Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1563

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/58302
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning / motiveringsgebrek / rechtmatig verblijf / bevoegdheid ongewenstverklaring.

De verblijfsvergunning van eiser is op 13 december 2001 ingetrokken op omdat aan hem op basis van onjuiste gegevens (verstrekt door zijn beweerdelijke ouders) in 1996 ten onrechte een verblijfsvergunning is verleend. Bij beschikking van 27 november 2003 is eiser ongewenst verklaard op de voet van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 wegens diverse criminele antecedenten. De bezwaren tegen de intrekking en de ongewenstverklaring zijn bij besluit van

21 december 2005 ongegrond verklaard. Gelet op de samenloop en de ontvankelijkheidsvraag ten aanzien van het beroep betreffende de intrekking wordt eerst het beroep betreffende de ongewenstverklaring beoordeeld. Eiser heeft aangevoerd tegen de ongewenstverklaring dat verweerder de gebezigde bepaling hieraan niet ten grondslag heeft mogen leggen, omdat het rechtmatig verblijf van eiser niet (onherroepelijk) was beëindigd. Vast staat dat eiser, voorafgaand aan de intrekking, rechtmatig verblijf genoot op grond van 8, aanhef en onder a van de Vw 2000. De te bieden rechtsbescherming brengt met zich mee dat de rechtbank zich bij het beoordelen van de ongewenstverklaring dient te buigen over de vraag of de intrekking de rechterlijke toets kan doorstaan. De bevoegdheid om een vreemdeling ongewenst te verklaren op de gebezigde grondslag hangt immers, gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 67 van de Vw 2000, mede af van de (on)rechtmatigheid van het verblijf van eiser in Nederland en daarmee van het antwoord op de vraag of verweerder bij het beslissen op bezwaar tegen de intrekking adequaat heeft gereageerd op hetgeen door eiser is ingebracht. Eiser heeft in bezwaar en beroep tegen de intrekking aangevoerd dat verweerder geen goede (kenbare) belangenafweging heeft gemaakt betreffende eisers family life als bedoeld in artikel 8 EVRM. In het bestreden besluit ten aanzien van de intrekking is hieraan geen overweging gewijd. Verweerder heeft derhalve niet adequaat op de bezwaren gereageerd. Het bestreden besluit zou dan ook in zoverre de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan. Verweerder kon er bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring dan ook niet van uitgaan dat eiser geen rechtmatig verblijf genoot op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e dan wel l van de Vw 2000. De bevoegdheid van verweerder om eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, is niet komen vast te staan. Het bestreden besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring is om die reden genomen in strijd met de wet, reden voor gegrondverklaring en vernietiging. Dit gebrek geldt evenzeer de ongewenstverklaring in primo. Rechtens is er geen andere conclusie mogelijk dan dat het besluit in primo wegens strijd met de wet niet in stand kan blijven. Het bezwaar van 12 december 2003 tegen de ongewenstverklaring zal worden gegrond verklaard en het besluit in primo herroepen. Nu de ongewenstverklaring zal worden herroepen, is eiser ontvankelijk in zijn beroep betreffende de intrekking. Zoals reeds overwogen is dit deel van het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert het een draagkrachtige motivering. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond en het bestreden besluit zal ook hierom worden vernietigd, onder bepaling dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar betreffende de intrekking beslist..

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/246 met annotatie van BKO
RV20070081 met annotatie van Groenewegen F.T. Taco
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/58302

V-nr: 161.000.3382

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1985, van Somalische nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: drs. J.R. Toussaint, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 1 november 2001 heeft de Vreemdelingendienst van de regiopolitie Hollands Midden een voorstel tot intrekking gedaan ten aanzien van de op 15 juli 1999 aan eiser verleende vergunning. Bij besluit van 13 december 2001 is de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Hiertegen heeft eiser op 13 mei 2003 bezwaar ingediend welk bezwaar door verweerder bij besluit van 4 november 2003 niet-ontvankelijk is verklaard. Het daartegen door eiser op 1 december 2003 ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem (AWB 03/62645) op 11 april 2005 gegrond verklaard, bij welke uitspraak het besluit van 4 november 2003 is vernietigd. Het bezwaar tegen de intrekkingsbeschikking is vervolgens bij besluit van 21 december 2005 door verweerder ongegrond verklaard.

2. Bij beschikking van 27 november 2003 is eiser ongewenst verklaard, waartegen eiser op 12 december 2003 bezwaar heeft gemaakt. Op 9 augustus 2005 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring is bij eerdergenoemd besluit van 21 december 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 22 december 2005 heeft eiser tegen het besluit van 21 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 23 januari 2006. Op 7 februari 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 mei 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser is op elfjarige leeftijd Nederland ingereisd. Op 21 mei 1996 is aan [naam] een verblijfsvergunning verleend onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam]”. Deze verblijfsvergunning is mede geldig gemaakt voor eiser, als de minderjarige zoon van haarzelf en haar echtgenoot. Op 15 juli 1999 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf bij ouder [naam]”. De geldigheidsduur van deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 4 februari 2002.

2. [naam] en [naam] zijn inmiddels gescheiden. Uit verklaringen die nadien door beiden respectievelijk op 3 februari 1999 en 31 oktober 2001 zijn afgelegd, is gebleken dat beiden, hoewel zij zich als ouders van eiser hebben uitgegeven, niet daadwerkelijk diens ouders zijn. Eiser heeft dit in de bezwaarfase bevestigd. [naam] is wel via vaderszijde aan eiser verwant.

3. Bij onherroepelijke vonnissen van 21 januari 2002, 29 oktober 2002, 9 april 2004 en 1 maart 2005 is eiser veroordeeld tot respectievelijk een leerstraf, 12 maanden jeugddetentie waarvan 5 maanden voorwaardelijk, 8 maanden jeugddetentie en 1 week gevangenisstraf. De gepleegde feiten betroffen onder meer het (meermalen) medeplegen van mishandeling, deelname aan straatroof met geweld, en geweldpleging en opzettelijk toebrengen lichamelijk letsel.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank ziet, gelet op de samenloop van de intrekking van de verleende vergunning en de ongewenstverklaring in de onderhavige procedure alsmede onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, (onder meer in de zaken, gepubliceerd in JV 2005, 60 en JV 2006, 347) aanleiding voor de navolgende ambtshalve overwegingen.

3. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

Het gevolg dat voormelde bepaling aldus aan de ongewenstverklaring verbindt is dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang zij voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang deze ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Aan het in een dergelijk besluit neergelegd oordeel over de rechtmatigheid van het verblijf dat aan ongewenstverklaring krachtens artikel 67, eerste lid, onder a onderscheidenlijk c, van de Vw 2000 ten grondslag ligt, kan een vreemdeling zodanig belang evenmin ontlenen, omdat de vraag of hij niet rechtmatig in Nederland verblijft bij de beoordeling van het besluit over de ongewenstverklaring aan de orde kan worden gesteld.

Ten aanzien van de ongewenstverklaring

4. Eiser is bij besluit van 27 november 2003 ongewenst verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, welke ongewenstverklaring door verweerder is gehandhaafd bij het bestreden besluit. In de gronden van het beroep, zoals toegelicht ter zitting, is namens eiser onder meer aangevoerd dat verweerder deze bepaling niet ten grondslag heeft mogen leggen aan de ongewenstverklaring, omdat het rechtmatig verblijf van eiser niet, althans niet onherroepelijk, was beëindigd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

5. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en hij geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

6. Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van een beslissing op een bezwaarschrift, terwijl bij of krachtens deze wet uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift is beslist.

7. Ingevolge artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.

8. De rechtbank stelt vast dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning bij besluit van 13 december 2001 door verweerder is ingetrokken. In rechte staat vast dat eiser hiertegen tijdig, op 13 mei 2003, bezwaar heeft ingediend. In het besluit van 13 december 2001 had verweerder bepaald, dat de rechtsgevolgen van dat besluit met betrekking tot de rechtmatigheid van eisers verblijf hier te lande zouden worden opgeschort, indien tijdig bezwaar tegen dit besluit zou worden gemaakt. Ten tijde van de ongewenstverklaring was op dit bezwaarschrift nog niet beslist. Blijkens de toelichtingen over en weer ter zitting staat (thans) onweersproken tussen partijen vast dat eiser ten tijde van de ongewenstverklaring op 27 november 2003 rechtmatig verblijf genoot op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

9. Het rechtmatig verblijf van eiser ten tijde van de ongewenstverklaring, voor zover dat was gebaseerd op de schorsende werking van eerdergenoemd bezwaar stond echter niet, zoals eiser heeft betoogd, aan de ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, in de weg.

10. Vast staat dat eiser, voorafgaand aan het besluit tot intrekking van zijn reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, rechtmatig verblijf genoot op grond van 8, aanhef en onder a van de Vw 2000. Gelet op hetgeen hierboven onder rechtsoverweging III.3 is overwogen brengt de te bieden rechtsbescherming met zich mee dat de rechtbank zich thans, in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor zover het de ongewenstverklaring betreft, dient te buigen over de vraag of het bestreden besluit van verweerder ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning en daarmee de beëindiging van bedoeld rechtmatig verblijf, de rechterlijke toets kan doorstaan. De bevoegdheid om een vreemdeling ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, hangt immers, gelet op het bepaalde in het derde lid van genoemd artikel, mede af van de (on)rechtmatigheid van het verblijf van eiser in Nederland en daarmee van het antwoord op de vraag of verweerder bij het beslissen op bezwaar tegen genoemde intrekking adequaat heeft gereageerd op hetgeen door eiser tegen die intrekking is ingebracht. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning in stand kan blijven, aan eiser op basis van onjuiste gegevens (verstrekt door zijn beweerdelijke ouders) in 1996 ten onrechte een verblijfsvergunning is verleend. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het bepaalde in artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, van de Vw 2000, alsmede op zijn beleid, neergelegd in paragraaf B1/2.2.9 (thans B1/5.3.3) van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Eiser heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat verweerder geen goede (kenbare) belangenafweging heeft gemaakt, in het bijzonder ten aanzien van aspecten betreffende eisers family life als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

12. In paragraaf B1/5.3.3 (voorheen B1/2.2.9) van de Vc 2000 staat onder het kopje “Onjuiste gegevens” onder meer het navolgende vermeld.

Verblijfsbeëindiging blijft achterwege, indien dat in strijd zou komen met een ieder verbindende verdragsbepaling (bijvoorbeeld artikel 8 EVRM) of voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht).

In dergelijke gevallen kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd echter wel (ambtshalve) worden gewijzigd wegens veranderde omstandigheden, met toepassing van artikel 14, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet. Door die wijziging wordt dan de onjuiste situatie uit het verleden gecorrigeerd door de beperkingen en voorschriften die aan de verblijfsvergunning waren verbonden te vervangen door beperkingen en voorschriften op basis van de veranderde omstandigheden.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de beschikking in primo ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van family life in vorenvermelde zin tussen eiser en [naam]. Tegen deze conclusie is door eiser in bezwaar een gemotiveerde grief gericht. In de beschikking op bezwaar ten aanzien van de intrekking van de aan eiser verleende vergunning heeft verweerder echter geen overweging gewijd ten aanzien van belangen in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser heeft hiertegen in de gronden van beroep geageerd. Het ontbreken van een reactie op het bezwaar in dit licht klemt des te meer nu in de beschikking in primo ten aanzien van de ongewenstverklaring wel is uitgegaan van family life met de pleegouders/beweerdelijke ouders en de zus van eiser. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder niet adequaat op de bezwaren tegen de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft gereageerd. Het bestreden besluit ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning zou, indien dit thans ter inhoudelijke beoordeling zou voorliggen, reeds wegens dit gebrek in de voorbereiding en motivering de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan.

14. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder, reeds gelet op bovenstaande, bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring er niet van uitgaan dat aan eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e dan wel l van de Vw 2000 toekwam. Door eiser is beroep aangevoerd dat hij ten tijde van de ongewenstverklaring rechtmatig in Nederland verbleef (naar de rechtbank begrijpt: ook in vorenvermelde zin). Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid van verweerder om eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, niet is komen vast te staan. De rechtbank concludeert daaruit dat het bestreden besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring om die reden is genomen in strijd met de wet. Het beroep, voor zover het zich richt tegen het bestreden besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring, zal dan ook gegrond worden verklaard en bedoeld deel van het besluit zal worden vernietigd.

15. Door verweerder is in het bestreden besluit wel een overweging aan artikel 8 EVRM-aspecten gewijd in het kader van de ongewenstverklaring. Gelet op het toepasselijke toetsingskader gelden hierbij strengere criteria dan bij een intrekking van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet echter in deze overweging van verweerder geen aanleiding om ambtshalve de rechtsgevolgen van bedoeld onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Daartoe overweegt zij als volgt. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat er sprake is van family life met familieleden hier te lande, onder wie minderjarige kinderen en zijn pleegvader (de rechtbank begrijpt: de heer [naam]). De bedoelde afweging van verweerder ten aanzien van artikel 8 EVRM is primair dat er geen sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM, en subsidiair dat, zelfs indien van family life met de beweerde vader van eiser (de rechtbank begrijpt: de heer [naam]) zou worden uitgegaan, hieraan geen rechten kunnen worden ontleend, omdat het is aangegaan tijdens (achteraf gebleken) illegaal verblijf. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder ten aanzien van het familie- of gezinsleven, waarop eiser zich ook in de onderhavige procedure beroept, sterk wisselende uitgangspunten heeft geformuleerd in de diverse besluitvormingsfases. Dit geldt met name ten aanzien van de vraag of er sprake is van beschermenswaardig familieleven en zo ja, met welke personen. De rechtbank acht een en ander van belang voor een goede beoordeling, onder meer met het oog op de - voor verweerder kennelijk relevante - vraag wanneer bepaalde familierelaties zouden zijn aangegaan. Een verklaring voor deze wisselende standpunten is evenwel uitgebleven in het bestreden besluit en de toelichting daarop. Ook de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de ongewenstverklaring schieten om die reden naar het oordeel van de rechtbank op dit punt tekort.

16. Ter zitting is van de zijde van verweerder betoogd dat ook bij toepassing van de glijdende schaal tot ongewenstverklaring zou zijn overgegaan. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat volgens verweerder hoe dan ook de bevoegdheid zou hebben bestaan om eiser ongewenst te verklaren, bijvoorbeeld op de zogenoemde b-grond van artikel 67 van de Vw 2000. De rechtbank acht, met het oog op de goede procesorde, deze toevoeging aan de motivering van het bestreden besluit ter zitting dermate ingrijpend en andersluidend dat deze niet wordt aangemerkt als een toelaatbare nadere precisering. Deze aanvulling zal dan ook als tardief buiten de onderhavige beoordeling worden gelaten.

17. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, zelf in de zaak te voorzien voor zover het de ongewenstverklaring betreft op grond van het navolgende. Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring en strijd met de wet strekt zich evenzeer uit tot het besluit in primo van 27 november 2003, waarin eiser ongewenst was verklaard op de grondslag van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000. In het bestreden besluit heeft verweerder deze ongewenstverklaring en grondslag onverkort gehandhaafd. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank dan ook van oordeel dat er rechtens geen andere conclusie mogelijk is dan dat het besluit in primo reeds wegens strijd met de wet niet in stand kan blijven. De rechtbank, doende wat verweerder had behoren te doen, zal derhalve het bezwaar van 12 december 2003 tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaren en het besluit in primo herroepen.

Ten aanzien van de intrekking

18. Nu de ongewenstverklaring zal worden herroepen, is de rechtbank van oordeel dat eiser ontvankelijk is in zijn beroep, voor zover het zijn bezwaar betreffende de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning betreft. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven in rechtsoverwegingen III.11, 12 en 13 is overwogen, concludeert de rechtbank dat dit deel van het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering ontbeert. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarin op het bezwaar van 13 mei 2003 is beslist, zal dan ook worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Ten aanzien van het beroep als geheel

19. Gelet op bovenstaande overwegingen behoeft hetgeen overigens door eiser is aangevoerd geen verdere bespreking.

20. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

21. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht¬bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van 13 mei 2003 tegen het besluit van 13 december 2001, betreffende de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, met inachtneming van deze uitspraak;

4. verklaart het bezwaar van 12 december 2003 tegen het besluit van verweerder van 27 november 2003, betreffende de ongewenstverklaring van eiser, gegrond;

5. herroept genoemd besluit van verweerder 27 november 2003;

6. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, voor zover daarin is beslist op genoemd bezwaar van 12 december 2003;

7. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier en

8. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderd en achtendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2007 door mr. K. Mans, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Rensenbrink, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Buiten staat om te tekenen

Afschrift verzonden op:

Conc:FR

Coll: FW/OK

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.