Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0566

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/3214 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. In 2002 is door eiseres een aan het bestaande bedrijfspand gerealiseerde aanbouw in gebruik genomen. Een gedeelte van de aanbouw wordt verhuurd. Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van het bedrag aan voorbelasting dat wegens vrijgestelde verhuur niet voor aftrek in aanmerking komt, moet worden uitgegaan van het werkelijke gebruik van de aanbouw door de huurder ex artikel 11, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Eiseres stelt zich het op standpunt dat het werkelijk gebruik moet worden vastgesteld aan de hand van het feitelijke gebruik dat huurder van het gehuurde maakt, hetgeen volgens eiseres is beperkt tot gebruik gedurende drie dagen per week, 40 weken per jaar. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het werkelijke gebruik van de verhuurde ruimten in de aanbouw afwijkt van hetgeen eiseres en huurder zijn overeengekomen in de huurovereenkomst, te weten het volledige recht van huur van die ruimten door huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/27.2.2
FutD 2007-0509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3214 OB

Uitspraakdatum: 15 februari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Stichting Praktijkopleiding [X.], gevestigd te [Y.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 25 februari 2006 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [0000000000]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007.

Namens eiseres zijn daar verschenen [...], tot bijstand vergezeld van [...]. Namens verweerder is verschenen [...].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de boete tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank gaat daar ook van uit, dat eiseres on-dernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1998 (hierna: Wet OB).

2.2. In 2002 is door eiseres een aan het bestaande bedrijfspand gerealiseerde aanbouw in gebruik genomen. Ter zake van de realisatie van de aanbouw is aan eiseres een bedrag van € 230.122 aan omzetbelasting in rekening gebracht. De aanbouw bestaat onder meer uit drie leslokalen met toetsruimte, een docentenkamer, toiletten, een kantine en overige verkeersruimten. In een tussen eiseres en [naam College] gesloten huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) is - voor zover hier van belang - onder meer het volgende vermeld:

"(...)

1.1 Deze huurovereenkomst heeft betrekking op drie nieuwe lokalen met toetsruimte en het mede gebruik van de docentenkamer, toiletten en kantine, hierna "het gehuurde" genoemd, in het schoolgebouw aan [adres] te [Y.].

1.2 Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt voor het geven van onderwijs en het afnemen van examens.

Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2.

1.3 De verhuurder behoudt het mede-gebruik van de docentenkamer, toiletten en kantine, terwijl de verhuurder het recht heeft om de verhuurde leslokalen/toetsruimte zelf te gebruiken gedurende de periode, dat huurder er geen gebruik van maakt.

(...)

3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van vier jaar, ingaande op 1 september 2002 en lopende tot en met 31 augustus 2006.

3.2 Deze overeenkomst wordt vervolgens telkens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens vier jaar.

3.3 Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste een jaar.

3.4 Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.

3.5 Tussentijdse beëindiging van deze overeenkomst is mogelijk in een omstandigheid als genoemd in 7 van de algemene bepalingen.

(...)

4.1 De betalingsverplichting van huurder bestaat uit:

De huurprijs met de daarover verschuldigde omzetbelasting dan wel een daarmee overeenkomend bedrag, overeenkomstig en met inachtneming van 15.2 en 15.2 van de algemene bepalingen, althans indien partijen een met omzetbelasting belaste huurprijs zijn overeengekomen.

4.2 De huurprijs bedraagt op jaarbasis vijf en twintig duizend euro (€ 25.000,00) exclusief omzetbelasting.

(...)"

2.3. Eiseres heeft in verband met de aanbouw een bedrag van € 143.202 aan voorbelasting op haar aangifte in mindering gebracht.

2.4. Naar aanleiding van een op 29 augustus 2002 aangevangen boekenonderzoek, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2003 is onderzocht, heeft verweerder aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslag ad € 44.498 opgelegd, waarvan € 37.442 omzetbelasting, € 3.665 boete en € 3.391 heffingsrente. Van de omzetbelasting heeft € 36.425 betrekking op een correctie in verband met de aftrek van voorbelasting wegens vrijgestelde verhuur en ziet € 1.017 op overige correcties.

2.5. Het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij brief van 29 december 2005 aangegeven de boete te zullen verminderen naar nihil. Bij brief van 13 februari 2006 heeft verweerder bevestigd dat de boete komt te vervallen.

2.6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Meer specifiek houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag welk gedeelte van de voorbelasting in verband met de verhuur van de aanbouw van het bedrijfspand niet voor aftrek in aanmerking komt. Niet in geschil is de nageheven omzetbelasting ad € 1.017 in verband met overige correcties.

2.7. Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van het bedrag aan voorbelasting dat wegens vrijgestelde verhuur niet voor aftrek in aanmerking komt, in het onderhavige geval moet worden uitgegaan van het werkelijke gebruik van de aanbouw door [naam College] in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de totale aanbouw 880 m² beslaat, dat de leslokalen 450 m² beslaan, dat de gezamenlijke verkeersruimten 218 m² beslaan en dat het gebruik van de huurder van de verkeersruimten moet worden vastgesteld op 10%. Ook is tussen partijen niet in geschil dat eiseres voor het overige geen vrijgestelde prestaties verricht. De rechtbank sluit zich bij die uitgangspunten aan.

2.8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het werkelijk gebruik moet worden vastgesteld aan de hand van de huurovereenkomst die ter zake van de verhuur aan [naam College] is gesloten. Overeenkomstig de uitgangspunten als omschreven onder 2.7 berekent verweerder dat werkelijke gebruik als volgt. Vrijgesteld verhuurd wordt 450 m² (de leslokalen) plus 22 m² (afgerond 10% van de gezamenlijke verkeersruimten) = 472 m². Het werkelijk gebruik bedraagt dan 53,6% (472/880).

2.9. Eiseres stelt zich primair het op standpunt dat het werkelijk gebruik moet worden vastgesteld aan de hand van het feitelijke gebruik dat [naam College] van het gehuurde maakt en dat volgens eiseres is beperkt tot gebruik gedurende drie dagen per week, 40 weken per jaar. Eiseres past daarom op de berekening van verweerder een vermindering toe en zij berekent het werkelijk gebruik als volgt. 3/5 x 40/52 van 450 m² = afgerond 208 m², vermeerderd met 22 m² (afgerond 10% van de gezamenlijke verkeersruimten) = 230 m².

Subsidiair is eiseres van mening dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd dan wel verminderd omdat de periode tussen de aanvang van het boekenonderzoek en het opleggen van de naheffingsaanslag onevenredig lang is geweest.

2.10. Ter onderbouwing van haar primaire standpunt heeft eiseres een brief van [naam College] overgelegd waarin dit college bericht op maandag- en dinsdagavond, dinsdag, woensdag en donderdag gebruik te maken van de theorieruimte van eiseres en dat dit gebruik gedurende de 40 schoolweken per jaar plaatsvindt. Daarnaast wijst eiseres op een door haar opgestelde lijst met data waarop eiseres zelf gebruik maakt van de verhuurde ruimten; uit deze lijst is volgens eiseres op te maken dat zij in ieder geval één lokaal heeft gebruikt dat volgens de huurovereenkomst ter beschikking staat aan [naam College]. Ten slotte wijst eiseres op de verklaring ter zitting van de directeur van eiseres, inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - dat eiseres inderdaad feitelijk gebruik maakt van de aan [naam College] verhuurde ruimten.

Hiertegenover beroept verweerder zich op de inhoud van de huurovereenkomst.

2.11. De rechtbank is, na afweging van hetgeen partijen over en weer in het geding hebben aangedragen, op grond van waardering van de bewijsmiddelen van oordeel, dat niet aannemelijk is geworden dat het werkelijke gebruik van de verhuurde ruimten in de aanbouw afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen in de onder 2.2 vermelde huurovereenkomst, te weten het volledige recht van huur van die ruimten door [naam College]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door eiseres overgelegde brief van [naam College] slechts bevestigt wanneer het College gebruik maakt van haar huurrecht en dat de door eiseres opgestelde lijst met data waarop zij zelf gebruik zou maken van de verhuurde ruimten onvoldoende concreet is om de daaraan door eiseres verbonden conclusie(s) te staven. Hetgeen de directeur van eiseres ter zitting nog heeft verklaard, acht de rechtbank, hoewel niet ongeloofwaardig, onvoldoende en te weinig concreet om een afwijking van de in de huurovereenkomst vastgelegde afspraken aannemelijk te achten. Zo is naar het oordeel van de rechtbank de aard en de inhoud van het door eiseres gestelde eigen gebruik van de verhuurde ruimten onvoldoende helder geworden. Ook hetgeen eiseres heeft gesteld met betrekking tot de lagere huurprijs acht de rechtbank onvoldoende om een afwijking van de in de huurovereenkomst vastgelegde afspraken aannemelijk te achten. Dat [naam College] niet volledig - in de zin van 52 weken per jaar en 24 uren per dag - gebruik maakt het haar toekomende huurrecht doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af nu de verhuurde ruimten op grond van de huurovereenkomst wel steeds volledig aan dat College ter beschikking staan. De omstandigheid dat eiseres op grond van de huurovereenkomst het recht heeft om de verhuurde leslokalen/toetsruimte zelf te gebruiken gedurende de periode dat huurder er geen gebruik van maakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan het volledige recht van huur van [naam College]. Immers, op grond van het bepaalde in het huurcontract zal bij een eventuele samenloop van gebruik door eiseres en gebruik door huurder, dat eigen gebruik moeten wijken voor het gebruik door [naam College].

2.12. Het subsidiaire standpunt van eiseres vindt geen steun in het recht zodat de rechtbank dit standpunt verwerpt.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is de naheffingsaanslag derhalve terecht aan eiseres opgelegd. Het beroep is evenwel gegrond nu verweerder bij de bestreden uitspraak op bezwaar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem toegezegde vermindering van de boete tot nihil.

2.14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 15 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Riel, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.