Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1574

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/43688
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nepal / voorlopige voorziening / 3 EVRM / 1F Vluchtelingenverdrag

Verzoeker, in het bezit van de Nepalese nationaliteit, heeft op 16 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 11 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Bij uitspraak van 2 juli 2004 heeft de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,

het daartegen ingestelde beroep van 5 mei 2003 (AWB 03/26897) gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2003 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het haar niet is gebleken dat verweerder – op de wijze als uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2004 (JV 2004/279) – heeft onderzocht of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Nepal. Hierop heeft verweerder bij besluit van 5 september 2006 andermaal afwijzend op de aanvraag van 16 juni 2002 beslist. Tegen dit besluit is op 7 september 2006 beroep ingesteld (AWB 06/43688). Tevens heeft verweerder, nu verweerder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing acht, verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voor zover het de ongewenstverklaring betreft, is tegen het besluit van 5 september 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting was op het bezwaar nog niet beslist. Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van 2 juli 2004 stelt de voorzieningenrechter vast dat niet meer ter discussie staat dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht in verband met verzoekers lidmaatschap van en werkzaamheden voor de Nepal Communist Party (CPN). De voorzieningenrechter overweegt vervolgens, voorlopig oordelend, dat verweerder in deze tegenwerping op zichzelf grond heeft kunnen zien om te komen tot het standpunt dat verzoekers aanwezigheid hier te lande in strijd is met het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank over de vraag of bij uitzetting van verzoeker sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, in de eerdere uitspraak van 2 juli 2004 nog niet inhoudelijk heeft geoordeeld. Tevens constateert de voorzieningenrechter, gelet op de redactie van het bestreden besluit van 5 september 2006, dat verweerder in het besluit tot ongewenstverklaring niet, althans niet kenbaar, heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM. Gelet op het verhandelde ter zitting in de beroepszaak (AWB 06/43688), waarvan partijen ter zitting desgevraagd naar voren hebben gebracht dat dit als herhaald en ingelast kan worden beschouwd in de onderhavige voorzieningenprocedure, komt de voorzieningenrechter evenwel tot het voorlopig oordeel dat het bepaalde in artikel 3 van het EVRM niet aan de ongewenstverklaring in de weg staat. Het beroep van verzoeker ter zitting op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 januari 2007 (‘Salah Sheekh’, gepubliceerd in JV 2007/30) doet aan vorenstaand voorlopig oordeel niet af. Anders dan in de zaak van Salah Sheekh het geval was, is verzoeker – hetgeen ook verder niet ter discussie staat – niet reeds in zijn land van herkomst ten prooi gevallen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zijdens partijgenoten van de CPN. De verwijzing door verzoekers gemachtigde naar de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2006 geschetste folterpraktijken van de Maoïsten, wat hier overigens ook van zij, treft in dit verband evenmin doel, daar blijkens voorgaande overwegingen niet aannemelijk is dat verzoeker als afvallig Maoïst bij zijn voormalige partijgenoten te boek staat. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de meervoudige kamer van rechtbank vastgesteld dat het besluit tot ongewenstverklaring nog voortduurt en er derhalve geen belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juli 2006 (JV 2006/347) is het beroep van 7 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 06/43688

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie te ’s Gravenhage,

verweerder.

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Tevens heeft verweerder eiser bij dat besluit tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Bij schrijven van 7 september 2006 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het voormelde besluit, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft.

Voor zover eiser bij het besluit van 5 september 2006 ongewenst is verklaard, heeft eiser bij schrijven van 7 september 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tevens heeft eiser op 7 september 2006 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 06/43690.

Bij schrijven van 6 oktober 2006 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank ter zitting van 6 februari 2007, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F.M. Ticheler.

Op 6 februari 2007 is voorts het vorenvermelde verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter ter zitting behandeld.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1964 en is in het bezit van de Nepalese nationaliteit. Eiser heeft op 16 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Voor een weergave van eisers asielrelaas verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 juli 2004 (AWB 03/26897). Niet is gesteld dat deze weergave onjuist of onvolledig zou zijn.

Bij besluit van 11 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag).

Tegen dit besluit heeft eiser op 5 mei 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij meergenoemde uitspraak van 2 juli 2004 heeft de rechtbank het beroep van 5 mei 2003 gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2003 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat haar niet is gebleken dat verweerder – op de wijze als uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2004 (JV 2004/279) – heeft onderzocht of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Nepal.

Hierop heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 5 september 2006 andermaal afwijzend op de aanvraag van 16 juni 2002 beslist. Tevens heeft verweerder, nu hij artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing acht, verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voor zover het de ongewenstverklaring betreft, is tegen het besluit van 5 september 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting was op het bezwaar nog niet beslist.

Aan de orde is thans de vraag of het besluit van 5 september 2006, voor zover hierbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen, in rechte stand kan houden.

Alvorens aan beantwoording van die vraag toe te komen, ziet de rechtbank zich echter allereerst ambtshalve geplaatst voor de vraag of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van besluit van 5 september 2006, voor zover het de afwijzing van de gevraagde asielvergunning betreft, nu eiser bij dat besluit tevens tot ongewenst vreemdeling is verklaard. De rechtbank beantwoordt laatstgenoemde vraag ontkennend, waartoe zij als volgt overweegt.

In de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2006 (JV 2006/347) is – voor zover thans relevant – het volgende overwogen:

“(..) Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 december 2004 in zaak no. 200408722/1, JV 2005/60), is het gevolg dat voormelde bepaling aldus aan de ongewenstverklaring verbindt dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang zij voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang deze ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 immers geen rechtmatig verblijf hebben. (..)

2.4. De ongewenstverklaring van de vreemdeling duurde ten tijde hier van belang voort. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 januari 2005 kon derhalve niet leiden tot het ermee beoogde resultaat, aangezien hij bij vernietiging van dat besluit weer over een verblijfsvergunning zou moeten kunnen beschikken, doch artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 zich tegen het rechtsgevolg daarvan verzet. De vreemdeling had derhalve geen belang bij het door hem tegen het besluit van 20 januari 2005 ingestelde beroep en de rechtbank had dat om die reden niet ontvankelijk moeten verklaren. Zij heeft dat niet gedaan. (..)”

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de overwegingen uit de uitspraak van voornoemd rechtscollege niet van toepassing te achten in de situatie van eiser. Zoals reeds overwogen, heeft verweerder immers bij besluit van

5 september 2006 – gelijktijdig met de afwijzing van de asielaanvraag – besloten om eiser tot ongewenst vreemdeling te verklaren. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden van de voorzieningenrechter tot afwijzing van het meergenoemde verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 7 september 2006, stelt de rechtbank vast dat dit besluit tot ongewenstverklaring thans nog voortduurt en er derhalve geen belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het onderliggende beroep. Eiser kan met dit beroep immers niet bereiken wat hij beoogt, namelijk verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Artikel 67, derde lid, van de Vw 200 verzet zich immers tegen het rechtsgevolg van de beoogde vergunningverlening, namelijk rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw 2000.

Bijgevolg dient het beroep voor niet ontvankelijk te worden gehouden.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door de mr. F.H. Machiels (voorzitter), mr. V.P. van Deventer en

mr.drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: