Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9996

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/33117
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA6347, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf bij ouder / polygamie / 8 EVRM

De aanvraag voor een mvv is afgewezen omdat referent is getrouwd met twee vrouwen en eisers de kinderen zijn van de vrouw waarmee referent niet samenwoont. De rechtbank leidt uit de formulering van artikel 3.16 van het Vb 2000 af dat als sprake is van polygamie geen vergunning verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming kan worden verleend. Hoewel de plaatsing van de bepaling er op zou kunnen duiden dat wel beleidsvrijheid bestaat om op grond van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 de vergunning te verlenen, biedt de tekst van de bepaling, mede gelet op de daarbij behorende Nota van Toelichting, deze ruimte niet. De omstandigheid dat sprake is van polygamie kan niet reeds op voorhand betekenen dat van schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake kan zijn. Om te beoordelen of er op grond van artikel 8 EVRM een positieve verplichting is verblijf toe te staan, moet een belangenafweging worden gemaakt. Het belang van de staat om polygame situaties te voorkomen dient, mede gezien de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 19 maart 1998, JV 1998/59, kennelijk zowel ter bescherming van de goede zeden alsmede als ter beperking van immigratie uit een oogpunt van het economisch welzijn van het land. In de onderhavige situatie reiken de belangen van eisers niet zover dat er een positieve verplichting is om in strijd met art. 3.16 van het Vb 2000 een mvv te verlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.13
Vreemdelingenbesluit 2000 3.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 en 72 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.:AWB 06/33117

V-nrs.:080.300.8973 en 803.008.972

inzake:[eiser 1], geboren op [geboortedatum] 1987, en

[eiser 2], geboren op [geboortedatum] 1990,

beiden van Marokkaanse nationaliteit, eisers,

gemachtigde: mr. M.I. Jap-A-Joe Blagrove, advocaat te Utrecht,

tegen:de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 8 februari 2006 zijn de aanvragen van eisers om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf bij vader [naam]” afgewezen. De bezwaren die door eisers tegen deze besluiten zijn gemaakt, zijn bij het bestreden besluit van 8 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Op 6 juli 2006 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 8 augustus 2006. Op 11 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingezonden.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was de vader van eisers, [naam] (hierna: referent) aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft de vaste bestuurspraktijk dat een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als die gelden bij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

2. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 van het Vb 2000 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden.

3. Ingevolge artikel 3.16 van het Vb 2000 wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.

4. Uit het besluit van 8 februari 2006 blijkt dat de aanvragen van eisers voor een mvv zijn afgewezen om twee redenen. Ten eerste omdat referent is getrouwd met twee vrouwen en eisers de kinderen zijn van de vrouw waarmee referent niet samenwoont. Ten tweede omdat op grond van het beleid van verweerder aangenomen moet worden dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eisers is verbroken. De rechtbank begrijpt dat elke afwijzingsgrond voor verweerder op zich dragend is voor de afwijzing van de aanvragen. Ter zitting heeft verweerder dit desgevraagd bevestigd.

Het betoog van eisers dat het bestreden besluit niet helder en eenduidig is gemotiveerd omdat zowel artikel 3.16 van het Vb 2000 wordt tegengeworpen als uitvoerig wordt ingegaan op het beleid terzake gezinshereniging slaagt niet. Het besluit is, zoals uit het voorgaande blijkt, in zoverre voldoende duidelijk.

5. Niet in geding is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.16 van het Vb 2000. De rechtbank leidt uit de formulering van deze bepaling af dat als sprake is van polygamie geen vergunning verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming kan worden verleend. Hoewel de plaatsing van de bepaling er op zou kunnen duiden dat wel beleidsvrijheid bestaat om op grond van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 de vergunning te verlenen, biedt de tekst van de bepaling, mede gelet op de daarbij behorende Nota van Toelichting, deze ruimte niet. Verweerder was derhalve op grond van zijn vaste bestuurspraktijk gehouden de aanvraag van eisers af te wijzen.

6. Door eisers is evenwel een beroep gedaan op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. Verweerder heeft in het besluit tot afwijzing van de aanvragen overwogen dat noch het IVRK noch artikel 8 van het IVRK noopt tot vergunningverlening. Met betrekking tot artikel 8 van het EVRM heeft verweerder in het bijzonder overwogen dat het feit dat er sprake is van een objectieve belemmering om het familie of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, te weten de omstandigheid dat het blijkens de nota van de Geneeskundig Inspecteur van 6 februari 1997 voor referent medisch blijvend onverantwoord is terug te keren naar Marokko in de onderhavige zaak, niet tot een positieve verplichting tot vergunningverlening leidt. Daarbij acht verweerder van belang dat referent slechts een zeer korte periode (tussen 1989 en 1990) in Marokko deel heeft uitgemaakt van het leven van eisers en hij anderszins geen invulling heeft gegeven aan het familie- of gezinsleven met eisers in Marokko. Voorts is van belang dat eisers momenteel op hetzelfde adres als hun moeder verblijven waardoor hun situatie in het land van herkomst niet als schrijnend is aan te merken. Daarnaast is het de keuze van referent geweest om zich in Nederland te vestigen. Ten aanzien van de stelling dat referent eisers onder meer financieel heeft ondersteund, met grote regelmaat belt en hij hun toekomst bespreekt indien hij bij hen in Marokko is, heeft verweerder aangegeven dat niet valt in te zien waarom referent vorenstaande niet blijvend kan doen. De weigering eisers verblijf hier te lande toe te staan, belet niet, aldus verweerder, de voortzetting van het familie- of gezinsleven tussen eisers en referent, zoals dat thans bestaat terwijl eisers nog in hun land van herkomst verblijven.

In het bestreden besluit is hieraan toegevoegd dat niet is gebleken van een onaanvaardbare toekomst van eisers in Marokko. Voor verweerder valt niet in te zien dat de verzorging en begeleiding die eisers behoeven, gezien hun leeftijd en gezondheid, niet door hun moeder, dan wel op afstand door hun vader gegeven kan worden. De omstandigheid dat zij geen opleiding volgen en geen werk hebben in het dorp waar zij woonachtig zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Hierin verschilt de situatie van eisers niet van de situatie van hun landgenoten.

8. Onder omstandigheden kan artikel 8 van het EVRM in afwijking van het nationale recht een verblijfsrecht geven om (de voortzetting van) gezins- of familieleven mogelijk te maken.

In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In artikel 8, tweede lid, van het EVRM is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk, in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

9. Door verweerder is in het verweerschrift gesteld dat polygamie een aspect van openbare orde betreft hetgeen eveneens een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM in de weg staat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 14 februari 2006 (AWB 05/13945 MVV).

De onderhavige situatie is evenwel niet gelijk aan de situatie waarop de genoemde uitspraak van 14 februari 2006 betrekking had, zodat aan deze uitspraak reeds daarom geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Deze uitspraak zag immers op de aanvraag voor een mvv van een (tweede) echtgenote van referent, en niet op een aanvraag voor een mvv door de kinderen van een (tweede) echtgenote.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat bij de vader sprake is van polygamie niet reeds op voorhand betekenen dat van schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake kan zijn. Beoordeeld zal dienen te worden of er op grond van artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting is eisers een mvv te verlenen. Hiertoe zal, met inachtneming van de doelen als omschreven in artikel 8, tweede lid, van het EVRM een belangenafweging moeten worden gemaakt.

Het belang van de staat om polygame situaties te voorkomen, neergelegd in artikel 3.16 van het Vb, dient, mede gezien de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 19 maart 1998, JV 1998/59, kennelijk zowel ter bescherming van de goede zeden alsmede als ter beperking van immigratie uit een oogpunt van het economisch welzijn van het land. Dit belang staat tegenover het belang van eisers tot gezinshereniging met hun vader, in het bijzonder die van de minderjarige eiser, [eiser 2].

Naar het oordeel van de rechtbank reiken in de onderhavige situatie de belangen van eisers niet zover dat artikel 8 van het EVRM tot een positieve verplichting leidt om in strijd met artikel 3.16 van het Vb een mvv te verlenen. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking de leeftijd van eisers, hun leefomstandigheden, hun banden met Marokko, de slechts korte periode dat referent bij eisers in Marokko heeft verbleven en de bewuste keuze die referent destijds heeft gedaan om eisers in Marokko te laten opgroeien, een en ander zoals verwoord in het besluit tot afwijzing van de aanvragen en het bestreden besluit. Aan de stelling van eisers dat zij niet door hun moeder kunnen worden verzorgd, gaat de rechtbank voorbij, nu deze niet feitelijk is onderbouwd.

De rechtbank acht de motivering van het bestreden besluit wat betreft het beroep op artikel 8 van het EVRM juist en voldoende duidelijk.

10. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige eiser, [eiser 2]. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3 van het IVRK, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 22 februari 2006, JV 2006/132, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Van de door eisers gestelde schending van artikel 3 van het IVRK is derhalve geen sprake.

11. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op hun argumenten dat de belangen van de Nederlandse overheid wellicht heroverweging verdienen, gelet op de demografische ontwikkelingen in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet uitdrukkelijk op deze stelling in te gaan, reeds omdat de stelling daartoe te algemeen is en niet nader onderbouwd.

12. Uit het voorgaande volgt dat verweerders afwijzing van de aanvraag op grond van de polygame situatie van referent niet in strijd is met het recht. Aan hetgeen door eisers is aangevoerd met betrekking tot de andere afwijzingsgrond, komt de rechtbank in verband hiermee, niet meer toe.

Het beroep is ongegrond.

13. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. O. Bies, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MS

Coll: Yve

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.