Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0219

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/33846 en AWB 06/37403 130.509.2525
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / intrekking verblijfsvergunning / individueel ambtsbericht AIVD / nationale veiligheid / Hofstadgroep

Eiser, die vanaf 1998 met zijn familie in Nederland woont en in het bezit is van een verblijfsvergunning in verband met gezinshereniging met zijn vader, is ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning is ingetrokken omdat hij een gevaar voor de nationale veiligheid zou zijn. Dit had verweerder aangenomen op basis van een ambtsbericht van de AIVD waarin onder andere stond dat eiser een centrale rol speelt in een terroristisch netwerk, de Hofstadgroep. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 juni 2006 geoordeeld dat verweerder het ambtsbericht van de AIVD niet zonder nader onderzoek ten grondslag had mogen leggen aan de besluiten tot ongewenstverklaring en intrekking van de verblijfsvergunning. Verweerder is in hoger beroep gegaan van deze uitspraak. De hoger beroepsrechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) heeft verweerder gelijk gegeven en geoordeeld dat uit het ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat eiser een gevaar oplevert ten grondslag heeft gelegd en dat deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Volgens de hoger beroepsrechter mocht verweerder de conclusie van de AIVD aan zijn besluiten ten grondslag leggen. De hoger beroepsrechter heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Gelet op het oordeel van de hoger beroepsrechter ziet de rechtbank nu geen ruimte om hiervoor een ander oordeel in de plaats te stellen. Eisers betoog dat verweerder (een vorm van) nader onderzoek had dienen te verrichten alvorens het ambtsbericht ten grondslag te leggen aan het besluit slaagt daarom niet. Evenmin slaagt eisers betoog dat de procedure niet voldoet aan het beginsel van “adversarial proceedings” zoals dit wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), nu de rechtbank gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de achterliggende stukken in te zien en zelf te toetsen of deze voldoende onderbouwing bieden voor de in het ambtsbericht neergelegde (vast)stellingen, kwalificaties en beschuldigingen. Het oordeel van de rechtbank dat de achterliggende stukken voldoende onderbouwing bieden mag de rechtbank niet nader motiveren, gelet op haar geheimhoudingsplicht met betrekking tot de stukken die zij bij de AIVD heeft ingezien. Verweerder heeft op basis van het AIVD rapport kunnen concluderen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en heeft het belang van de nationale veiligheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser om bij zijn familie in Nederland te blijven. Door eiser zijn verblijfsrechten te ontnemen wordt niet gehandeld in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De door het EHRM in de zaak Boultif geformuleerde criteria zijn niet onverkort van toepassing. Dit hang samen met het feit dat het in deze zaak gaat om het gevaar voor de nationale veiligheid dat, ook zonder strafrechtelijke veroordeling, op basis van een AIVD ambtsbericht mag worden aangenomen. In de zaak Boultif speelde niet een gevaar voor de nationale veiligheid, maar ging om een openbare orde probleem waarbij de strafrechtelijke veroordeling doorslaggevend was. De in dat arrest geformuleerde omstandigheden, voor zover in deze zaak relevant, heeft verweerder op juiste wijze gewogen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 19
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/33846 en AWB 06/37403

V-nr: 130.509.2525

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1981, tevens bekend onder de aliassen [aliassen], van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. N.M. van Wersch, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, thans de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 9 december 2004 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking “voortgezet verblijf” ingetrokken. Bij besluit van 5 januari 2005 is eiser ongewenst verklaard.

2. Bij bezwaarschriften van 5 januari 2005 heeft eiser tegen deze besluiten bezwaar gemaakt

3. Bij beroepschrift van 7 april 2005 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier. Bij afzonderlijke besluiten van 12 april 2005 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 14 april 2005 heeft eiser tegen het besluit op bezwaar met betrekking tot de ongewenstverklaring beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 14 april 2005 heeft eiser meegedeeld dat het reeds ingediende beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar zich richt tegen het besluit op bezwaar van 12 april 2005 met betrekking tot de intrekking van de verblijfsvergunning regulier.

4. Bij uitspraak van 19 juni 2006 (AWB 05/15525 en AWB 05/16696) heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van eiser gegrond verklaard, de besluiten van 12 april 2005 vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen.

5. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft bij uitspraak van 4 juli 2006 (nr. 200602107/1) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

6. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 3 augustus 2006 (AWB 06/33224 en AWB 06/33225) een door eiser ingediend verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen en - kort weergegeven - bepaald dat het verweerder wordt verboden eiser uit Nederland te verwijderen totdat op de beroepen is beslist.

7. Op 4 oktober 2006 zijn de beroepen opnieuw ter zitting behandeld. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

8. Bij uitspraak van 5 oktober 2006 (AWB 06/47923) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats een door eiser op 2 oktober 2006 ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, strekkende tot opheffing van de eerder bij uitspraak van 3 augustus 2006 getroffen voorziening, toegewezen.

9. Bij beslissing van 23 oktober 2006 is het onderzoek heropend. Op 3 november 2006 en op

22 november 2006 heeft de rechtbank de onderliggende stukken van het op eiser betrekking hebbende ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: AIVD) van 18 november 2004 (met kenmerk 2282932/01) ingezien.

10. Nadat partijen daartoe bij brieven van 9 en 11 januari 2007 toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Bij besluit van 8 februari 1999 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "gezinshereniging (bij vader)". Deze verblijfsvergunning is hem verleend met ingang van 8 februari 1999 en is laatstelijk verlengd tot 21 mei 2001. Op 3 april 2001 heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “voorgezet verblijf”. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot

22 maart 2008.

2. Eiser is op 10 november 2004 strafrechtelijk aangehouden omdat hij ervan werd verdacht deel uit te maken van de zogenaamde Hofstadgroep.

3. Op 18 november 2004 is door de AIVD een individueel ambtsbericht (hierna: het ambtsbericht) uitgebracht met betrekking tot eiser. De tekst van dit ambtsbericht luidt als volgt:

“ In het kader van zijn wettelijke taakuitvoering is de AIVD bekend geworden dat [eiser], alias [aliassen], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1981, deel uitmaakt van een netwerk van extremistische moslims welke onder leiding staat van de Syrier [persoon 1] (ambtsbericht d.d. 2258993/01 d.d. 12 november 2004). Over dit netwerk is in oktober 2003 een ambtsbericht uitgebracht aan de Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding (kenmerk 2069093/01). De AIVD had toen aanwijzingen dat dit netwerk betrokken was bij de voorbereidingen van een terroristische actie.

Recentelijk blijkt uit een betrouwbare bron dat [eiser] van mening is dat een moslim gedood mag worden als hij pro-westers is. Eerder was al bekend geworden dat betrokkene Ayaan Hirsi Ali beschouwt als een “mordeda” (fon) d.w.z. een moslim die zich tegen de islam heeft gekeerd en dat zij gedood moet worden.

Over betrokkene is verder bekend dat hij een centrale rol speelt in het genoemde netwerk, door personen binnen het netwerk te helpen met hand- en spandiensten, zoals het regelen van een auto om met broeders naar het buitenland te gaan, het regelen van huwelijken voor [persoon 1] en [persoon 2] en het regelen van bijeenkomsten. Voorts is duidelijk geworden dat betrokkene sinds zijn arrestatie van vorig jaar probeert zijn activiteiten zoveel mogelijk af te schermen. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst concludeert dat [eiser] een gevaar oplevert voor de nationale veiligheid.”

4.1. Op basis van dit ambtsbericht van de AIVD is de verblijfsvergunning van eiser op 5 december 2004 ingetrokken en is hij op 5 januari 2005 ongewenst verklaard.

4.2. Aan de gegrondverklaring van de beroepen in de eerdergenoemde uitspraak van 17 februari 2006 heeft deze rechtbank en zittingsplaats - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat het feitelijke gehalte van de in het ambtsbericht weergegeven informatie niet van dien aard is dat die informatie, bij het ontbreken van inzichtelijke mededelingen over de gebruikte bron(nen), zonder meer de conclusie kan dragen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Dat geldt, aldus de rechtbank in de genoemde uitspraak, niet alleen voor de aan eiser toegeschreven opvattingen maar ook voor de rol die hij in het in de aanhef van het ambtsbericht genoemde netwerk zou hebben gespeeld en/of zou spelen. Dit klemt te meer nu uit de tekst van het ambtsbericht niet duidelijk wordt hoe de pogingen van eiser om zijn activiteiten na zijn arrestatie zoveel mogelijk af te schermen zich verhouden tot en/of zich verdragen met de in de voorlaatste alinea geschetste activiteiten. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de genoemde passages poly-interpretabel en onvoldoende concreet op de persoon van eiser toegespitst zijn om in redelijkheid te kunnen concluderen dat de in deze passages vervatte feiten en omstandigheden - op zichzelf, noch in onderling verband - voldoende inzichtelijk zijn om eenduidig herleidbaar te zijn tot de conclusie dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid niet zonder nader onderzoek kunnen concluderen dat het litigieuze ambtsbericht op inzichtelijke wijze informatie verschaft, waardoor de bestreden besluiten zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand zijn gekomen en voor vernietiging in aanmerking komen.

4.3. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling en heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat verweerder het ambtsbericht aan zijn besluiten ten grondslag mocht leggen, zonder inzage te hebben verkregen in de aan dit ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, omdat het ambtsbericht voldoende duidelijk was, zodat nader onderzoek niet nodig was.

4.4. De Afdeling heeft in de onder I.5 genoemde uitspraak van 4 juli 2006, waarin de uitspraak van deze rechtbank is vernietigd, geoordeeld dat verweerder dit standpunt terecht heeft ingenomen. Daarbij is - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

" Aldus heeft de rechtbank miskend dat in de wet de term "gevaar voor de nationale veiligheid" niet nader is omschreven, volgens paragraaf B1/3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 gevaar voor de nationale veiligheid per geval wordt beoordeeld, de AIVD ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie is om te onderzoeken of van zodanig gevaar sprake is en uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat de vreemdeling evenbedoeld gevaar oplevert ten grondslag heeft gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Vermelding van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende bron, danwel bronnen, mocht achterwege blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. Daarbij is mede van belang dat de vreemdeling heeft volstaan met enkele ontkenning van de in het ambtsbericht vermelde feiten en de daaruit getrokken conclusies en dat deze niet gemotiveerde ontkenning niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht."

5. Bij uitspraak van 10 maart 2006 is eiser door de Meervoudige Kamer van de rechtbank te Rotterdam, nevenvestigingsplaats ’s-Gravenhage, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, wegens deelname aan een criminele organisatie en ter zake van deelneming aan een terroristische organisatie.

6. Nadat bij uitspraak van 5 oktober 2006 de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats op verzoek van eiser het verbod om eiser uit Nederland te verwijderen totdat op de beroepen is beslist is opgeheven, is eiser in oktober 2006 uitgezet naar [woonplaats].

III. WETTELIJK KADER

1. Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

2. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

3. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

4. Op grond van artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf hebben.

5. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan een misdrijf (artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht). De ongewenstverklaring betekent tevens dat artikel

8 van de Vw 2000 niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen - zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft - niet gedurende de "vrije termijn" in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat het vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard niet is toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten.

6. De AIVD en verweerder hebben, ter uitvoering van hun wettelijke taken, het “Convenant inzake uitwisseling van gegevens tussen de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst en de Immigratie- en naturalisatiedienst” van 17 juni 2003 (Stc. 19 juni 2003, nr. 115) gesloten. In dit convenant is overeengekomen dat de AIVD aan verweerder gegevens kan verstrekken die van belang kunnen zijn bij het nemen van besluiten bij en/of krachtens de Vw 2000 (artikel 1, eerste lid, van het convenant). De verstrekking van deze gegevens door de AIVD vindt plaats door middel van een ambtsbericht (artikel 2 van het convenant).

7. In het beleid in paragraaf B1/2.2.4 van de Vc 2000, is - voor zover hier van belang - neergelegd dat er geen beleidsregels zijn opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.

IV. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep met betrekking tot de ongewenstverklaring van eiser

(AWB 06/37403):

1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, nader toegelicht in het verweerschrift van

9 september 2005 en ter zitting van de rechtbank op 17 november 2005 en op 4 oktober 2006, samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld.

1.2. Op basis van het onder II.3 genoemde individuele ambtsbericht van de AIVD van 18 november 2004 kan worden geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Gelet hierop bestaat aanleiding eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het besluit tot ongewenstverklaring is tevens in het belang van de internationale betrekkingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

1.3. Verweerder mocht bij de besluitvorming uitgaan van de juistheid van de informatie zoals weergegeven in het ambtsbericht, nu er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het betreffende individueel ambtsbericht. Wat betreft de op verweerder rustende vergewisplicht verwijst verweerder naar hetgeen de Afdeling op dit punt heeft overwogen in de in deze zaak gedane uitspraak van 4 juli 2006.

1.4. In het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van "adversarial proceedings". In dat licht verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling van 18 september 2006 (JV 2006/407), waarin daarover gemotiveerd is geoordeeld.

1.5. De ongewenstverklaring van eiser levert geen strijd op met het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Evenmin is de ongewenstverklaring in strijd met het uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn ouders, zussen en broer. De inmenging in dit recht door de ongewenstverklaring van eiser is gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Eiser vormt immers een gevaar voor de nationale veiligheid. Niet gebleken is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding ("more than the normal emotional ties") tussen eiser en zijn familieleden. Dat eiser de (primaire) kostwinner zou zijn van het gezin is daartoe onvoldoende. Niet gebleken is dat de bijzondere afhankelijkheid zodanig is dat het per definitie eiser zou moeten zijn die voor het financiële inkomen moet zorgen, nu zijn vader in het bezit is van een WAO-uitkering en zijn zuster daarnaast ook in het bezit zou zijn van een uitkering. Verder valt niet in te zien dat de twee meerderjarige zussen en het jongere broertje van eiser niet voor hun ouders, bijvoorbeeld bij eventuele ziekte, zouden kunnen zorgen of dat zij niet zouden kunnen helpen met het doen van boodschappen. Evenmin valt in te zien dat eisers oudere broer, die woonachtig is in [woonplaats], niet bij eventuele noodgevallen naar Nederland zou kunnen komen om zijn familie te helpen. Daarnaast is niet gebleken dat de intensiteit van de band die eiser stelt te hebben met zijn familieleden zo hecht is als eiser wil doen voorkomen, nu eisers ouders hem, hoewel hij reeds sedert begin november 2004 in de Penitentiaire Inrichting te Lelystad verbleef en hem tot zijn vertrek slechts één keer zijn komen opzoeken. Ten slotte valt niet in te zien dat eisers ouders verplicht met eiser mee zouden moeten terugkeren naar [woonplaats]. Eiser is meerderjarig en in staat in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Gebleken is verder dat eisers ouders reeds eerder een aantal malen naar [woonplaats] zijn gegaan voor familiebezoek, waardoor niet valt in te zien dat ze eiser daar niet zouden kunnen komen opzoeken. De verklaring dat eisers vader erg ziek zou zijn is niet nader onderbouwd en maakt dit niet anders. Verder is van belang dat eiser het grootste gedeelte van zijn leven in [woonplaats] heeft doorgebracht. Uit de werkzaamheden van eiser blijkt niet van een speciale band die eiser met Nederland zou moeten hebben. Voorts is niet gebleken dat eiser nog op andere wijze met Nederland is verbonden.

1.6. Het beroep van eiser op Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van

29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) slaagt niet. Deze richtlijn richt zich tot de lidstaten. Daarbij is eiser geen burger van de Unie en behoort hij evenmin tot de categorie familie van een burger van de Unie. Niet valt daarom in te zien dat deze richtlijn voor eiser van enige betekenis zou kunnen zijn, dit alles aldus verweerder.

2.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit - kort samengevat en voor zover thans nog aan de orde - de volgende beroepsgronden aangevoerd.

2.2. Verweerder heeft met het individueel ambtsbericht van de AIVD niet genoegzaam gemotiveerd dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid oplevert. Het individueel ambtsbericht van de AIVD kon niet, althans niet zonder (enige vorm van) nader onderzoek, aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.

2.3. Uit het bepaalde in artikel 6 en 13 van het EVRM, alsmede uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), vloeien procedurele waarborgen voort voor zaken waarin een burger niet de beschikking krijgt over alle relevante informatie of niet de mogelijkheid krijgt om verweer te voeren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Het beginsel van “adversarial proceedings” brengt dan ook met zich dat verweerder in het onderhavige geval, gezien de betwisting van eiser van het ambtsbericht van de AIVD, in ieder geval gehouden was tot het stellen van nadere vragen aan de AIVD dan wel tot het verschaffen van een reële mogelijkheid aan eiser en de AIVD om op elkaars stellingen te reageren. Aan het vereiste van “adversarial proceedings” wordt niet alsnog voldaan wanneer de rechtbank van de mogelijkheid tot inzage in de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken gebruik maakt.

2.4. Het bestreden besluit is voorts genomen in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM in de arresten van 2 augustus 2001 in de zaak [zaak a] (JV 2001/254), van 20 juni 2002 in de zaak [zaak b] (JV 2002/239) en van 8 juni 2006 in de zaak [zaak c]

(JV 2006/311). Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke belangenafweging, aan de hand van een ex nunc-beoordeling, ten aanzien van de vraag of de inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende familieleden gerechtvaardigd is en of er sprake is van een "fair balance". Het gevaar voor de nationale veiligheid dat eiser volgens verweerder vormt weegt niet op tegen de belangen van eiser, waaronder zijn gezinssituatie in het licht van de achtergrond van de gezinsstructuren in [woonplaats], de gezondheidstoestand van zijn ouders, het feit dat sprake is van schoolgaande broers en zussen, het feit dat eiser is geworteld in de Nederlandse samenleving en het feit dat bijna zijn gehele familie in Nederland woont.

2.5. Op grond van het bepaalde in de Richtlijn is verweerder gehouden te bezien in hoeverre het persoonlijk gedrag van eiser een wezenlijke bedreiging vormt voor de staat. Tevens heeft verweerder ten onrechte een beoordeling achterwege gelaten van de vraag in hoeverre de begrippen "openbare veiligheid" uit de Richtlijn en "nationale veiligheid" uit de nationale regelgeving gelijk kunnen worden gesteld, dit alles aldus eiser.

2.6. De beroepsgrond dat uitzetting van eiser in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM heeft eiser ingetrokken, nu hij gedwongen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en daar vooralsnog zonder problemen van de zijde van de autoriteiten heeft verbleven.

3.1. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag naar de omvang van het onderhavige geding.

3.2. In dit verband stelt de rechtbank vast dat in de eerdere uitspraak van 17 februari 2006 reeds een oordeel is gegeven over de door eiser aangedragen beroepsgrond dat het beginsel van voorzienbaarheid ("foreseeability") van een rechtsregel is geschonden doordat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot een nadere concretisering en definiëring van het begrip “nationale veiligheid”. In dat kader heeft de rechtbank immers gemotiveerd overwogen dat het begrip “nationale veiligheid” naar zijn aard dynamisch is en geen voorafgaande nadere concretisering behoeft. De rechtbank ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

3.3. Voorts is in de uitspraak van 17 februari 2006 reeds aan de orde gekomen de beroepsgrond van eiser met betrekking tot de gestelde spanning tussen zijn zwijgrecht in het strafrecht versus de van hem gevraagde bestuursrechtelijke medewerkingsplicht. Voor zover eiser deze beroepsgrond heeft gehandhaafd, stelt de rechtbank vast dat eiser zich in de toelichting op deze beroepsgrond nog steeds heeft beperkt tot algemene bewoordingen en dat de betreffende grond ook thans niet (alsnog) concreet is onderbouwd. Niet gebleken is derhalve dat zich thans wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie ten opzichte van de situatie ten tijde van de vorige uitspraak. Ook ten aanzien van deze beroepsgrond ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.1. Verweerder heeft de ongewenstverklaring van eiser gebaseerd op het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, alsmede het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Aan beide gronden tot ongewenstverklaring heeft verweerder blijkens het bestreden besluit uitsluitend de conclusie ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals dat is vastgesteld in het ambtsbericht van 14 november 2004. Allereerst is dan ook aan de orde de vraag of verweerder de in het ambtsbericht getrokken conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit.

4.2. Gelet op het onder II.4.3 geciteerde oordeel van de Afdeling heeft verweerder deze conclusie aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Gegeven de wijze waarop dit oordeel is geformuleerd, en in aanmerking genomen dat de Afdeling de zaak heeft teruggewezen naar de rechtbank, om door de rechtbank te worden behandeld en beslist met inachtneming van zijn oordeel, ziet de rechtbank geen ruimte om hiervoor een ander oordeel in de plaats te stellen. Eisers betoog dat verweerder (een vorm van) nader onderzoek had dienen te verrichten alvorens het ambtsbericht ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit slaagt dan ook niet.

4.3. Evenmin slaagt eisers betoog dat de procedure niet voldoet aan het beginsel van “adversarial proceedings” zoals dit wordt uitgelegd door het EHRM. In het arrest van het EHRM in de zaak [zaak c] van 8 juni 2006 is geoordeeld dat een persoon die onderworpen wordt aan een maatregel gebaseerd op nationale veiligheidsoverwegingen in staat moet zijn om de maatregel te laten toetsen door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan dat bevoegd is om alle relevante feiten en rechtsvragen te onderzoeken, opdat de rechtmatigheid van de maatregel kan worden vastgesteld en opdat eventueel misbruik door de autoriteiten kan worden bestraft. Aan deze maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank voldaan wanneer, zoals in het onderhavige geval, de rechtbank de achterliggende stukken heeft ingezien en zich zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de feitelijke basis voor de in het ambtsbericht neergelegde vaststellingen, kwalificaties en beschuldigingen.

5.1. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, waaruit voortvloeit dat de rechtbank de “adversarial proceedings” dient te waarborgen, heeft de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb in samenhang met artikel 87, eerste lid, van de WIV 2002 van de bevoegdheid gebruik gemaakt om kennis te nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken en de afweging van verweerder op basis van die stukken aldus te beoordelen. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

5.2. Na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken is de rechtbank van oordeel dat de vraag of het onderzoek waarop het ambtsbericht is gebaseerd voldoende zorgvuldig is geweest en de in het ambtsbericht opgenomen conclusie kan dragen, bevestigend dient te worden beantwoord. In verband met artikel 87, eerste lid, van de WIV 2002 ziet de rechtbank geen ruimte dit oordeel nader te motiveren. Het bestreden besluit is derhalve in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb genomen en verweerder heeft dan ook, gezien de inhoud van het betreffende ambtsbericht, aan de ongewenstverklaring van eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 ten grondslag kunnen leggen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

6.1. De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of het bestreden besluit is genomen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.

6.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Bij deze beoordeling dient een redelijke afweging te worden gemaakt tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Hiervoor wordt, onder meer in het geval van een ongewenstverklaring, op grond van het beleid alsmede op grond van vaste jurisprudentie aansluiting gezocht bij de zogenaamde "guiding principles" als weergegeven in het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak [zaak a].

6.3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in vorengenoemde bepaling tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende familieleden, met name zijn ouders, en dat de ongewenstverklaring van eiser een inmenging in dit recht met zich brengt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de belangenafweging die verweerder heeft verricht in het kader van de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is te achten in het licht van de in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM genoemde belangen, voldoet aan de daaraan, met name door het EHRM, gestelde eisen.

6.4. De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser dat de in het bestreden besluit neergelegde belangenafweging niet voldoet aan de daaraan op grond van de jurisprudentie van het EHRM te stellen eisen en derhalve ondeugdelijk is. Eiser heeft met name gesteld dat de belangenafweging niet conform het in het arrest in de zaak [zaak a] neergelegde toetsingskader heeft plaatsgevonden. Met deze stelling miskent eiser echter dat in het onderhavige geval - anders dan in de zaak [zaak a] - geen schending van de openbare orde wegens het plegen van strafbare feiten aan de orde is, maar dat aan eiser wordt tegengeworpen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Dit betreft een tegenwerping van geheel andere aard, die niet afhankelijk is van enige strafrechtelijke veroordeling, en waarvoor een ambtsbericht van de AIVD voldoende kan zijn. Deze situatie kan dan ook niet zonder meer op een lijn worden gesteld met de situatie als bedoeld in het arrest in de zaak [zaak a]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, hoewel bij de belangenafweging in beginsel aansluiting dient te worden gezocht bij de "guiding principles" zoals genoemd in bedoeld arrest, deze op een situatie als de onderhavige niet onverkort van toepassing zijn. Verweerder kon derhalve een afzonderlijke weging en omlijning van het aan eiser tegengeworpen gevaar voor de nationale veiligheid achterwege laten.

6.5. De door eiser in beroep aangehaalde arresten in de zaken [zaak b] en [zaak c] leiden niet tot een ander oordeel. De inhoud van deze arresten bevestigt weliswaar dat een belangenafweging dient plaats te vinden, maar uit die arresten kan niet worden afgeleid dat deze belangenafweging - in gevallen waar het de nationale veiligheid betreft - geheel conform het in het arrest in de zaak [zaak a] neergelegde beoordelingskader dient plaats te vinden. Nu verweerder in het onderhavige geval de in het beleid en de jurisprudentie voorgeschreven afweging tussen het algemeen belang gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid en het belang van eiser om hier te lande zijn familie- of gezinsleven uit te oefenen heeft verricht en daarbij bovendien wel degelijk de voor dit specifieke geval relevante "guiding principles" uit het arrest in de zaak [zaak a] heeft betrokken, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre ondeugdelijk is.

6.6. Ter beoordeling ligt voorts voor de vraag of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven tussen eiser en zijn hier te lande verblijvende familieleden gerechtvaardigd kan worden geacht. In dat kader overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat, anders dan eiser in beroep heeft gesteld, uit de jurisprudentie van het EHRM niet kan worden afgeleid dat in dit verband een zogenaamde ex nunc-beoordeling is voorgeschreven. Op grond van het nationale procedurerecht vindt in zaken als de onderhavige in beroep een beoordeling ex tunc plaats. De rechtbank stelt vast dat artikel 8 van het EVRM niet zodanig absoluut is geformuleerd dat daaruit zou voortvloeien dat het nationale procedurerecht op dit onderdeel terzijde zou dienen te worden gesteld. Evenmin kan dit uit de op dat artikel gebaseerde jurisprudentie worden afgeleid. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit onderdeel dan ook ex tunc toetsen.

6.7. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder in het onderhavige geval bij de belangenafweging terecht veel gewicht heeft toegekend aan het feit dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, gelet op de daaraan in het ambtsbericht gegeven feitelijke grondslag. De persoonlijke belangen die eiser daartegenover heeft gesteld heeft verweerder terecht van onvoldoende gewicht geacht. In dit kader heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat niet is gebleken van “more than the normal emotional ties” tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende familieleden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder - onder de in het bestreden besluit gegeven motivering, zoals weergegeven onder IV.2.5 - op goede gronden het belang van de staat bij bescherming van de nationale veiligheid boven het belang van eiser bij (voortzetting van de) uitoefening van het familie- of gezinsleven hier te lande heeft gesteld. Van een schending van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM is derhalve geen sprake.

7. Voor zover eiser het beroep op het bepaalde in de Richtlijn, gelezen in samenhang met het beroep op artikel 8 van het EVRM, handhaaft, stelt de rechtbank vast dat uit de haar ter beschikking staande stukken blijkt dat eisers vader, bij wie eiser aanvankelijk verblijf is toegestaan, de Marokkaanse nationaliteit heeft. Gesteld noch gebleken is dat hij dan wel één van eisers andere hier te lande verblijvende familieleden burger van de Unie is. Reeds om die reden slaagt het beroep op de Richtlijn dan ook niet.

8. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard. Reeds om deze reden bestaat geen aanleiding om, conform het verzoek van eiser, over te gaan tot een herroeping van het primaire besluit.

Ten aanzien van het beroep met betrekking tot de intrekking van eisers verblijfsvergunning (AWB 06/33846):

9. De rechtbank ziet zich voorts, in aanmerking genomen hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de ongewenstverklaring van eiser, ambtshalve gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van eisers verblijfsvergunning regulier onder de beperking "voortgezet verblijf".

10. Vast staat dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring tot op heden voortduurt. Dit betekent dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Het onderhavige beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van eisers verblijfsvergunning, kan derhalve niet tot het resultaat leiden dat eiser rechtmatig verblijf verkrijgt. Dit leidt tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van het beroep. Het feit dat het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser thans eveneens ter toetsing voorligt, maakt dit niet anders. Daartoe wordt overwogen dat belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een verblijfsvergunning, eerst aan de orde kan komen indien het besluit tot ongewenstverklaring is vernietigd of ingetrokken dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2006 (JV 2006/347) en van 26 juli 2006 (JV 2006/352). Nu in het vorenoverwogene is geoordeeld dat de beslissing op het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser de rechterlijke toets kan doorstaan en de ongewenstverklaring van eiser is opgeheven noch herroepen, duren de ongewenstverklaring van eiser en de gevolgen daarvan onverminderd voort.

11. Gelet op de inmiddels bestendige jurisprudentie omtrent het ontbreken van procesbelang in situaties als de onderhavige ziet de rechtbank in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, te weten dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tot gevolg zou hebben dat herstel van de oude rechtstoestand - met name in het licht van artikel 8 van het EVRM - niet meer mogelijk is, geen ruimte om anders te oordelen.

12. Gezien het voorgaande, zal het beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Ten aanzien van beide beroepen:

13. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder AWB 06/33846:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaak geregistreerd onder AWB 06/37403:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 maart 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter, en mrs. M.J. Diemer en H.J.M. Baldinger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: SaS

Coll: ST

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.