Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0281

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/4575 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er in eisers geval wat betreft beide ontslagen sprake is geweest van verwijtbare werkloosheid. Verweerder was gezien het voorgaande gehouden ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. Daarvan is in eisers geval niet gebleken. Evenmin is gebleken dat zich dringende redenen hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW. Dit betekent dat verweerder de gevraagde WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/4575 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [gemeente A], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 12 december 2005 heeft eiser zich op het CWI gemeld voor het indienen van een aanvraag ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW).

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder een uitkering ingevolge de WW vanaf 4 november 2005 blijvend geheel geweigerd.

Bij brief van 3 februari 2006 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 april 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 29 mei 2006, van gronden voorzien bij brief van 15 september 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 februari 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. Polat-Kilic, advocaat te Den Haag, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

Motivering

Artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW, bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, is sprake van verwijtbare werkloosheid indien de werknemer zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Naast het vereiste dat de werknemer zich zodanig jegens de werkgever moet hebben gedragen dat de werkloosheid daarvan het voorzienbaar gevolg is, geldt dat dit gedrag ook aan de werknemer moet zijn toe te rekenen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dat artikel is tevens van verwijtbare werkloosheid sprake indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW, weigert verweerder, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert verweerder de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Verweerder heeft het besluit om eiser blijvend geheel een uitkering ingevolge de WW te weigeren gehandhaafd, omdat eiser verwijtbaar werkloos wordt geacht.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de verwijtbaarheid van eisers werkloosheid primair moet worden gezocht in het gegeven dat hij zijn ontslag bij [werkgever 1] met ingang van 3 juni 2005 niet heeft aangevochten (artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW) en subsidiair in het - ten gevolge van eisers niet verschijnen op zijn werk - jongste ontslag bij [werkgever 2].

Vooropgesteld wordt dat eiser met ingang van 4 november 2005 werkloos is geworden uit zijn dienstbetrekking bij [werkgever 2]. Dit dienstverband heeft slechts enkele dagen geduurd, zodat eiser niet uitsluitend hieraan een recht op WW kan ontlenen, terwijl die dienstbetrekking direct is gevolgd op de daaraan voorafgaande dienstbetrekkingen bij onder meer [werkgever 1]. Volgens vaste jurisprudentie kunnen in zo'n situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid verweten kan worden, mede de omstandigheden waaronder die voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd in aanmerking worden genomen. Niet houdbaar is derhalve eisers betoog dat verweerder ten onrechte zijn ontslag bij [werkgever 1] bij de heroverweging heeft betrokken. Los van de zogeheten doorwerking van de verwijtbaar geachte werkloosheid, staat het verweerder gelet op het karakter van de heroverweging in bezwaar bovendien vrij de motivering van het primaire besluit te verbeteren. Dat dit meebrengt dat daarmee de grondslag van het primaire besluit wordt gewijzigd, maakt dit niet anders. In eisers geval is het primaire besluit na heroverweging inhoudelijk niet gewijzigd, zodat hij door de gewijzigde grondslag niet in zijn belangen is geschaad.

Met betrekking tot eisers dienstbetrekking bij [werkgever 1] overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser is met ingang van 3 juni 2005 bij dit uitzendbureau ontslagen. Niet in geding is dat eiser hiertegen niet is opgekomen. Het lag naar het oordeel van de rechtbank echter wel op eisers weg er alles aan te doen om dit ontslag ongedaan te maken. Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat aan de voortzetting van deze dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze redelijkerwijs niet van eiser had kunnen worden gevergd. Dat eiser in plaats van zijn ontslag aan te vechten betrekkelijk snel weer aan het werk is gegaan bij [bedrijf], maakt dit in ieder geval niet anders. Eiser heeft door niets tegen zijn ontslag te ondernemen een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd opgegeven in ruil voor een tijdelijk dienstverband en heeft bovendien slechts zo'n 12 weken voor dit bureau gewerkt. Dat eiser geen rechtshulp heeft ingeroepen tegen het ontslag, omdat dit in de gegeven situatie geen zin zou hebben gehad, is wanneer wordt bedacht dat het bedrijf in afwachting van het uiteindelijk gevolgde faillissement, nog zo'n 10 maanden na eisers ontslag heeft voortbestaan en bovendien daarna door een andere onderneming is voortgezet, niet houdbaar. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken dat [werkgever 1] reeds ten tijde van het ontslag in betalingsmoeilijkheden verkeerde. Dat eiser in de maanden voorafgaand aan zijn ontslag geen of slechts een klein gedeelte van zijn salaris uitbetaald kreeg, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zich in het dossier salarisspecificaties over de maanden januari tot en met maart 2005 bevinden. Dat eiser met zijn voormalige werkgever in een familierechtelijke relatie stond, behoefde hem er naar het oordeel van de rechtbank evenmin van te weerhouden zijn ontslag aan te vechten.

Hoewel het voorgaande reeds voldoende is voor de conclusie dat eiser verwijtbaar werkloos is, is de rechtbank bovendien van oordeel dat eiser van het ontslag bij [werkgever 2] eveneens een verwijt kan worden gemaakt. Reden van het ontslag is volgens opgave van de werkgever dat eiser niet op zijn werk is verschenen. Dit wordt door eiser op zich ook niet bestreden. Hij heeft gesteld dat hij het werkbusje die bewuste dag vanwege ziekte heeft gemist, maar eiser heeft aangegeven noch aannemelijk gemaakt wat hem mankeerde. Hoewel het wel op zijn weg lag dat te doen, is evenmin gebleken dat eiser zich ook daadwerkelijk ziek heeft gemeld bij zijn werkgever of de inlener. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij [werkgever 2] heeft gebeld met een verzoek daartoe, maar dat deze heeft geweigerd hem ziek te melden bij de inlener, maar blijkens het telefoonrapport van verweerder van 24 januari 2006 is het [werkgever 2] geweest die contact met eiser heeft gezocht. Met hem is voor die zelfde middag een afspraak gemaakt, maar hij heeft zijn werkgever 's middags telefonisch laten weten niet meer te willen werken, omdat het werk te zwaar voor hem zou zijn. Dat eisers gebrekkige kennis van de Nederlandse taal voor misverstanden zou hebben gezorgd, acht de rechtbank geen plausibele verklaring. [werkgever 2] is een Turks uitzendbureau en het Turks is een taal die eiser wel machtig is. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van belang daadwerkelijk ziek was, is evenmin kunnen blijken dat [werkgever 2] gebruik heeft gemaakt van de uitzendclausule in eisers contract inhoudende dat het dienstverband ingeval van ziekte op verzoek van de werkgever direct als beëindigd wordt beschouwd. Uit de brief van [werkgever 2] waarin eisers dienstbetrekking is beëindigd is dat in ieder geval niet af te leiden.

Eiser heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat zijn niet verschijnen op de werkplek de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Niet is gebleken dat eiser de verweten gedraging niet zou kunnen worden toegerekend.

Het voorgaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in eisers geval wat betreft beide ontslagen sprake is geweest van verwijtbare werkloosheid.

Verweerder was gezien het voorgaande gehouden ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. Daarvan is in eisers geval niet gebleken. Evenmin is gebleken dat zich dringende redenen hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW. Dit betekent dat verweerder de gevraagde WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M. Munsterman en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.