Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1576

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/43690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / ongewenstverklaring / artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag / 3 EVRM

Verzoeker, in het bezit van de Nepalese nationaliteit, heeft op 16 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 11 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Bij uitspraak van 2 juli 2004 heeft de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,

het daartegen ingestelde beroep van 5 mei 2003 (AWB 03/26897) gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2003 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het haar niet is gebleken dat verweerder – op de wijze als uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2004 (JV 2004/279) – heeft onderzocht of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Nepal. Hierop heeft verweerder bij besluit van 5 september 2006 andermaal afwijzend op de aanvraag van 16 juni 2002 beslist. Tegen dit besluit is op 7 september 2006 beroep ingesteld (AWB 06/43688). Tevens heeft verweerder, nu verweerder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing acht, verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voor zover het de ongewenstverklaring betreft, is tegen het besluit van 5 september 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting was op het bezwaar nog niet beslist. Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van 2 juli 2004 stelt de voorzieningenrechter vast dat niet meer ter discussie staat dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht in verband met verzoekers lidmaatschap van en werkzaamheden voor de Nepal Communist Party (CPN). De voorzieningenrechter overweegt vervolgens, voorlopig oordelend, dat verweerder in deze tegenwerping op zichzelf grond heeft kunnen zien om te komen tot het standpunt dat verzoekers aanwezigheid hier te lande in strijd is met het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank over de vraag of bij uitzetting van verzoeker sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, in de eerdere uitspraak van 2 juli 2004 nog niet inhoudelijk heeft geoordeeld. Tevens constateert de voorzieningenrechter, gelet op de redactie van het bestreden besluit van 5 september 2006, dat verweerder in het besluit tot ongewenstverklaring niet, althans niet kenbaar, heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM. Gelet op het verhandelde ter zitting in de beroepszaak (AWB 06/43688), waarvan partijen ter zitting desgevraagd naar voren hebben gebracht dat dit als herhaald en ingelast kan worden beschouwd in de onderhavige voorzieningenprocedure, komt de voorzieningenrechter evenwel tot het voorlopig oordeel dat het bepaalde in artikel 3 van het EVRM niet aan de ongewenstverklaring in de weg staat. Het beroep van verzoeker ter zitting op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 januari 2007 (‘Salah Sheekh’, gepubliceerd in JV 2007/30) doet aan vorenstaand voorlopig oordeel niet af. Anders dan in de zaak van Salah Sheekh het geval was, is verzoeker – hetgeen ook verder niet ter discussie staat – niet reeds in zijn land van herkomst ten prooi gevallen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zijdens partijgenoten van de CPN. De verwijzing door verzoekers gemachtigde naar de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2006 geschetste folterpraktijken van de Maoïsten, wat hier overigens ook van zij, treft in dit verband evenmin doel, daar blijkens voorgaande overwegingen niet aannemelijk is dat verzoeker als afvallig Maoïst bij zijn voormalige partijgenoten te boek staat. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de meervoudige kamer van rechtbank vastgesteld dat het besluit tot ongewenstverklaring nog voortduurt en er derhalve geen belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juli 2006 (JV 2006/347) is het beroep van 7 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 06/43690

Inzake: [verzoeker], verzoeker,

gemachtigde mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie te ‘s Gravenhage,

verweerder.

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Tevens heeft verweerder verzoeker bij dat besluit tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Bij schrijven van 7 september 2006 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het voormelde besluit, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 06/43688.

Voor zover verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 ongewenst is verklaard, heeft verzoeker bij schrijven van 7 september 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tevens heeft verzoeker op 7 september 2006 onderhavig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter (de rechter) van de rechtbank.

Bij schrijven van 6 oktober 2006 heeft verzoeker de gronden van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op 6 februari 2007, alwaar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F.M. Ticheler.

Eveneens op 6 februari 2007 is het vorenvermelde beroep ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenafweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening. In het kader van die belangenafweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

De rechter gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten.

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1964 en is in het bezit van de Nepalese nationaliteit. Verzoeker heeft op 16 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Voor een weergave van verzoekers asielrelaas verwijst de rechter naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 juli 2004 (AWB 03/26897). Niet gesteld is dat deze weergave onjuist of onvolledig zou zijn.

Bij besluit van 11 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76), hierna het Vluchtelingenverdrag.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 5 mei 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij meergenoemde uitspraak van 2 juli 2004 heeft de rechtbank het beroep van 5 mei 2003 gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2003 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het haar niet is gebleken dat verweerder – op de wijze als uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2004 (JV 2004/279) – heeft onderzocht of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Nepal.

Hierop heeft verweerder bij besluit van 5 september 2006 andermaal afwijzend op de aanvraag van 16 juni 2002 beslist. Tevens heeft verweerder, nu verweerder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing acht, verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voor zover het de ongewenstverklaring betreft, is tegen het besluit van 5 september 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting was op het bezwaar nog niet beslist.

Overwogen wordt als volgt.

Ter beantwoording van de vraag of aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening is voldaan, overweegt de rechter als volgt.

In de gronden van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 6 oktober 2006 staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“(..) Op grond van deze overwegingen vraagt de heer [verzoeker] aan Uw rechtbank:

a. de rechtsgevolgen van de tegen verzoeker opgelegde ongewenstverklaring op te schorten alsmede verweerder te gelasten maatregelen gericht op verwijdering van verzoeker achterwege te laten totdat in beroep uitspraak is gedaan; (..)”

Gelet op de verklaringen van verzoekers gemachtigde ter zitting als ook hetgeen over de ongewenstverklaring in de ter zitting overgelegde pleitnotitie is gesteld, concludeert de rechter dat beoogd is om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (enkel) connex te doen zijn aan het bezwaar tegen de ongewenstverklaring en niet (tevens) aan het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De rechter zal derhalve uitsluitend beoordelen of het vorenbedoelde bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Voorts kan niet worden gezegd dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker loopt immers het risico te worden uitgezet, aangezien verweerder bij het bestreden besluit tevens te kennen heeft gegeven dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten en dat het instellen van rechtsmiddelen deze vertrekplicht niet opschort. Hierbij komt tevens dat de ongewenstverklaring onder meer het rechtsgevolg heeft dat verder verblijf van verzoeker in Nederland strafbaar is.

Vervolgens wordt als volgt overwogen.

Artikel 67 van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling, in de in deze bepaling genoemde gevallen, ongewenst kan worden verklaard.

Zo kan de vreemdeling ingevolge het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 door verweerder ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

Uit onderdeel B1/2.2.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) – zoals dat gold ten tijde hier van belang – blijkt, voor zover hier van belang, dat bij toepassing van de ongewenstverklaring de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig moeten worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is ingediend. In dit beleidsonderdeel is voorts als toelichting op voornoemd onderdeel van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 bepaald dat een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst kan worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

Volgens het in rubriek I genoemde in beroep bestreden besluit op de asielaanvraag kan verzoeker artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. Het besluit tot ongewenstverklaring is gebaseerd op deze tegenwerping.

Verzoeker heeft daartegen gemotiveerd gesteld dat verweerder met het besluit tot ongewenstverklaring in strijd handelt met het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In het kader van de in de onderhavige voorzieningenprocedure te maken belangenafweging, ziet de rechter zich gesteld voor de vraag of het bezwaar van verzoeker tegen het besluit tot ongewenstverklaring een redelijke kans van slagen heeft. De rechter zal daarbij een afweging maken tussen enerzijds het door verzoeker gestelde belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, waaronder de door hem gevraagde bescherming tegen uitzetting in strijd met artikel 3 van het EVRM, en anderzijds het belang van verweerder bij de (onmiddellijke) uitzetting van verzoeker uit Nederland, gelegen in verweerders standpunt dat de aanwezigheid van verzoeker hier te lande in strijd is met het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 2 juli 2004 stelt de rechter vast dat niet meer ter discussie staat dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht in verband met verzoekers lidmaatschap van en werkzaamheden voor de Nepal Communist Party (CPN). Hierbij heeft de rechter in aanmerking genomen dat tegen de uitspraak van 2 juli 2004 geen hoger beroep is ingesteld, zodat deze uitspraak in rechte is komen vast te staan. Voorts zijn nadien zijdens verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die verweerder tot een herbeoordeling van de tegenwerping van artikel 1F voornoemd hadden moeten bewegen.

De rechter overweegt vervolgens, voorlopig oordelend, dat verweerder in deze tegenwerping op zichzelf grond heeft kunnen zien om te komen tot het standpunt dat verzoekers aanwezigheid hier te lande in strijd is met het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Hierbij heeft de rechter in aanmerking genomen dat de door verzoeker betuigde spijt van zijn wandaden als Maoïst, wat hier ook van zij, het besluit tot ongewenstverklaring op zichzelf niet buitenproportioneel maakt. Ook de stelling dat de CPN inmiddels als voormalige verzetspartij mede verantwoordelijk is voor de politieke koers in Nepal, heeft verweerder niet tot de conclusie hoeven leiden dat Nederland de internationale betrekkingen niet zal schaden door verzoeker verblijf hier te lande toe te staan.

Vervolgens overweegt de rechter dat de rechtbank over de vraag, of bij uitzetting van verzoeker sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, in de eerdere uitspraak van 2 juli 2004 nog niet inhoudelijk heeft geoordeeld. Tevens constateert de rechter, gelet op de redactie van het bestreden besluit van 5 september 2006, dat verweerder in het besluit tot ongewenstverklaring niet, althans niet kenbaar, heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM. Gelet op het verhandelde ter zitting in de beroepszaak, waarvan partijen ter zitting desgevraagd naar voren hebben gebracht dat dit als herhaald en ingelast kan worden beschouwd in de onderhavige voorzieningenprocedure, komt de rechter evenwel tot het voorlopig oordeel dat het bepaalde in artikel 3 van het EVRM niet aan de ongewenstverklaring in de weg staat. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat verzoeker bij uitzetting naar Nepal een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Ter onderbouwing van zijn beroep op voornoemd artikel heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker vreest enerzijds de Nepalese autoriteiten, omdat hij lid is geweest van en werkzaamheden heeft verricht voor de CPN. Anderzijds vreest verzoeker bij uitzetting naar Nepal blootgesteld te worden aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling zijdens de Maoïsten, omdat hij Nepal is ontvlucht met een deel van de buit die hij samen met andere Maoïsten had veroverd tijdens een bankoverval op 23 november 2001. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verzoeker in dit verband verwezen naar:

- een rapport van Amnesty International van 12 april 2005, getiteld “Nepal – Killing with impunity”;

- het jaarrapport 2005 van Amnesty International inzake Nepal van 23 mei 2006;

- hoofdstuk I (Summary) van het rapport van Human Rights Watch van 1 maart 2005, getiteld “Clear culpability / “disappearances” bij Security Forces in Nepal”

- het rapport Manfred Nowak van de United Nationans Commission on Human Rights (UNHCHR) inzake Nepal van 9 januari 2006 en

- het rapport van de UNHCHR van september 2006, getiteld “Human rights abuses by the CPN-M, summary of concerns”.

Voorts heeft verzoeker op 19 januari 2007 een afschrift overgelegd van een brief van 26 februari 2002, die hij via zijn familie heeft ontvangen van de CPN.

De rechter volgt, voorlopig oordelend, het standpunt van verweerder dat verzoeker met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker bij terugkeer naar Nepal onderworpen zal worden aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Verzoeker heeft niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij de Nepalese autoriteiten op dit moment bekend staat als een (voormalig) actief lid van de Maoïsten en dat hij derhalve bij terugkeer naar Nepal te duchten heeft voor die autoriteiten. Evenmin heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij binnen de CPN in de negatieve belangstelling staat. In dit verband is de rechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekers verklaring, dat zijn ware identiteit inmiddels binnen de CPN bekend zal zijn en dat de partij hem verantwoordelijk houdt voor het achterhouden van ten behoeve van de partij buitgemaakte gelden, enkel op vermoedens is gestoeld. In dit verband overweegt de rechter dat verweerder aan de op 19 januari 2007 toegezonden brief van de CPN van 26 februari 2002 niet de waarde heeft hoeven hechten die verzoeker daaraan verbonden wenst te zien. De rechter volgt het dienaangaande door verweerder in het verweerschrift van 2 februari 2007 ingenomen en ter zitting herhaalde standpunt dat, nog daargelaten dat verweerder nog niet heeft kunnen onderzoeken of het een authentiek document betreft, niet valt in te zien waarom verzoeker dit document uit 2002 eerst in 2007 in de procedure heeft gebracht. Wat er verder ook moge zijn van de omstandigheid dat verzoeker in dat document wordt betiteld als ‘penningmeester bij de financiële afdeling’ terwijl verzoeker volgens zijn eigen verklaringen een dergelijke functie nimmer heeft bekleed, komt het de rechter niet aannemelijk voor dat de familie van verzoeker eerst in 2004 in het bezit is gekomen van deze brief en het vervolgens tot ‘ergens in 2005’, zoals ter zitting is verklaard, heeft geduurd voordat het contact met de familie is hersteld en deze verzoeker op de hoogte heeft kunnen brengen van de brief. Volgens de verklaring van eiser ter zitting heeft er eerst toen telefoonverkeer kunnen plaatsvinden, hetgeen de rechter een weinig aannemelijke verklaring acht. Bovendien is deze verklaring ook niet verder onderbouwd. Voor zover in dit verband toch van de door verzoekers gemachtigde gegeven verklaring moet worden uitgegaan, had het bovendien op de weg van verzoeker gelegen om ervoor te zorgen dat de brief reeds in 2005 aan hem zou worden toegestuurd. Gesteld noch gebleken is dat dit in 2005 niet mogelijk was.

Het beroep van verzoeker ter zitting op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 januari 2007 (‘Salah Sheekh’, gepubliceerd in JV 2007/30) doet aan vorenstaand voorlopig oordeel niet af. Anders dan in de zaak van Salah Sheekh het geval was, is verzoeker – hetgeen ook verder niet ter discussie staat – niet reeds in zijn land van herkomst ten prooi gevallen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zijdens partijgenoten van de CPN. De verwijzing door verzoekers gemachtigde naar de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2006 geschetste folterpraktijken van de Maoïsten, wat hier overigens ook van zij, treft in dit verband evenmin doel, daar blijkens voorgaande overwegingen niet aannemelijk is dat verzoeker als afvallig Maoïst bij zijn voormalige partijgenoten te boek staat.

Het bovenstaande leidt de rechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren en

dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechter niet gebleken. In dit verband overweegt de rechter volledigheidshalve dat hij in de omstandigheid, dat verweerder in het bestreden primaire besluit tot ongewenstverklaring niet (kenbaar) heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM, geen termen aanwezig acht om verweerder in de door verzoeker gemaakte kosten als vorenbedoeld te veroordelen.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: