Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0365

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
09/535682-06, 09/920181-03 (TUL) en 09/930694-04 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van een viertal straatroven. Tijdens deze rooftocht gingen verdachte en zijn medeverdachte telkens volgens een vooropgezet plan te werk, hetgeen blijkt uit het feit dat zij met een scooter op hun slachtoffers inreden dan wel hen de weg afsneden waardoor dezen moesten stoppen en vervolgens beroofd werden van geld en/of voorwerpen met toepassing van grof geweld dan wel dreiging daarmee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/535682-06, 09/920181-03 (TUL) en 09/930694-04 (TUL)

's-Gravenhage, 9 maart 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 februari 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.C. Peterse, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 cumulatief/alternatief, 2 cumulatief/alternatief, 3 cumulatief/alternatief, 4, 5 en 6 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag - ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag - dit zolang die instelling zulks nodig acht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 217,83 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen voor genoemd bedrag.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 217,83, subsidiair 4 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer X].

Tevens heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie, waartoe verdachte bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 20 november 2003 is veroordeeld, te weten 2 maanden jeugddetentie, met dien verstande dat de jeugddetentie zal worden omgezet in een gevangenisstraf.

Ook heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie, waartoe verdachte bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 2 november 2004 is veroordeeld, te weten 1 week jeugddetentie, met dien verstande dat de jeugddetentie zal worden omgezet in een gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 tweede cumulatief/alternatief is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 3 en 4 het verweer gevoerd dat haar cliënt en zijn medeverdachte meteen vanaf het moment dat zij [slachtoffer Y] en [slachtoffer Z] hadden ontmoet, ieder los van elkaar een slachtoffer voor hun rekening namen. Haar cliënt heeft uitsluitend [slachtoffer Y] overvallen, zodat er geen sprake was van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering met als gevolg dat - voor wat betreft feit 3 - diefstal/afpersing in vereniging niet kan worden bewezen verklaard en dat haar cliënt voor feit 4 dient te worden vrijgesproken, nu het uitsluitend de medeverdachte is geweest die [slachtoffer Z] heeft beroofd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte samen het plan hadden opgevat om een aantal willekeurige personen te beroven. Van hun rooftocht zijn onder anderen [slachtoffer Y] en [slachtoffer Z] het slachtoffer geworden. De verdachten hebben met hun scooter eerst de weg voor beide slachtoffers geblokkeerd, waardoor dezen moesten stoppen. Daarna zijn de slachtoffers ook daadwerkelijk, volgens plan van de verdachten, beroofd. In hun rolverdeling heeft verdachte [slachtoffer Y] en zijn medeverdachte [slachtoffer Z] voor zijn rekening genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake geweest van een dusdanige bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, dat verdachte dient te worden aangemerkt als medepleger van de onder 3 cumulatief/alternatief en 4 telastgelegde feiten.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de - gewijzigde - dagvaarding onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 en 6 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een medeverdachte in de nacht van 21 oktober 2006 schuldig gemaakt aan het plegen van een viertal straatroven. Tijdens deze rooftocht gingen verdachte en zijn medeverdachte telkens volgens een vooropgezet plan te werk, hetgeen blijkt uit het feit dat zij met een scooter op hun slachtoffers inreden dan wel hen de weg afsneden waardoor dezen moesten stoppen en vervolgens beroofd werden van geld en/of voorwerpen met toepassing van grof geweld dan wel dreiging daarmee.

Naast financiële schade, plegen laffe feiten als deze ook diepgaande gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers, met vaak nog langdurige nadelige psychische gevolgen, teweeg te brengen. Naast de gevolgen voor de directe slachtoffers, worden door dergelijke feiten ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt.

Verdachte heeft zich in het geheel hiervan geen rekenschap gegeven en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen materieel gewin. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte geen inzicht toont in zijn eigen functioneren ten opzichte van derden. De rechtbank weegt in haar beslissing dan ook mee dat uit de proceshouding van verdachte niet is gebleken dat hij alsnog verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft gedaan. Integendeel, verdachte heeft zich tijdens de behandeling ter terechtzitting op bagatelliserende wijze uitgelaten over de door hem gepleegde feiten waarbij hij zich verschuilt achter een ruzie die hij met zijn vriendin had gehad en de hoeveelheid alcohol die hij had gedronken.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en aan mishandeling, maar het zwaartepunt bij de bepaling van de op te leggen straf in deze zaak wordt gevormd door de vier gepleegde straatroven.

De rechtbank neemt mede in aanmerking dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 november 2006 - reeds eerder wegens, ook gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld, uit welke veroordelingen verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken. Voorts liep verdachte ten tijde van het plegen van de thans bewezen geachte feiten nog in twee proeftijden van voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering d.d. 22 januari 2007. Uit dit rapport komt - kort samengevat - naar voren dat wanneer verdachte over de delicten spreekt hij neigt tot bagatelliseren. Het kernprobleem is dat verdachte weinig initiatief en verantwoordelijkheid toont. De rapporteur heeft de indruk dat verdachte heeft geprofiteerd van eerdere interventies om de kans op recidive te verminderen, maar de kans op recidive wordt nog steeds gemiddeld tot hoog ingeschat. De rapporteur acht een nieuw reclasseringstoezicht alsmede een ambulante behandeling bij een GGZ-instelling (bijvoorbeeld De Waag) dan ook geïndiceerd. Aangezien verdachte een eerdere behandeling vroegtijdig heeft afgebroken is de rapporteur van mening dat dit dient plaats te vinden in een verplicht kader. Geadviseerd wordt om verdachte naast een onvoorwaardelijke straf een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en ambulante behandeling bij een GGZ-instelling.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf van hierna te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet mede naar aanleiding van het reclasseringsrapport aanleiding om een aanzienlijk deel daarvan voorwaardelijk op te leggen onder na te noemen voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer X], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 311,-.

Deze vordering, met uitzondering van de opgevoerde kosten voor een horloge, één dag werk en 2 maanden telefoonabonnementskosten, is door de verdediging niet weersproken, en is deels door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd. Voorts vindt die vordering, die gedeeltelijk eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij gewijzigde dagvaarding onder 2 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering deels toewijzen, te weten voor een bedrag van € 217,83 (= € 130 + 8,83 + 20 + 19 (= 1 maand abonnementskosten) + 10 + 30). Daarbij zal de rechtbank bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor dit bedrag.

Voor zover de vordering betrekking heeft op één dag gederfde looninkomsten, in verband met het ter terechtzitting toelichten van de vordering, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Tevens zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding voor zover het de tweede maand abonnementskosten betreft, nu de benadeelde partij ter terechtzitting heeft toegelicht dat hij zijn telefoon slechts 5 á 6 weken kwijt is geweest.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 217,83 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer X].

Vorderingen tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vorderingen van de officier van justitie van 8 februari 2007 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetenties, waartoe verdachte achtereenvolgens werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnissen van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 20 november 2003 en 2 november 2004, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijden, die bij voormelde vonnissen waren opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 55, 57, 141, 300, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 tweede cumulatief/alternatief telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 en 6 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

diefstal voorafgegaan door en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief:

eendaadse samenloop van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal voorafgegaan door en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief:

eendaadse samenloop van diefstal voorafgegaan door en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 4:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 5:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

ten aanzien van feit 6:

mishandeling

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 13 november 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 16 november 2006,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 (tien) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer X], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 217,83, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 217,83 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer X];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 20 november 2003, gewezen onder parketnummer 09/920181-03, te weten:

jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 2 november 2004, gewezen onder parketnummer 09/930694-04, te weten:

jeugddetentie voor de duur van 1 (één) week;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Donker, voorzitter,

Bierling en Van Kooten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2007.