Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0532

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/3509
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / China / zicht op uitzetting

Gezien de door verweerder verstrekte informatie aangaande afgifte van laissez passers door de Chinese autoriteiten kan met betrekking tot de inbewaringstelling van vreemdelingen met de Chinese nationaliteit momenteel niet op voorhand worden aangenomen dat een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. Het is in een dergelijk geval aan verweerder om op grond van concrete, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat bedoeld reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn daadwerkelijk aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3509

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2007

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1984,

Chinese nationaliteit,

verblijvende te Rotterdam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. D.H. van den Elzen,

tegen

de Minister van Justitie,

te 's-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop

Op 18 december 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 12 januari 2007 is het eerdere beroep van eiser, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 23 januari 2007 opnieuw beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming, waarbij om schadevergoeding is verzocht.

Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder op 24 januari 2007 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 26 januari 2007.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 februari 2007, waar eiser is verschenen bij mr. R.W. Koevoets, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G.I. Ramsaroep.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van nadere informatie van eisers gemachtigde inzake de afgifte van laissez passers door de Chinese autoriteiten.

Bij faxbericht van 12 februari 2007 heeft eisers gemachtigde bedoelde informatie verstrekt. Hierop heeft verweerder, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, bij faxbericht van 15 februari 2007 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank naar aanleiding van de ontvangen informatie bij faxbericht van gelijke datum nadere vragen gesteld aan verweerder. Hierop heeft verweerder gereageerd bij faxbericht van 20 februari 2007. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens, na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, bij faxbericht van 23 februari 2007 zijn reactie gegeven.

De zaak is daarna behandeld ter nadere zitting van 27 februari 2007, waar eiser is verschenen bij mr. R.W. Koevoets, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P.W.M. Jans.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Daar eiser op zestienjarige leeftijd zijn land van herkomst heeft verlaten, is hij nimmer in het bezit geweest van een paspoort en/of een persoonsnummer, hetgeen zijn uitzetting bemoeilijkt. Bovendien is uitzetting naar China per definitie erg uitzonderlijk: blijkens informatie van verweerder wordt nog geen twee procent van de in bewaring gestelde Chinezen daadwerkelijk verwijderd naar China. Ook indien een Chinese vreemdeling volledige medewerking verleent aan zijn uitzetting, wordt vaak geen laissez passer afgegeven door de betreffende autoriteiten. Gelet hierop dient de onderhavige maatregel van bewaring te worden opgeheven wegens het ontbreken van het vereiste zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. In de op 12 februari 2007 zijdens eiser overgelegde informatie - zijnde een aan de rechtbank Rotterdam gericht schrijven van verweerder, gedateerd 1 februari 2007 - is vermeld dat in het jaar 2006 1304 aanvragen om afgifte van een vervangend reisdocument zijn ingediend bij de Chinese autoriteiten, dat in 37 gevallen bedoelde autoriteiten afgifte van een laissez passer hebben toegezegd en dat in 113 gevallen is aangegeven dat op basis van de in de aanvraag verstrekte gegevens geen vervangend reisdocument zal worden afgegeven. Bij voornoemd faxbericht van 15 februari 2007 heeft de rechtbank verweerder onder meer verzocht voornoemde aantallen te splitsen naar vreemdelingen die al dan niet volledige en juiste persoonsgegevens hebben verstrekt. Bij voornoemd faxbericht van 20 februari 2007 heeft verweerder aangegeven niet aan dit verzoek te kunnen voldoen, daar dergelijke informatie niet wordt geregistreerd. Verweerder heeft in dit faxbericht eerder genoemde aantallen betreffende het jaar 2006 herhaald, doch eraan toegevoegd dat de toezeggingen en weigeringen zowel betrekking hebben op het jaar 2006 als op voorgaande jaren. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat van het aantal laissez-passeraanvragen dat - naar de rechtbank begrijpt - in het jaar 2005 is ingediend, in het jaar 2006 21 toezeggingen tot afgifte zijn gedaan en 45 weigeringen zijn afgegeven. Verweerder heeft voorts vermeld dat de Chinese autoriteiten na toezegging tot afgifte van een laissez passer immer overgaan tot daadwerkelijke verstrekking van een laissez passer.

5. Bij uitspraak van 16 februari 2007 (registratienummer AWB 07/969) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, vastgesteld dat er in het jaar 2005 circa 300 laissez passers zijn afgegeven door de Chinese autoriteiten en overwogen dat verweerder onvoldoende heeft kunnen verklaren wat de oorzaak is van de aanzienlijke daling van het aantal verstrekte laissez passers in het jaar 2006 ten opzichte van het jaar 2005, welke daling omstreeks de maanden maart/april 2006 heeft ingezet.

6. Verweerder heeft de juistheid van genoemde constatering ter zitting (nogmaals) bevestigd. Verweerder heeft echter tevens benadrukt dat niet zozeer moet worden gekeken naar het aantal verstrekte laissez passers, maar naar het feit dat er daadwerkelijk door de Chinese autoriteiten laissez passers worden verstrekt. Op voorhand is niet uitgesloten dat presentatie van een vreemdeling bij de Chinese autoriteiten leidt tot afgifte van een laissez passer, zodat niet op voorhand kan worden gesteld dat geen sprake is van zicht op uitzetting, aldus verweerder. Verweerder heeft hierbij vermeld, dat door de Chinese autoriteiten in voorkomende gevallen geen laissez passer wordt afgegeven omdat de vreemdeling onvolledige gegevens heeft verstrekt, en opgemerkt dat verstrekking van volledige en juiste persoonsgegevens in beginsel zal leiden tot afgifte van een vervangend reisdocument.

7. Door de gemachtigde van eiser is daartegen aangevoerd dat de stelling van verweerder niet overeenkomt met de ruime ervaring met Chinese vreemdelingen in de eigen advocatenpraktijk. In voorkomend geval is zelfs twaalf maanden na indiening van een daartoe strekkende aanvraag nog geen laissez passer afgegeven ten behoeve van een Chinese vreemdeling die een kopie van zijn verlopen paspoort had overgelegd. Voorts blijkt het in de praktijk onmogelijk om met het oog op het verkrijgen van een laissez passer zelf schriftelijk dan wel mondeling contact te krijgen met de Chinese autoriteiten.

8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte laissez passers in het jaar 2006 opmerkelijk is gedaald en dat sindsdien slechts in 2 à 3% van de ingediende aanvragen een laissez passer wordt verstrekt. Bij een dermate laag percentage kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer op voorhand worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting. Daaraan doet niet af dat er kennelijk nog een groot aantal aanvragen in behandeling is. Het gaat immers om de aanwezigheid van een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Gelet op het ingrijpende karakter van de vrijheidsbenemende maatregel van vreemdelingenbewaring kan het niet zo zijn dat het merendeel van de in vreemdelingenbewaring gestelde Chinese vreemdelingen gedurende langere tijd in vreemdelingenbewaring verblijft, totdat eerst in het kader van de belangenafweging na zes maanden of langer moet worden geconstateerd dat de bewaring dan toch maar moet worden opgeheven.

9. Verweerders stelling, dat ingeval de vreemdeling voldoende en juiste gegevens verstrekt mag worden aangenomen dat door de Chinese autoriteiten een laissez passer zal worden verstrekt, kan aan het voorgaande evenmin afdoen. Verweerder heeft die stelling immers niet kunnen onderbouwen. Verweerder is niet in staat gebleken informatie te verschaffen over de mate waarin de houding van een Chinese vreemdeling en/of de verstrekking van volledige en juiste gegevens door een Chinese vreemdeling van invloed is geweest op het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte of geweigerde laissez passers dan wel op het aantal nog in behandeling zijnde laissez passers.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de inbewaringstelling van vreemdelingen met de Chinese nationaliteit momenteel niet op voorhand kan worden aangenomen dat een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. Het is in een dergelijk geval aan verweerder om op grond van concrete op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat bedoeld reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn daadwerkelijk aanwezig is.

11. De rechtbank stelt voorts vast dat in de onderhavige zaak noch gesteld, noch gebleken is van frustratie van het identiteits- en nationaliteitsonderzoek door eiser dan wel van andere concrete feiten of omstandigheden op grond waarvan (vooralsnog) niet gezegd zou kunnen worden dat in casu bedoeld zicht op uitzetting niet ontbreekt.

12. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat met ingang van 23 januari 2007 - zijnde de datum van instelling van het onderhavige beroep - geen sprake meer is van het voor de voortduring van de maatregel van bewaring vereiste reële zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de bewaring bijgevolg met ingang van genoemde datum onrechtmatig is. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en de maatregel van bewaring dient te worden opgeheven.

13. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

14. Nu de onderhavige maatregel van bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 23 januari 2007 onrechtmatig is geweest, acht de rechtbank termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is opgeheven, te weten 28 februari 2007, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser schadevergoeding toekomt voor de periode van 23 januari 2007 tot en met 27 februari 2007.

15. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzake de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van

€ 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

16. De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van 23 januari 2007 tot en met 27 februari 2007 in een huis van bewaring heeft verbleven. De schadevergoeding bedraagt derhalve 36 x € 70,00 = € 2520,00.

17. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

•1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

•1 punt voor het verschijnen ter zitting;

•0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting;

•waarde per punt € 322,00;

•wegingsfactor 1.

18. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

-verklaart het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring gegrond;

-beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring van eiser met ingang van 28 februari 2007;

-wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 2520,00;

-veroordeelt verweerder in de door de eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 805,00, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.W.A. Peters als griffier op 28 februari 2007.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 2520,00 (zegge: TWEEDUIZENDVIJFHONDERDENTWINTIG EURO).