Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/3047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Eiser claimt verliezen van fl 18.595 repectievelijk fl 12.397 ter zake van zijn deelname in twee commanditaire vennootschappen. Bij de aanslagregeling heeft verweerder eiser om een nadere toelichting op de post winst uit onderneming verzocht waarop eiser een aantal cijfermatige overzichten heeft verstrekt. Verweerder stelt de aanslag in overeenstemming met de aangifte vast. Na ontvangst van een brief van een collega inspecteur, waarin staat dat de CV's geen onderneming drijven, legt verweerder een navorderingsaanslag op. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Desalniettemin heeft verweerder de navorderingsaanslag op grond van het vertrouwensbeginsel ten onrechte opgelegd omdat eiser aan de handelswijze van verweerder de indruk heeft kunnen ontlenen dat deze de verliezen op hun fiscale merites heeft beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/46.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3047

Uitspraakdatum: 2 maart 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 februari 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer [000000000000] (hierna: de navorderingsaanslag), vastgesteld naar een belastbaar inkomen van fl. 52.179 (€ 23.678).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [...]

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 74 en

wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

2. Gronden

2.1. In het onderhavige jaar (2000) was eiser participant in [bedrijf A.] (hierna: "[A.]") X CV en in [A.] XI CV. De kapitaaldeelname van eiser in genoemde CV's bedroeg fl. 15.000 respectievelijk fl. 10.000.

2.2. Met betrekking tot zijn investering in [A.] X CV heeft eiser in zijn aangiftebiljet voor het onderhavige jaar fl. 18.595 en met betrekking tot zijn investering in [A.] XI CV heeft eiser in het onderhavige jaar fl. 12.397 als verlies uit onderneming aangegeven. Deze bedragen waren niet gespecificeerd of anderszins toegelicht.

2.3. Naar aanleiding van de aangifte heeft verweerder bij brief van 7 augustus 2002 eiser om aanvullende informatie verzocht. In deze brief staat - voor zover hier van belang - het volgende:

"winst uit onderneming

Verzoek om toelichting

Ik verzoek u mij een toelichting te geven op het verlies uit onderneming ( fl. 36.215.)"

en

"Uw reactie

Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 28 augustus 2002 toe te sturen in de bijgevoegde portvrije retourenenvelop. Als ik zal afwijken van uw aangifte, ontvangt u hierover een brief. Als ik niet hoef af te wijken van uw aangifte, ontvangt u binnenkort het aanslagbiljet."

2.4. De reactie van eiser, bij brief van 12 september 2002 van zijn accountant, luidde - voor zover hier van belang - als volgt:

"Naar aanleiding van uw vragenbrief d.d. 7 augustus 2002 zenden wij u hierbij kopieën van de door u gevraagde gegevens:

1. winst uit onderneming

Hierbij de overzichten van het resultaat uit onderneming (...)"

Bij deze brief waren twee brieven gevoegd van [bedrijf A.] BV met - voor zover hier van belang - de volgende teksten:

"JAAROPGAVE 2000

1. Uw kapitaal deelname in [A.] X C.V. : fl. 15.000,00

2. Af: aandeel resultaat boekjaar (inclusief vervroegde afschrijving): fl. 14.288,28*

Kapitaal per 31 december 2000: fl. 711,72

3. Investeringsaftrek 27% van fl. 14.285,70 : fl. 3.857,14*

4. Plaatsingskosten: fl. 450,00

Als negatief resultaat bij winst uit onderneming opgegeven * fl. 18.595

Bijlage: jaarrekening [A.] X C.V."

en

"JAAROPGAVE 2000

1. Uw kapitaal deelname in [A.] XI C.V. fl. 10.000,00

2. Af: aandeel resultaat boekjaar (inclusief vervroegde afschrijving): fl. 9.525,52*

Kapitaal per 31 december 2000: fl. 474,48

3. Investeringsaftrek 27% van fl. 9.523,90: fl. 2.571,43*

4. Plaatsingskosten: fl. 300,00

Als negatief resultaat bij winst uit onderneming opgegeven * fl. 12.397

Bijlage: jaarrekening [A.] XI C.V."

De in de "jaaropgaven" genoemde bijlagen, te weten de jaarrekeningen van de desbetreffende CV's over het onderhavige jaar, waren niet bijgevoegd.

2.5. Op 23 januari 2003 heeft verweerder eisers aanslag geregeld. De primitieve aanslag heeft als dagtekening 7 februari 2003.

2.6. Bij brief van 29 oktober 2003 heeft de inspecteur van de Belastingdienst te [Q.] verweerder geïnformeerd over een door hem ingesteld onderzoek naar de aftrekbaarheid van door belastingplichtigen in hun aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 en volgende jaren vermelde verliezen uit participaties in onder meer de hiervoor in 2.1. genoemde CV's en vermeld dat hij zich op het standpunt stelt dat genoemde CV's geen onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) drijven. Vervolgens heeft verweerder - na enige correspondentie met eiser - de navorderingsaanslag opgelegd en de in 2.2. genoemde verliezen met betrekking tot [A.] X CV en [A.] XI CV gecorrigeerd.

2.7. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vragen of:

(1) verweerder over een nieuw feit beschikte dat navordering rechtvaardigt;

(2) verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

De hoogte van de navorderingsaanslag als zodanig is niet in geschil.

2.8. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de navorderingsaanslag heeft opgelegd omdat deze niet over een zogenoemd nieuw feit beschikte. Subsidiair stelt eiser dat verweerder, na het opvragen van informatie betreffende het verlies uit onderneming en het ontvangen van informatie, de primitieve aanslag conform de door eiser ingediende aangifte heeft vastgesteld en daarmee met de in de aangifte opgenomen verliezen akkoord is gegaan. Op grond van het vertrouwensbeginsel kan verweerder daarom geen navorderingsaanslag opleggen.

2.9. Verweerder stelt daarentegen dat de in 2.6. vermelde brief een nieuw feit vormt dat de navorderingsaanslag rechtvaardigt. Eventueel vóór de in 2.6. genoemde datum bij de inspecteur van de Belastingdienst te [Q.] over de CV's beschikbare informatie doet hier niet aan af. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat de in 2.4. genoemde door eiser overgelegde stukken voor hem geen aanleiding gaven aan de juistheid daarvan te twijfelen en derhalve geen reden vormden om nadere vragen te stellen. Voorts stelt hij dat er geen sprake is van een in rechte te beschermen vertrouwen.

2.10. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

2.11. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.

2.12. Vaststaat dat verweerder ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag niet bekend was met het feit dat de [A.] CV's geen onderneming in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Wet IB 1964 dreven.

2.13. Voor het antwoord op de vraag of een nieuw feit aanwezig is, is van belang of de bevoegde inspecteur (in dit geval verweerder) of een persoon voor wiens handelen hij verantwoordelijk is, met dat feit bekend was of redelijkerwijs kon zijn (HR 29 augustus 1997, nr. 32.367, BNB 1998/108). Kennis omtrent aangelegenheden ten aanzien van eiser die aanwezig was bij de inspecteur van de Belastingdienst te [Q.] (een ander zogenoemd organisatieonderdeel van de Belastingdienst dan die waaronder eiser ressorteert), kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verweerder worden toegerekend, tenzij de eerstgenoemde inspecteur verweerder eerder op de hoogte had moeten stellen van zijn bevindingen met betrekking tot de CV’s, waardoor een mogelijk ambtelijk verzuim aan verweerder zou worden toegerekend, dan wel indien een persoon voor wiens handelen verweerder verantwoordelijk was hiermee bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Eiser heeft zulks niet gesteld noch is dit anderszins gebleken.

2.14. De rechtbank is van oordeel dat de in 2.6. vermelde brief, waarin de inspecteur van de Belastingdienst te [Q.] zich op het standpunt stelt dat het resultaat van voormelde CV's als een vermogensverlies moet worden aangemerkt en dat de ondernemersfaciliteiten niet van toepassing zijn, is aan te merken als een nieuw feit in de zin van art 16, eerste lid, van de AWR. Het vertrouwensbeginsel kan er echter aan in de weg staan dat de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt (HR 11 juni 1997, nr. 32.042, BNB 1997/382).

2.15. Voor toepassing van het vertrouwensbeginsel is nodig dat de handelwijze van de inspecteur bij eiser de indruk van een bewuste standpuntbepaling heeft en kan hebben gewekt. De rechtbank oordeelt dat daarvan sprake is en baseert dat op de volgende omstandigheden. Eiser heeft desgevraagd aan de aanslagregelende inspecteur nadere informatie verstrekt met betrekking tot het in zijn aangifte vermelde verlies uit onderneming. Verweerder heeft genoegen genomen met de verstekte informatie en heeft vervolgens, zonder eiser te informeren waarnaar hij precies onderzoek heeft gedaan en zonder zijn bevindingen of afwegingen van het onderzoek aan eiser te melden, het verlies geaccepteerd en de aanslag vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Eiser kon aan deze handelwijze van verweerder de indruk ontlenen dat deze de door eiser in aftrek gebrachte bedragen met betrekking tot het verlies van de CV's, op hun fiscale merites had beoordeeld. De omstandigheid dat dit niet is gebeurd doet geen afbreuk aan het vertrouwen dat bij eiser is gewekt (HR 18 december 1991, nr. 27.127, BNB 1992/182).

2.16. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat hij met vertrouwen op de aangifte mocht afgaan, maar hij heeft dat in dit geval niet gedaan door nadere informatie van eiser te verlangen om na ontvangst van deze informatie het onderzoek te beëindigen. Het wekken van vertrouwen is overigens niet gelijk te stellen met een ambtelijke verzuim dat de mogelijkheid om na te vorderen verhindert. Verweerder heeft ook niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat er een zodanige strijd is met een juiste wetstoepassing dat het gewekte vertrouwen daardoor niet kan worden gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel niet gerechtigd de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen.

2.17. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De in de onderhavige zaak voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht: € 11 aan reiskosten en € 63 aan verletkosten (4 x eisers uurtarief van € 15,65).

Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.