Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0572

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
KG 07/147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering om gedaagden te veroordelen pand dat stichting om niet in gebruik heeft te ontruimen. Bruikleenovereenkomst. Bruikleenovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 maart 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/147 van:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A.R. de Jonge,

advocaten mr. A.R. de Jonge en mr. F. Sepmeijer, advocaten te 's-Gravenhage,

tegen:

1. de stichting Stichting Anton Pieck Huys Delft,

gevestigd te Delft,

2. [gedaagde sub 2],

met onbekende woon- of verblijfplaats, in persoon verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

met onbekende woon- of verblijfplaats,

4. zij die verblijven in de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te Den Haag aan het [adres], niet verschenen,

gedaagden,

procureur van gedaagden sub 1 en 3 mr. P.J.L.J. Duijsens.

in welke zaak heeft verzocht te mogen tussenkomen, wat betreft gedaagden alleen voor zover het gedaagden 1 tot en met 3 betreft:

mr. P.P.J. Elshof, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gedaagde sub 2],

eiser tot tussenkomst,

procureur mr. H. van der Valk.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. De eisende partij zal worden genoemd: "[eiser]". Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als: "de stichting", "[gedaagde sub 2]" en "[gedaagde sub 3]", dan wel gezamenlijk als: "gedaagden". De eiser tot tussenkomst zal worden aangeduid als: "de curator".

1. De procedure

1.1. [riser] heeft gedaagden in kort geding doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 23 februari 2007. Op 22 februari 2007 is ter griffie van deze rechtbank van de zijde van de curator op voorhand een incidentele conclusie tot tussenkomst ontvangen. [Eiser], de stichting, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter, waarop de voorzieningenrechter ter zitting de incidentele vordering heeft toegewezen.

1.2. Gedaagden sub 4 zijn niet verschenen, hoewel behoorlijk opgeroepen. Tegen hen is verstek verleend.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 februari 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Naast een ander zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] statutaire bestuurders van de stichting.

2.2. Het pand aan het [adres] (hierna te noemen: het pand) is eigendom van de Staat. Sinds 1 januari 2006 is - een gedeelte van - dit pand om niet in gebruik bij de stichting. De stichting gebruikt de ruimten als museumwinkel, restauratieruimte en opslagplaats van kunstobjecten.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven - gedaagden te veroordelen de door hen in gebruik zijnde onroerende zaak aan het [adres] te Den Haag, binnen 24 uur te verlaten en te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, met machtiging van hem om zonodig de ontruiming op kosten van gedaagden zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, alsmede te bepalen dat dit vonnis tot een jaar na de datum van dit vonnis of indien de tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van een bepaalde termijn wordt toegestaan tot één jaar na de dag waarop die termijn verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in voormelde onroerende zaak dan wel onderdelen daarvan bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet.

Voorts vordert [eiser] de stichting te veroordelen om aan hem te betalen een voorschot van € 5.000,-- ter zake van de bedongen gerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 18 van de bruikleenovereenkomst, alsmede alle gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

3.2. Daartoe voert [eiser] aan dat gedaagden het pand sinds 2 januari 2007 zonder recht of titel in gebruik hebben. [Eiser] heeft verschillende ruimten in het pand sinds januari 2006 aan de stichting in bruikleen gegeven. Eind september 2006 heeft hij mondeling aan [gedaagde sub 2] laten weten dat de bruikleenovereenkomst met de stichting zou worden beëindigd per 2 januari 2007, welke mededeling hij bij brief van 31 oktober 2006 aan [gedaagde sub 2] heeft bevestigd, aldus [eiser].

[Eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering tot ontruiming omdat het pand op korte termijn door een ander in gebruik zal worden genomen en nog gerenoveerd dient te worden voor de heringebruikname.

3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4. De curator voert geen verweer tegen de vordering tot ontruiming, maar wel tegen de termijn tot ontruiming. Hij vordert - zakelijk weergegeven - de termijn tot ontruiming te bepalen op vier weken.

3.5. Daartoe voert de curator - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan. In het pand bevinden zich kunstobjecten die toebehoren aan de failliete boedel. De curator heeft echter nog niet kunnen vaststellen welke kunstobjecten dat zijn. De curator stelt om die reden belang te hebben bij een langere ontruimingstermijn.

Bovendien dienen de kunstobjecten zorgvuldig vervoerd en opgeslagen te worden om ervoor te zorgen dat zij hun waarde behouden, hetgeen van belang is voor de boedel. Ook om die reden wordt een langere ontruimingstermijn gevorderd.

3.6. [Eiser] voert gemotiveerd verweer tegen deze vordering, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

De partijen

4.1. Gedaagden plaatsen vraagtekens bij de rol van [eiser] als eisende partij nu [eiser] niet de eigenaar is van het pand. De stichting heeft naar eigen zeggen geen contract met [eiser] doch met de eigenaren. Gedaagden zijn van mening dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering althans niet de vordering kan instellen zoals deze thans voorligt.

4.2. In dit kader zijn de door [eiser] overgelegde brieven van 10 november 2006 en 16 januari 2007, afkomstig van de Rijksgebouwendienst, gericht aan respectievelijk [gedaagde sub 2] en [eiser], van belang. In de brief aan [gedaagde sub 2] staat onder andere het volgende:

'Het object [adres] is een onderdeel van de vastgoedportefeuille van de Rgd (Rijksgebouwendienst, toevoeging voorzieningenrechter). Het pand staat tijdelijk leeg nadat het atelier van de Rijksbouwmeester het pand in 2005 heeft verlaten.

Voor dit pand heeft de Rgd met de firma [firma] (de firma waaronder [eiser] zich presenteert, toevoeging voorzieningenrechter) een leegstandsbeheerovereenkomst afgesloten. De intentie van deze overeenkomst is dat op het moment dat de Rgd een andere gebruiker heeft voor het pand de leegstandsbeheerder binnen een maand het pand leeg en onverzwaard aan de Rgd ter beschikking stelt.

De firma [firma] is de enige contractpartner voor de Rgd. Deze wijze waarop [firma] zijn leegstandsbeheer heeft geregeld is haar verantwoordelijkheid. De Stichting Anton Pieck Huys is op geen enkele wijze contractpartner voor de Rgd.'

En in de brief aan [eiser] staat onder andere:

'Hierbij wil de Rgd u hierbij schriftelijk bevestigen dat u van de Rgd de opdracht heeft om het leegstandsbeheer van het pand [adres] te Den Haag te doen.'

4.3. Hiermee acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] als wederpartij dient te gelden voor de ook in de visie van gedaagden met de stichting gesloten overeenkomst, zodat [eiser] kan worden ontvangen in zijn vordering.

4.4. Voorts hebben gedaagden gesteld dat de gebruiker van het pand de stichting is en daarmee de enige is die in deze van belang is. [Gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zouden niet als gedaagde partij aangemerkt dienen te worden.

4.5. Ter terechtzitting is gebleken dat de goederen die zich in het pand bevinden niet enkel tot de stichting behoren. Niet uit te sluiten valt derhalve dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot feitelijke gebruikers van het pand kunnen worden aangemerkt, zodat de voorzieningenrechter hen evenals de stichting als partij zal aanmerken.

Spoedeisend belang

4.6. Gelet op hetgeen eiser daaromtrent heeft gesteld is het spoedeisend belang voldoende komen vast te staan. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de Rijksgebouwendienst het pand nodig heeft ten behoeve van de renovatie en voor heringebruikname door het instituut voor Publiek en Politiek.

Overeenkomst

4.7. Gedaagden betwisten de stelling van [eiser] dat er sprake is van een bruikleenovereenkomst. De overeenkomst die door [eiser] in dat kader is overgelegd, is gedaagden niet bekend en de handtekening die op 4 april 2006 daarop geplaatst is, is niet van [gedaagde sub 2], aldus gedaagden. Volgens hen is er sprake van een voorovereenkomst tot het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:290 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW).

4.8. Ook bij een voorovereenkomst geldt dat moet blijken dat partijen zich hebben verbonden om te zijner tijd een huurovereenkomst te sluiten. Gedaagden beroepen zich daartoe op een overgelegde e-mail van 1 januari 2006 van [eiser] aan - onder andere - [gedaagde sub 3] en kennelijk ook [gedaagde sub 2]. Zulks is niet gebleken naar het oordeel van de voorzieningenrechter. In die e-mail heeft [eiser] 'een overzicht (gestuurd) van de afspraken voor het tijdelijk gebruik als opslag van gedeelten van het [adres] te Den Haag'. Daaruit valt onder andere de volgende afspraak op te maken. Ten aanzien van het in de mail genoemde punt om te bezien of de stichting mogelijk het huren van het pand geregeld kan krijgen is door de Rgd te kennen gegeven dat een eventuele overeenkomst voor het huren van het object via de Dienst der Domeinen zal moeten plaatsvinden en is het advies gegeven eerst de eventuele subsidies te regelen alvorens Domeinen te benaderen. Gelet op deze mededeling kan niet gesproken worden van een voorovereenkomst tot huur.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat de stichting het pand in gebruik heeft en dat dit om niet is, zodat daarmee de bruikleenovereenkomst vast staat. De voorzieningenrechter laat daarbij in het midden of er daadwerkelijk een bruikleenovereenkomst door de stichting, althans door [gedaagde sub 2], is ondertekend. De door gedaagden genoemde investeringen in het pand, die in hun visie gelijk gesteld zouden kunnen worden aan huur, zijn op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbij gaat.

4.10. [Eiser] heeft de overeenkomst eerst mondeling en later schriftelijk, bij brief van 31 oktober 2006, opgezegd. Hij heeft hierbij een opzegtermijn van negen weken gehanteerd. De voorzieningenrechter beschouwt deze termijn als een redelijke termijn voor opzegging, zodat de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. De stichting verblijft dan ook sinds 2 januari 2007 zonder recht of titel in het pand. Voor zover gedaagden stellen dat de mondelinge mededeling noch de brief gedaagden bereikt heeft, is zulks niet van belang nu gedaagden in elk geval sedert begin januari 2007 bekend zijn met de aangezegde ontruiming en sindsdien twee maanden verstreken zijn, zodat hun ook in dat geval feitelijk een redelijke termijn gegund is.

4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot ontruiming van het pand zal worden toegewezen. Daarbij zal een termijn bepaald worden van één week, teneinde de stichting de tijd te geven de kunstobjecten met de nodige zorg uit het pand te kunnen verwijderen en de curator de gelegenheid te geven onderzoek te doen naar de eigendomsverhoudingen en vast te stellen wat tot de failliete boedel behoort. De door de curator verzochte termijn van vier weken acht de voorzieningenrechter gelet op de spoedeisendheid van [eiser] niet redelijk.

Nu de vordering jegens de niet-verschenen gedaagden de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt zullen de gevraagde voorzieningen ook jegens deze gedaagden worden toegewezen.

Betaling van een voorschot

4.12. [Eiser] heeft een voorschot op de gerechtelijke kosten van € 5.000,-- gevraagd. Hij stelt dat het daarbij gaat om kosten die gemoeid zijn met het inschakelen van zijn raadsman. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij een urenspecificatie overgelegd van zijn raadsman alsmede een factuur van Van Mastrigt & Partners van 13 februari 2007 betreffende het uitbrengen van het exploot.

4.13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tot op heden verrichte werkzaamheden niet meer omvatten dan werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. Het door [eiser] gevorderde voorschot zal dan ook worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.14. Gedaagden 1 tot en met 4 zullen, als de ten opzichte van [eiser] in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding tussen hen en [eiser].

In het geding tussen enerzijds de curator en anderzijds [eiser] en gedaagden 1 tot en met 3 zullen de proceskosten op de hierna te vermelden wijze worden gecompenseerd, nu partijen in die gedingen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt gedaagden de door hen in gebruik zijnde onroerende zaak dan wel onderdelen daarvan, staande en gelegen aan het [adres] te Den Haag, binnen één week na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege daarin mochten bevinden daaronder begrepen;

machtigt eiser om zonodig, ingeval gedaagden niet vrijwillig aan dit vonnis mochten voldoen, de ontruiming op kosten van gedaagden zelf ten uitvoer te leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

bepaalt dat dit vonnis tot een jaar na voorbedoelde termijn ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

veroordeelt gedaagden 1 tot en met 4 in de kosten van het geding tussen hen en [eiser], tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.157,79, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 251,-- aan griffierecht en € 90,79 aan dagvaardingskosten, te vermeerderen met de door eiser gemaakte advertentiekosten;

bepaalt dat indien gedaagden deze proceskosten niet voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, zij vanaf dan de wettelijke rente daarover verschuldigd zijn;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten voor het overige, in die zin dat partijen voor het overige de eigen kosten dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 5 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

ks