsen eveneens reeds aan de orde gesteld.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte lp’s vanaf de tweede helft van het jaar 2006 opmerkelijk is gedaald ten opzichte van eerdere jaren en dat sindsdien slechts in 2 à 3 % van de ingediende aanvragen een lp is verstrekt.

Bij een dermate laag percentage kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet meer worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting.

Dat zou anders kunnen zijn, indien, zoals verweerder stelt, de vraag of de bevoegde autoriteiten wel of geen lp akkoord afgeven afhankelijk is van de juistheid en of volledigheid van de door een vreemdeling verstrekte gegevens.

Weliswaar is door verweerders gemachtigde ter zitting nog gesteld, zoals ook in het schrijven van 13 maart 2007 is verwoord, dat het al dan niet verstrekken van een dergelijk akkoord inderdaad afhankelijk zou zijn van het verstrekken van juiste en volledige gegevens door de vreemdeling, maar de rechtbank is van oordeel dat voor dit door verweerder ingenomen standpunt een voldoende deugdelijke (feitelijke) grondslag ontbreekt. Zo blijkt uit de bovenweergegeven beantwoording van de vragen dat zelfs het beschikbaar zijn van een (kopie van een) identiteitsondersteunend document niet van doorslaggevende betekenis is voor de afgifte van een akkoord. Verweerder heeft ook ter zitting op nadere vragen geen enkel inzicht kunnen verschaffen in de criteria die de Chinese autoriteiten aanleggen om te komen tot een lp-akkoord. Zo zijn bijvoorbeeld enkele van de 15 akkoorden klaarblijkelijk afgegeven zonder dat (kopie) documenten voorhanden waren. Door verweerder is bovendien bevestigd dat het voorhanden zijn van kopie documenten en andere (identiteits)-ondersteunende gegevens geen enkele garantie bieden op een akkoord.

Niet gezegd kan dan ook worden dat het wel of niet meewerken door een vreemdeling met de Chinese nationaliteit van invloed is op, laat staan van doorslaggevende betekenis is voor, de vraag of een lp-akkoord door de bevoegde autoriteiten zal worden afgegeven.

Nu de op zich zelf bezien reeds zeer kleine kans van afgifte van een lp-akkoord derhalve niet afhankelijk blijkt te zijn van de door de vreemdeling verstrekte gegevens, kan dan ook niet langer gezegd worden dat er voor vreemdelingen met de Chinese nationaliteit nog een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. Hierbij is voorts van belang dat verweerder geen enkele oorzaak weet te duiden voor de drastische afname van lp-akkoorden sedert medio 2006 en ook geen aanwijzingen heeft om aan te nemen dat op korte termijn wijziging zal komen in de huidige gang van zaken. Tenslotte zijn door verweerder geen feiten en omstandigheden genoemd, waarom er specifiek in het geval van eiser wel grond is om te veronderstellen dat er voor hem alsnog op korte termijn een lp-akkoord zal worden verstrekt.

Het vorenstaande brengt met zich dat voor eiser geen sprake meer is van het voor de voortduring van de bewaring vereiste reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de voortzetting van de bewaring van eiser onrechtmatig is te achten.

Het beroep dient derhalve op grond van het vorenstaande reeds gegrond te worden verklaard.

Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld met ingang van welke datum de bewaring onrechtmatig is te achten. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 februari 2007 (procedurenummer AWB 07/4159) de bewaring tot 7 februari 2007 rechtmatig geacht.

De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat de bewaring met ingang van 1 maart 2007 onrechtmatig is te achten. De rechtbank legt hieraan ten grondslag, onder verwijzing naar een uitspraak van 16 februari 2007 van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, met procedurenummer AWB 07/969 dat verweerder uit die uitspraak duidelijk heeft moeten en kunnen zijn dat de rechtbank consequenties zou verbinden aan het niet of nauwelijks nog verstrekken van lp-akkoorden door de Chinese autoriteiten en het daardoor niet meer bestaan van reëel zicht op uitzetting. De rechtbank acht vervolgens een termijn van circa twee weken voldoende voor verweerder om te hebben kunnen bezien tot welke consequentie voormelde uitspraak en de gegevens waarop die uitspraak is gebaseerd in het geval van eiser had moeten leiden. Niet gebleken is dat er om andere redenen dan het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting aanleiding is om de bewaring per een eerdere datum dan 1 maart 2007 onrechtmatig te achten.

Nu de inbewaringstelling blijkens het voorgaande met ingang van 1 maart 2007 onrechtmatig is bevonden, acht de rechtbank termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

Eiser komt over de periode van 1 maart 2007 tot 22 maart 2007, zijnde 21 dagen schadevergoeding toe.

Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

In totaal bedraagt de schadevergoeding 21 x € 70,= is € 1.470,=.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 805,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting

0,5 punt voor de nadere behandeling ter zitting;

waarde per punt € 322,=;

wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gericht tegen de voortzetting van de bewaring gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 22 maart 2007;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1.470,=;

bepaalt dat de uitbetaling aan eiser geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 805,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), E.J.M. Boogaard-Derix en L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort als griffier en in het openbaar uitgesproken op

22 maart 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.470,= (ZEGGE: DUIZEND VIERHONDERDENZEVENTIG EURO)

Aldus gedaan op 22 maart 2007 door mr. F.H. Machiels.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: