Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/59214
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

EU-burger / ongewenstverklaring / evenredigheidsbeginsel

Verzoeker heeft de Zweedse nationaliteit, zodat hij onderdaan is van een Lid-Staat en derhalve burger van de Europese Unie. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag komt hem een recht toe om op het grondgebied van een andere Lid-staat te verblijven. Verzoeker is derhalve aan te merken als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, sub 1º, Vw 2000. Dit verblijfsrecht is evenwel niet onvoorwaardelijk en wordt slechts toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EU-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Voorts moeten deze beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig de algemene beginselen ervan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, arrest ‘Baumbast’, 17 september 2002, zaaknummer C-413/99.) Verweerder heeft in het bestreden besluit getoetst aan de Richtlijn 2004/38/EG. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat verweerder heeft getoetst aan artikel 27 van de Richtlijn, waaraan artikel 8.22 van het Vb 2000 uitvoering geeft. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder, indien hij daarvoor gronden aanwezig acht, niet met toepassing van artikel 8.22 van het Vb 2000 tot ongewenstverklaring van de EU-burger op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 over kan gaan. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft aangegeven op grond van welk onderdeel van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 hij zich heeft gebaseerd. Verweerder heeft zich ter onderbouwing van de ongewenstverklaring op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De voorzieningenrechter is evenwel niet gebleken dat in verzoekers geval van een actuele bedreiging in de hiervoor bedoelde zin sprake is. Verweerders argument dat de actuele bedreiging is gelegen in de omstandigheid dat verzoeker thans nog in detentie verblijft als gevolg van de hem tegengeworpen antecedenten, kan hiervoor niet toereikend worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet zonder meer tot de conclusie kunnen komen dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Voorts is de voorzieningenrechter uit het bestreden besluit niet gebleken in hoeverre verweerder bij de besluitvorming rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel en daarbij met name de in artikel 28 van de Richtlijn genoemde aspecten. Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 06/59214

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Zwijndrecht,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, thans de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Gobardhan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 9 november 2006 (uitgereikt aan verzoeker in persoon op 21 november 2006) beslist verzoeker ongewenst te verklaren.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 1 december 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 4 december 2006 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De zaak is op 22 februari 2007 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Artikel 17 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag), luidt:

“1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.”

In artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag is bepaald dat iedere burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2.1.3. Ingevolge artikel 27, eerste lid van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L 158 van 30 april 2004; verder te noemen: de Richtlijn), kunnen de lidstaten, onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd moeten zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.

Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden gevoerd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn neemt het gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkenen op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong in overweging.

2.1.4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, sub 1º, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder gemeenschapsonderdanen verstaan: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard:

a. indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan;

b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l;

d. ingevolge een verdrag, of

e. in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

2.1.5. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het rechtmatige verblijf ontzeggen of beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Het door verweerder gehanteerde beleid ter zake van de ongewenstverklaring van EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

2.2. Verweerder heeft aan zijn besluit verzoeker ongewenst te verklaren ten grondslag gelegd dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder baseert zich hiervoor op de Richtlijn 64/221/EEG, alsmede de – daarvoor in de plaats gekomen – Richtlijn 2004/38/EG. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister is gebleken dat verzoeker bij vonnis van 30 november 2005, onherroepelijk geworden op 15 december 2005, van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te ’s-Gravenhage is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren en een maatregel van schadevergoeding van € 12.525,-, subsidiair 250 dagen hechtenis, voor diefstal met geweldpleging. Gezien deze veroordeling is in verzoekers geval sprake van een verwijtbare persoonlijke gedraging. De bedreiging die voortkomt uit deze gedraging is actueel en werkelijk, aangezien verzoeker door de strafrechter is veroordeeld en hij nog steeds gedetineerd is als gevolg van de hiervoor genoemde antecedenten. Het fundamentele belang is in voldoende ernstige mate geschonden, hetgeen kan worden afgeleid uit de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, die afgezet tegen de maximale strafbedreiging niet gering is. Verweerder heeft in het voorgaande aanleiding gezien verzoeker ongewenst te verklaren.

2.3. Verzoeker, die ten tijde van het besluit in Nederland gedetineerd was, kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat verweerder aan de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf en maatregel van schadevergoeding ten onrechte automatisch de conclusie verbindt dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling vormt ingevolge Richtlijn 64/221/EEG noch ingevolge Richtlijn 2004/38/EG voldoende grond voor de maatregel tot ongewenstverklaring. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de duur van verzoekers verblijf in Nederland, verzoekers leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met Zweden bij het nemen van het besluit in overweging te nemen. Verzoeker is van mening dat het besluit geen individuele toetsing bevat en dat met het rauwelijks toesturen van de beschikking, zonder toelichting of vertaling, niet aan de procedurele waarborgen als bedoeld in artikel 30 van de Richtlijn is voldaan.

Verzoeker meent dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening gezien de gebreken die aan het besluit kleven en het feit dat hem de mogelijkheid wordt onthouden om Nederland en ook de rest van het Schengengebied in te reizen. Verzoeker heeft kennissen en familieleden in verschillende Schengenlanden en wil de mogelijkheid hebben om hen te bezoeken.

2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4.1. Verzoeker heeft de Zweedse nationaliteit, zodat hij onderdaan is van een Lid-Staat en derhalve burger van de Europese Unie. Verzoeker, die zoals ter zitting is gebleken inmiddels in Zweden gevangen zit, heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening er voor hem onder meer in is gelegen dat hij naar Nederland of een van de andere Schengenlanden kan reizen voor het bezoeken van familie of vrienden. Verzoeker heeft in dit verband voorts aangegeven dat hij wellicht eerder in vrijheid zal worden gesteld, dan wel weekendverlof zal krijgen. Hoewel verzoeker niet heeft onderbouwd dat van vervroegde invrijheidstelling of verlof (op korte termijn) sprake zal zijn, ziet de voorzieningenrechter daarin onvoldoende grond voor het oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek.

2.4.2. Zoals uit het vorenstaande volgt is verzoeker burger van de Europese Unie. Verzoeker komt ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag een recht toe om op het grondgebied van een andere staat te verblijven. Verzoeker is derhalve aan te merken als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, sub 1º, Vw 2000.

Dit verblijfsrecht is evenwel niet onvoorwaardelijk en wordt slechts toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EU-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Voorts moeten deze beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig de algemene beginselen ervan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.

(Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, arrest ‘Baumbast’, 17 september 2002, zaaknummer C-413/99.)

Richtlijn 2004/38/EG regelt de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden, en de beperking daarvan om redenen van openbare orde of volksgezondheid (artikel 27 van de Richtlijn). Anders dan verzoeker heeft betoogd staat de Richtlijn er niet aan in de weg het verblijfsrecht van een burger van de Europese Unie te beëindigen.

Verweerder heeft, naar uit het bestreden besluit blijkt, getoetst aan de Richtlijn. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat verweerder heeft getoetst aan artikel 27 van de Richtlijn. Artikel 8:22 van het Vb 2000 geeft uitvoering aan artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder, indien hij daarvoor gronden aanwezig acht, niet met toepassing van artikel 8.22 van het Vb 2000 tot ongewenstverklaring van de EU-burger op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 over kan gaan. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft aangegeven op grond van welk onderdeel van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 hij zich heeft gebaseerd.

Verweerder heeft zich ter onderbouwing van de ongewenstverklaring op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De voorzieningenrechter is evenwel niet gebleken dat in verzoekers geval van een actuele bedreiging in de hiervoor bedoelde zin sprake is. Verweerders argument dat de actuele bedreiging is gelegen in de omstandigheid dat verzoeker thans nog in detentie verblijft als gevolg van de hem tegengeworpen antecedenten, kan hiervoor niet toereikend worden geacht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet zonder meer tot de conclusie kunnen komen dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Voorts is de voorzieningenrechter uit het bestreden besluit niet gebleken in hoeverre verweerder bij de besluitvorming rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel en daarbij met name de in artikel 28 van de Richtlijn genoemde aspecten.

Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Gelet hierop is sprake van een niet kennelijk rechtmatig besluit, zodat het besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve voor toewijzing in aanmerking.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de voorziening te treffen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:84 van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,- vergoedt.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb:

- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die voormelde proceskosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.