Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0395

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
KG 06/1398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vereniging van Surinaamse Nederlanders e.a. tegen de Staat over de 100%-controle op Schiphol op de vluchten uit Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en Venezuela. De 100%-controle houdt in dat passagiers, hun bagage, de vracht en het vliegtuig systematisch worden gecontroleerd op verboden goederen. Eisers vorderen de Staat te veroordelen de 100%-controle op Schiphol te staken en gestaakt te houden zolang er geen wettelijke grondslag voor deze controles bestaat. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er een wettelijke basis voor de 100%-controles op de vluchten uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela. Niet gebleken is dat de Staat onrechtmatig handelt door deze controles uit te voeren. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat het oponthoud als gevolg van de 100%-controles voor sommige reizigers als onprettig en lastig worden ervaren, doch dat is onvermijdelijk. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 184
O&A 2007, 52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 12 maart 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/1398 van:

1. Vereniging van Surinaamse Nederlanders,

gevestigd te Nijmegen,

2. Vereniging van Reizigers,

gevestigd te Nijmegen,

3. Sociaal Kulturele Vereniging SHIVA,

gevestigd te Paramaribo, Suriname,

4. Vereniging Belangenbehartiging Surinaamse Nederlanders,

gevestigd te district Wanica, Suriname,

5. mr. Rudolf Lachmipersad Jankie Stichting,

gevestigd te Paramaribo, Suriname,

6. Vereniging Van Surinaamse Ondernemers,

gevestigd te Paramaribo, Suriname,

7. Mahenderpersad Jankie,

wonende te Nijmegen,

8. Bisoen Doerga,

wonende te Rotterdam,

eisers,

procureur mr. A. Jankie,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministeries van Justitie, Financiën en Defensie),

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

procureur mr. C.M. Bitter.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "eisers" en "de Staat".

1. Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagde doen dagvaarden tegen de zitting van 15 december 2006.

Op 15 december 2006 is ter griffie van deze rechtbank van de zijde van eisers nog ontvangen een brief d.d. 14 december 2006 met 46 producties alsmede een aantal uitspraken. De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen deze producties met uitzondering van de uitspraken.

Nadat partijen de zaak mondeling hebben toegelicht op 15 december 2006 waarbij tevens pleitnota's zijn overgelegd, heeft op 20 december 2006 een gerechtelijke plaatsopneming ter plaatse van de luchthaven Schiphol plaatsgevonden.

Partijen zijn vervolgens nog in de gelegenheid gesteld aktes te nemen naar aanleiding van de bevindingen van de descente. Van de zijde van eisers is op 22 december 2006 een akte met producties ontvangen. De Staat heeft op 2 januari 2007 zijn antwoordakte ingediend.

Vervolgens heeft mr. Jankie namens eisers op 5 januari 2007 een verzoek tot wraking van de behandelend voorzieningenrechter, mr. R.J. Paris, ingesteld. Op 26 februari 2007 is dit verzoek behandeld en bij beschikking d.d. 8 maart 2007 is het verzoek tot wraking afgewezen.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 15 december 2006 alsmede de bevindingen van de voorzieningenrechter ter gelegenheid van de descente ter plaatse van de luchthaven Schiphol op 20 december 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Sinds december 2003 vindt er op de luchthaven Schiphol (hierna aan te duiden als: Schiphol) op de vluchten uit Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en Venezuela een 100%-controle plaats. Bij de 100%-controles zijn verschillende diensten betrokken. Het controleproces ligt in handen van de douane. Eventuele verdachten worden door de douane aangehouden en overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar), waarna zij, onder het gezag van het Openbaar Ministerie, het opsporingsproces voor haar rekening neemt.

2.2. De 100%-controle houdt in dat passagiers, hun bagage, de vracht en het vliegtuig systematisch worden gecontroleerd op verboden goederen. Vanaf het moment dat het vliegtuig landt, volgt de douane het vliegtuig om te voorkomen dat er bagage of vracht ongezien het vliegtuig uit kan. De douane volgt vervolgens de bagagewagens totdat deze in de douanekelders zijn aangekomen. Zodra de deuren van het vliegtuig opengaan en de passagiers de slurf naar het luchthavengebouw inlopen staan daar aangelijnde drugshonden die de kleding en bagage van de passagiers besnuffelen. Bij het betreden van het luchthavengebouw staan vervolgens douaneambtenaren klaar die aan iedere passagier vragen stellen en vragen naar het paspoort en het vliegbewijs.

2.3. Aan de hand van de zogenaamde 'slikkerscriteria' bepaalt de douane of een passagier kan worden aangemerkt als een potentiële bolletjesslikker. Indien tijdens het interview bij het betreden van de luchthaven blijkt dat iemand voldoet aan de criteria wordt hij aan een nadere controle onderworpen. Datzelfde geldt indien de drugshond "aanslaat".

2.4. Iedere passagier die niet in aanmerking komt voor een nadere controle wordt gefouilleerd en diens handbagage wordt gescand door middel van een X-ray. Steekproefsgewijs wordt van een aantal passagiers de handbagage fysiek gecontroleerd. Vervolgens kan een passagier zijn weg - via de paspoortcontrole - naar de bagageband vervolgen. Voordat de passagier zich naar de 'openbare' aankomsthal begeeft, wordt zijn (overige) bagage gecontroleerd door middel van een X-ray en/of dient op verzoek de bagage geopend te worden zodat een fysieke controle kan plaatsvinden.

2.5. Indien iemand wel in aanmerking komt voor een nadere controle wordt hij meegenomen naar een aparte ruimte. Hier vindt in ieder geval een selectie-interview plaats, dat wordt afgenomen door een douaneambtenaar. Indien de douane het vermoeden heeft dat iemand drugs onder de kleding vervoert, wordt (soms) lijfsvisitatie met ontkleding toegepast. In het geval bij een passagier verboden middelen worden aangetroffen of een passagier als verdachte wordt aangemerkt na dit selectie-interview, wordt hij overgeleverd aan de KMar en overgebracht naar het Detentiecentrum Schiphol-Oost. De beoordeling of een passagier als verdachte wordt aangemerkt gebeurt sinds februari 2006 op basis van de mening van twee douaneambtenaren.

2.6. In het detentiecentrum is een bodyscanapparaat aanwezig waarmee vastgesteld kan worden of een verdachte bolletjes heeft geslikt. Het is aan de verdachte om vrijwillig een bodyscan te laten maken. Indien komt vast te staan via een bodyscan of na 'driemaal schoon produceren', dat de verdachte passagier geen bolletjes heeft geslikt en dus onschuldig is, vervalt de verdenking en wordt de passagier heengezonden. Deze passagier ontvangt van de Koninklijke Marechaussee een standaard excuusbrief.

2.7. In de periode van 1 januari 2004 tot 1 april 2006 zijn bij de 100%-controles 6.550 reizigers op Schiphol aangehouden op verdenking van het slikken van bolletjes en overgebracht naar het detentiecentrum. Van hen bleken er 2.176 onschuldig te zijn.

2.8. De Nationale ombudsman heeft recent een onderzoek uitgevoerd naar de 100%-controles en heeft zich daarmee ten doel gesteld vast te stellen in hoeverre bij die controles en bij de behandeling van aangehoudenen recht wordt gedaan aan de vereisten van behoorlijkheid die gelden in het verkeer tussen overheid en burgers. De Nationale ombudsman heeft zijn aandacht in het bijzonder gericht op eventuele aanpassingen die de betrokken ministers sinds de invoering van de controles in december 2003 in het licht van bedoelde behoorlijkheidsvereisten hebben doorgevoerd.

2.9. Het onderzoek heeft geresulteerd in een rapport d.d. 27 juni 2006 waarin een aantal concrete aanbevelingen aan de drie betrokken ministers wordt gedaan. De volgende aanbevelingen zijn gedaan:

- stop lijfsvisitatie met ontkleding in het kader van controle,

- verbeter de faciliteiten op Schiphol,

- verbeter de informatieverstrekking,

- ga anders om met onschuldige slikverdachten,

- zorg voor integrale klachtbehandeling.

Een aantal aanbevelingen is reeds opgevolgd.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van een dwangsom te veroordelen de 100%-controle op Schiphol te staken en gestaakt te houden zolang er geen wettelijke grondslag voor deze controles bestaat, met kostenveroordeling.

3.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan. Zij stellen dat er geen wettelijke basis is voor de 100%-controles waardoor deze controles onrechtmatig zijn en onmiddellijk dienen te worden stopgezet. Voorts hebben eisers aangevoerd dat de Staat niet heeft aangetoond dat er voor de vluchten uit Suriname, Nederlandse Antillen, Aruba en Venezuela een grondslag is om de 100%-controle specifiek op deze vluchten uit te voeren; deze controles zijn dan ook discriminatoir. Daarnaast maken eisers opmerkingen over de bejegening, opname op een zwarte lijst en het ontbreken van een duidelijke klachtenregeling.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het bezwaar van de Staat tegen overlegging van de brief d.d. 14 december 2006 met producties zijdens eisers wordt gegrond geacht nu het gaat om een stuk dat eerst op 15 december 2006 aan de Staat en de rechtbank is overgelegd en de inhoud aan de Staat, met uitzondering van de uitspraken, tot op dat moment onvoldoende bekend was. Nu het daarnaast gaat om een zeer groot aantal producties, wordt geoordeeld dat de Staat aldus onvoldoende in de gelegenheid is gesteld behoorlijk te kunnen reageren op de inhoud ervan. Op deze brief met producties, met uitzondering van de aangehaalde uitspraken, zal daarom bij het navolgende geen acht worden geslagen.

4.2. Eisers hebben ter zitting ingestemd met een descente voorzover deze het karakter van een onaangekondigd bezoek zou hebben. Bij akte van 22 december 2006 stellen zij dat de douane via de media vooraf op de hoogte was van de onderhavige descente. Deze stelling wordt zijdens de Staat betwist. Aan de douaniers die bij de bij te wonen 100%-controle waren betrokken is enkel medegedeeld dat er die dag bezoekers zouden worden rondgeleid, hetgeen volgens de Staat vaker gebeurt. De Staat stelt geen journalisten of anderen dan de direct bij het kort geding betrokken ambtenaren te hebben geïnformeerd over de datum en het tijdstip van de descente.

De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat de descente een momentopname is, doch is van oordeel dat het wel een algemeen inzicht geeft. Bovendien heeft de voorzieningenrechter beide partijen in de gelegenheid gesteld na de descente een akte te nemen naar aanleiding van de bevindingen aldaar, zodat zij voldoende in de gelegenheid zijn te wijzen op de huns inziens nodige nuanceringen. De correspondentie die is ingebracht na 20 december 2006 en geen betrekking heeft op de bevindingen tijdens de descente wordt, zoals ook met partijen is afgesproken, niet in aanmerking genomen.

De ontvankelijkheid

4.3. Een aantal eisers heeft als rechtsingang gekozen voor de zogenoemde "collectieve actie", waartoe artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de mogelijkheid biedt. De voorzieningenrechter begrijpt uit hetgeen die eisers naar voren hebben gebracht dat zij in deze procedure opkomen voor het algemeen belang dat de Staat ophoudt met de 100%-controles op Schiphol.

De voorzieningenrechter acht niet onaannemelijk dat bedoelde eisers de in dat artikel genoemde belangenbehartiging beogen. Nu de Staat bovendien dit punt slechts summier noemt en in feite dienaangaande geen verweer voert, kunnen ook die eisers in hun vordering ontvangen worden.

Ten aanzien van de wettelijke grondslag

4.4. Eisers stellen dat de douane de bevoegdheid in het kader van de 100%-controle baseert op de Douanewet en de Communautaire Douanewet. De Douanewet is volgens eisers echter niet van toepassing aangezien deze niet bedoeld is voor het controleren op drugs. De enige wijze waarop de Douanewet gebruikt mag worden is voor controle op goederen die belastbaar zijn en drugs zijn dit niet, aldus eisers.

4.5. De Staat erkent dat de 100%-controle primair gericht is op de invoer van drugs, doch is volgens hem ook gericht op andere verboden middelen. De Staat betwist dat deze controle zonder grondslag is. Artikel 37 lid 1 van het Communautaire Douane Wetboek bepaalt dat de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht zijn onderworpen. Zij kunnen volgens de tweede volzin overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd. Daarnaast geeft de Douanewet (artikel 11 tot en met 18) een douaneambtenaar een aantal bevoegdheden tot controle van de naleving van wettelijke bepalingen. Bij de beoordeling van de controlebevoegdheden is in dit kader met name van belang dat een verplichting tot aanbrengen - en daarmee de controle door de douane - niet is beperkt tot voorwerpen waarover accijns of belasting wordt geheven, maar ook geldt voor voorwerpen of stoffen die in Nederland verboden zijn. De douane is daarmee op grond van de Douanewet bevoegd ook (specifiek) op drugs te controleren, en mag de (controle)bevoegdheden die zij aan die wet ontleent bij de controle inzetten, aldus de Staat.

4.6. De voorzieningenrechter volgt de stelling van de Staat terzake. De douane is belast met de handhaving van nationale, Europese en andere internationale wettelijke bepalingen voor inkomende en uitgaande goederenstromen. Tot haar werkterrein behoren fiscale taken en niet-fiscale taken, waar het gaat om de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de kwaliteit van het leefmilieu. De douane heeft bij de uitvoering van haar taken drie kernfuncties:

1) de stopfunctie, daarmee voorkomt de douane, met het oog op de bescherming van de veiligheid, de gezondheid, de economie of het milieu, dat goederen waarvoor een verbod geldt het grondgebied van de Europese Unie (EU) of Nederland binnenkomen of verlaten;

2) de bewakingsfunctie, daarmee zorgt de douane ervoor dat binnengebrachte goederen onder toezicht worden gehouden totdat ze een toegestane bestemming krijgen;

3) de heffing- en inningsfunctie, daarmee zorgt de douane ervoor dat de bij invoer te betalen belastingen op juiste wijze worden berekend en ook worden geïnd.

4.7. De Hoge Raad heeft zich over de werkzaamheden van de douane uitgelaten in zijn arrest d.d. 13 mei 1997, NJ 1998, 481. Uit dit arrest blijkt dat controle betrekking kan hebben op alle goederen, opdat kan worden bezien of belasting verschuldigd is. Het binnen Nederland brengen van verboden goederen, zoals drugs, zonder dat daarvan aangifte wordt gedaan bij een douanekantoor is op grond van de Douanewet een strafbaar feit. Douaneambtenaren zijn bevoegd te controleren op de naleving van deze wettelijke bepalingen. Daarnaast is in de Opiumwet inmiddels ook in artikel 8j vastgelegd dat douaneambtenaren belast zijn met het toezicht op - onder andere - het invoeren van drugs. De voorzieningenrechter is daarmee van oordeel dat een wettelijke grondslag voor de 100%-controles - ook als die enkel is gericht op de opsporing van drugs - door de douane aanwezig is.

ten aanzien van de 100%-controle voor de vluchten uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela

4.8. De Staat heeft naar de mening van eisers niet aangetoond dat er aanleiding is om specifiek op de vluchten uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela een 100%-controle uit te voeren bijvoorbeeld in verband met vervoer van meer drugs dan vanuit andere landen. Eisers wijzen erop dat er meer landen zijn waaruit relatief veel drugs geëxporteerd wordt.

4.9. De Staat heeft verweer gevoerd tegen deze stelling en heeft ter onderbouwing daarvan - kort gezegd - verwezen naar verschillende Kamerstukken en dan met name naar de brieven, met voortgangsrapportages, aan de Tweede Kamer over de 100%-controles. Uit deze brieven kan onder andere het volgende worden opgemaakt.

4.10. De minister van Justitie identificeert de problematiek van de smokkel van verdovende middelen door drugskoeriers via Schiphol in september 2002 als een zeer weerbarstige kwestie. Aangezien de maatregelen die tot dan toe waren getroffen niet hadden geleid tot een aanzienlijke vermindering van het aantal drugskoeriers dat via Schiphol ons land binnenkomt, was er aanleiding additionele maatregelen voor te bereiden. Zijn uitgangspunt vormde een meer 'stofgerichte' aanpak en ontlasting van de justitiële keten. Sinds het voorjaar 2002 is door de kernteams Randstad Noord en Midden en Haaglanden/Hollands Midden en de KMar Schiphol gewerkt aan een criminaliteitsbeeldanalyse van de drugssmokkel met behulp van drugskoeriers via Schiphol. Het college van Procureurs-generaal heeft op 5 juni 2003 aan de minister van Justitie de zogenaamde 'Criminaliteitsbeeldanalyse cocaïnekoeriers Schiphol' (CBA) aangeboden. Deze CBA geeft inzicht in de productie- en exportgebieden van cocaïne, de koeriers en de organisaties, de gevolgen van de cocaïnehandel via koeriers en de maatregelen en hun effecten.

4.11. Uit de CBA blijkt dat Colombia, Peru en Bolivia nagenoeg alle cocaïne in de wereld produceren. Vanuit deze landen vindt via de zeehavens en via tussenstations in Midden Amerika en de eilanden van het Caribische gebied wereldwijd transport plaats naar de Verenigde Staten en naar Europa. Van de ruim 500 ton die op de wereldmarkt komt, zou naar schatting ruim 100 ton richting Europa gaan. Daarvan zou tussen de 16 en 22 ton via Suriname gaan, waarbij Nederland waarschijnlijk de belangrijkste bestemming is. Het Caribisch gebied wordt beschouwd als het grootste transitogebied voor cocaïnetransporten. Tijdens de descente is gebleken dat vluchten uit onder andere Ecuador en Peru een tussenstop op de Nederlandse Antillen hebben, zodat ook de vluchten van die bestemmingen onderworpen worden aan de 100%-controle. Vanuit Colombia en Bolivia wordt niet rechtstreeks op Schiphol gevlogen.

4.12. Uit de CBA blijkt voorts dat de productie en export van cocaïne de laatste jaren - na het uiteen vallen van grote drugskartels - in handen van kleinere, netwerkachtige organisaties is gekomen. Factoren als ontwikkelingen in de luchtvaart, liberalisering van de wereldhandel en de enorme groei van het internationale goederen- en personenverkeer, maken het om smokkeltactische en -technische redenen aantrekkelijker om de cocaïne in kleinere hoeveelheden via de lucht te smokkelen aangezien deze vorm van smokkel een lagere organisatievorm vereist dan bijvoorbeeld bulksmokkel per schip. Daarbij wordt in samenhang gezien de gunstige geografische positie van de eilanden in het Caribische gebied en de tevens veelal slechte economische positie en armoede van veel inwoners van de Nederlandse Antillen en Suriname en het feit dat de inwoners van de Nederlandse Antillen en Suriname (vaak) vrije toegang hebben tot het (voormalige) moederland, waar drugsorganisaties vaak dankbaar gebruik van maken. De minister heeft tevens nog opgemerkt dat de rol van Venezuela opvallend is, aangezien daar "verdreven" Colombiaanse handelaren soms grootgrondbezit hebben verworven. Hierdoor en mede door het afsluiten van Panama en Nicaragua als belangrijke landroutes voor cocaïnetransporten, zijn begin jaren negentig alternatieve routes via de Caribische eilanden ontstaan.

4.13. Voorts blijkt uit de zevende voortgangsrapportage d.d. 29 september 2006 dat er oog voor is dat de drugsmarkt voortdurend in beweging is. Naast de intensieve 100%-controles controleert het Schipholteam de overige vluchten op ad-hoc basis. Met de resultaten daarvan kan bekeken worden of zich verplaatsingseffecten voordoen.

4.14. Het vorengaande in ogenschouw genomen deelt de voorzieningenrechter de stelling van eisers niet. De Staat heeft daarmee voldoende aangetoond waarom specifiek op de vluchten uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela de 100%-controle wordt uitgevoerd.

4.15. Gelet op het voorgaande is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dus een wettelijke basis voor de 100%-controles op de vluchten uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela. Rest thans nog de vraag of de controles behoorlijk worden uitgevoerd.

4.16. De Nationale ombudsman heeft zich daarover nog zeer recent gebogen. Hij heeft in zijn rapport enkele aanbevelingen gedaan, zoals uiteengezet onder 2.9. Het valt allereerst op dat het percentage aanhoudingen op verdenking van het slikken van bolletjes van achteraf onschuldig geblekenen in de periode van 1 januari 2004 tot 1 april 2006 hoog is. Er waren 2.176 onschuldigen op 6.550 verdachten, hetgeen neerkomt op 33% onschuldigen. De Nationale ombudsman heeft in dat kader als aandachtspunt meegegeven dat de verhouding tussen het aantal "terechte" en "onterechte" verdenkingen goed dient te worden gemonitord en dat op basis van zorgvuldige analyses voortdurend dient te worden bezien in hoeverre aanpassing van de slikkerscriteria kan leiden tot een lager percentage onschuldige slikverdachten. Volgens de Staat zijn de slikkerscriteria inmiddels aangepast en worden ze ook voortdurend geanalyseerd en zonodig, op basis van met name ervaringen uit de praktijk, verder aangepast. Tijdens de descente is namens de Staat naar voren gebracht dat het huidige percentage rond de 20% ligt. In absolute aantallen komt het volgens de Staat neer op het volgende; op de gemiddeld 37 vluchten per week, wat neerkomt op ongeveer 11.000 passagiers, worden gemiddeld 20 mensen per week als verdachte aangehouden en overgedragen aan de KMar.

4.17. Met eisers acht de voorzieningenrechter het percentage onschuldig gebleken verdachten hoog. Kennelijk zijn de opsporingsmethoden thans niet belangrijk te verfijnen. Niettemin is de voorzieningenrechter, gezien het gestelde doel, van oordeel dat daarmee de 100%-controle nog niet onrechtmatig is. Dat de Staat zijn uiterste best moet doen om het aantal onschuldige slikkersverdachten zo klein mogelijk te houden staat voorop. Ook dient de Staat de overlast voor verdachten, gezien het hoge percentage onschuldigen, zoveel mogelijk te beperken. In dat kader is het ook zeer wenselijk dat er een bodyscanapparaat op Schiphol wordt geplaatst, hetgeen per 1 maart 2007 zal gebeuren. Op die manier hoeft een verdachte niet eerst te worden overgebracht naar het detentiecentrum om zijn onschuld te bewijzen. Dat scheelt aanzienlijk in tijd.

4.18. Eisers hebben daarnaast opgemerkt dat de bejegening van de reizigers niet behoorlijk is. Volgens hen is gebleken dat reizigers tijdens de controles te maken krijgen met een behandeling die als vernederend kan worden ervaren. Zij hebben in dat kader meerdere punten aangegeven waarop die vernedering zou plaatsvinden. Zo geven zij onder andere als voorbeelden: het tutoyeren van reizigers door douaneambtenaren, het soort vragen dat gesteld wordt door de douaneambtenaren bij het bepalen of iemand in aanmerking komt voor een nadere controle, het fouilleren in het zicht van anderen, de lijfsvisitatie, de duur van de hele controle en de behandeling van (onschuldig gebleken) verdachten. Eisers hebben daarbij verwezen naar verschillende uitspraken, genoemd in de pleitnota.

4.19. De door eisers aangehaalde uitspraken dateren uit 2005 of eerder en zijn inmiddels (grotendeels) achterhaald. De Staat heeft, zo heeft hij gesteld en zo is tijdens de descente gebleken, een groot aantal aanbevelingen van de Nationale ombudsman doorgevoerd teneinde de controles voor de reiziger beter te laten verlopen. Bij het betreden van de luchthaven staan er borden met informatie over de controles die op dat moment plaatsvinden. Het fouilleren vindt achter schotten en gescheiden per geslacht plaats, zodat het voor anderen niet zichtbaar is. Lijfsvisitatie, waarmee gedoeld wordt op het ontkleden en waarvoor een wettelijke basis in artikel 17 Douanewet is te vinden, vindt door de douane nog een enkele keer plaats als er een vermoeden bestaat dat een passagier drugs op zijn lichaam draagt. 'Schouwen' vindt in het geheel niet meer plaats door de douane. Ten aanzien van de duur van de gehele controle is de voorzieningenrechter tijdens de descente gebleken dat die acceptabel is. De passagiers die niet aan een nader interview dienden te worden onderworpen waren na een half uur nadat de deuren van het vliegtuig waren opengegaan allemaal uit de gate en op weg naar de bagageband. De Nationale ombudsman heeft geoordeeld dat voor dit 'gate-proces' maximaal een uur mag worden gerekend en dat het gehele proces, inclusief de controle in de reclaimruimte, maximaal twee uur mag beslaan. Het vliegtuig dat tijdens de descente is gevolgd zat weliswaar niet helemaal vol, 320 passagiers in een vliegtuig waarin 451 passagiers kunnen, dat wil zeggen een bezetting van 71%, doch ook in het geval van een volledige bezetting zou de aanvaardbare tijd van de Nationale ombudsman niet overschreden zijn. Ook de voorzieningenrechter oordeelt een dergelijk oponthoud redelijk en daarom niet onrechtmatig.

Voor wat betreft de behandeling van reizigers die als verdachte zijn aangemerkt, is tijdens de descente gebleken dat deze inmiddels is verbeterd. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat in het verleden de behandeling anders was, doch de huidige behandeling wordt acceptabel geoordeeld. Ten aanzien van de overige punten van eisers zij het volgende opgemerkt. Met eisers is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tot de beleefdheidsvormen behoort dat douanebeambten de reizigers niet tutoyeren. Dit betreft echter niet alleen de reizigers bij de 100%-controles doch geldt voor iedere reiziger. Voorts is onvoldoende gebleken dat de vragen die aan reizigers gesteld worden als vernederend kunnen worden aangemerkt. Ten slotte nog het punt van eisers dat onschuldig gebleken verdachten terug hun cel in zouden moeten tot er vervoer van Schiphol-Oost naar Schiphol-plaza is geregeld. Tijdens de descente is door de KMar medegedeeld dat passagiers die onschuldig blijken te zijn, direct vrij zijn om te vertrekken. Indien die passagier er echter voor kiest om teruggebracht te worden naar Schiphol-plaza en er niet direct vervoer gereed is voor hem, dient hij inderdaad in zijn cel te wachten vanwege het feit dat hij zich op een politiebureau bevindt en hij daar niet vrij mag rondlopen, terwijl er (nog) geen algemene wachtruimte is.

Alhoewel de bejegening op sommige punten verbeterd zou kunnen worden, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het algemeen beschouwd geen sprake van zodanige behandelingen tijdens de 100%-controles dat deze onrechtmatig bevonden kunnen worden.

4.20. Vervolgens hebben eisers gesteld dat personen die in het kader van de 100% controle als verdachten worden aangemerkt op een zwarte lijst worden geplaatst, waardoor luchtvaartmaatschappijen over namen van passagiers beschikken die eens als verdachte zijn aangemerkt. Het feit dat achteraf blijkt dat iemand onterecht als verdachte is aangemerkt, houdt niet in dat die persoon automatisch van de zwarte lijst wordt gehaald, aldus eisers.

Gebleken is dat deze stelling in elk geval inmiddels achterhaald is. Niet gebleken is dat thans ook achteraf onschuldig geblekenen op een zwarte lijst voorkomen. Tijdens de descente heeft de KMar erkend dat in het verleden brieven werden uitgereikt op Schiphol-plaza zodra iemand als verdachte werd aangemerkt waarin stond dat hij op de zwarte lijst zou worden geplaatst. Hierdoor ontvingen dus ook passagiers die achteraf onschuldig bleken te zijn deze brief. Inmiddels worden de 'zwarte lijst brieven' enkel nog in het detentiecentrum uitgereikt wanneer iemand daadwerkelijk als verdachte is aangemerkt.

4.21. Ten slotte nog het punt van eisers dat er een duidelijke klachtenregeling ontbreekt. Ook dit punt kan als achterhaald worden beschouwd, nu gebleken is dat er inmiddels één centraal klachtenloket is. De stelling van eisers dat passagiers vooraf door middel van een voorlichtingsformulier op de hoogte dienen te worden gesteld over de klachtenprocedure deelt de voorzieningenrechter niet.

4.22. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen. Niet gebleken is dat de Staat onrechtmatig handelt door deze controles uit te voeren. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat het oponthoud als gevolg van de 100%-controles voor sommige reizigers als onprettig en lastig worden ervaren, doch dat is onvermijdelijk.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.064,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 248,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 12 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

ks