Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9970

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/12207
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Cassatie
Inhoudsindicatie

Intrekken verblijfsvergunning / terugwerkende kracht / onjuiste gegevens

Aan eiser is bij besluit van 25 oktober 1996 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 20 september 1994, geldig tot 20 september 1995, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot 20 september 1997. Deze vvtv is per 20 september 1997 omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Per 1 april 2001 is deze vergunning van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In 1998 en 1999 heeft verweerder eiser gehoord in het kader van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag tot toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf. Op dat bezwaarschrift is in 2002 beslist. Naar aanleiding van deze gehoren heeft verweerder twee taalanalyses laten verrichten en is de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Liberia, het land waar eiser van heeft gesteld de nationaliteit te bezitten, onderzoek te doen. Op grond van de taalanalyses en de resultaten van het individueel ambtsbericht heeft verweerder geconcludeerd dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die, indien ze bekend waren geweest bij het verlenen van de vergunning, tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de vergunning zouden hebben geleid. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 9 februari 2006 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 september 1994. De rechtbank heeft het besluit van 9 februari 2006 zo begrepen dat de onderhavige intrekking in feite zowel een intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (voorheen de vvtv) als een intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betreft. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de aan hem verleende verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken en deze tevens niet heeft kunnen intrekken met ingang van 20 september 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning weliswaar heeft kunnen intrekken, echter niet met terugwerkende kracht tot 20 september 1994, zijnde de datum van het verlenen van de vvtv, omdat de vvtv nadien is omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen en derhalve ten tijde van de intrekkingsbeslissing was beëindigd. Gelet hierop heeft de intrekking hoogstens kunnen terugwerken tot de datum van het verlenen van de per 1 april 2001 van rechtswege omgezette vergunning tot verblijf zonder beperkingen, zijnde 20 september 1997. Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning tot een eerdere datum dan 20 september 1997, gegrond verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenwet 2000 33
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ´S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 06/12207

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, te ’s Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 14 december 2006 is de Minister van Justitie in de plaats getreden van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

Bij fax van 8 maart 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 februari 2006. Bij dit besluit heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), ingetrokken.

Bij schrijven van 7 april 2006 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 10 juli 2006 heeft eiser de rechtbank aanvullende stukken doen toekomen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.H.M. Maas.

II. OVERWEGINGEN

Aan eiser, geboren op [geboortedatum] 1967 en naar eigen zeggen van Liberiaanse nationaliteit, is bij besluit van 25 oktober 1996 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 20 september 1994, geldig tot 20 september 1995, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot 20 september 1997. Deze vvtv is na 20 september 1997 omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Op grond van artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 is de vergunning tot verblijf zonder beperkingen per 1 april 2001 aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. Verweerder heeft vervolgens op 12 augustus 2005 een voornemen uitgebracht waarin kenbaar is gemaakt dat verweerder voornemens is de verleende verblijfsvergunning in te trekken. Eiser heeft hierop bij schrijven van 2 november 2005 gereageerd. Op 16 november 2005 heeft een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gehoor heeft verweerder op 12 januari 2006 een aanvullend voornemen uitgebracht. Eiser heeft bij schrijven van 26 januari 2006 een aanvullende zienswijze ingediend. Verweerder heeft vervolgens de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd bij besluit van 9 februari 2006 met terugwerkende kracht tot 20 september 1994, zijnde de datum van verlening van de vvtv, ingetrokken.

Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken met toepassing van artikel 35 juncto artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Aan het besluit van 9 februari 2006 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het eisers verantwoordelijk is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Verweerder heeft twee taalanalyses laten verrichten. Uit de resultaten van die taalanalyses kan worden afgeleid dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Liberia, maar waarschijnlijk te herleiden is tot Ghana.

Voorts heeft verweerder overwogen dat de Minister van Buitenlandse Zaken is verzocht onderzoek te verrichten in Liberia naar de juistheid van eisers verklaringen. Naar aanleiding van dat onderzoek is een individueel ambtsbericht uitgebracht. In het individueel ambtsbericht is opgenomen dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot onder andere zijn woonadres en werkadres.

Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat verweerder, gelet op de resultaten van de taalanalyses en het individuele ambtsbericht, het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet in Liberia heeft verbleven, maar langdurig in een ander land heeft verbleven. Dit gegeven zou, indien dit bekend was geweest bij de oorspronkelijke aanvraag, tot afwijzing van de aanvraag hebben geleid.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de Liberiaanse nationaliteit bezit en Liberia zijn land van herkomst is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een geboortedocument overgelegd. Eiser heeft vanwege de hoge kosten geen contra-expertise laten verrichten om de conclusies van de door verweerder uitgevoerde taalanalyses te betwisten, maar heeft daarentegen wel kritische kanttekeningen gemaakt waaraan verweerder ten onrechte aan voorbij is gaan. In het individueel ambtsbericht van 22 juli 2005 wordt ten onrechte de conclusie getrokken dat de overgelegde documenten niet authentiek zijn. Eiser is er voorts vanuit gegaan dat de rechtbank de onderliggende stukken van het ambtsbericht zal opvragen. Tenslotte heeft verweerder de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht kunnen intrekken tot 20 september 1994.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Ingevolge artikel 33 van de Vw 2000 is verweerder bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

b. een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid.

Volgens onderdeel C6/31.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan van de bevoegdheid om de vergunning krachtens artikel 35 van de Vw 2000 in te trekken gebruik worden gemaakt, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten.

Volgens onderdeel C6/31.4.1, gelezen in samenhang met onderdeel C6/31.2.1.1, wordt met de intrekking van de verblijfsvergunning, omdat bij de verlening onjuiste gegevens zijn verstrekt, slechts beoogd de situatie te herstellen, zoals die rechtens zou zijn geweest, indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Met de intrekking van de vergunning wordt niet beoogd leed toe te voegen. Om die reden is niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling, of diens persoonlijke betrokkenheid is evenmin vereist. Volgens de circulaire kan, analoog aan hetgeen in artikel 3.97 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is bepaald voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, intrekking plaatsvinden, tenzij sinds de verlening of de verlenging een periode van twaalf jaar is verstreken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover zijdens eiser is betoogd dat verweerder ten onrechte nader onderzoek heeft verricht, nu daarvoor geen aanleiding bestond, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft verweerder een bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard, doch eiser wel in het bezit gesteld van een vvtv. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld voor zover verweerder hem een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingenschap en een vergunning tot verblijf heeft onthouden. Het beroep is bij uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 22 september 1997 (AWB 96/13030) gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Verweerder heeft eiser in 1998 en 1999 nader gehoord.

Tijdens de gehoren in 1998 en 1999, afgenomen in de bezwaarprocedure, heeft eiser slechts vage antwoorden kunnen geven op de door de gehoorambtenaar gestelde vragen. Bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit zijn overigens geen rechtsmiddelen aangewend. De aan die besluitvorming op 6 juni 2002 mede ten grondslag liggende gehoren zijn - zoals verweerder ter zitting heeft verklaard - de aanleiding geweest om de taalanalyses op te starten en de Minister van Buitenlandse Zaken te verzoeken om onderzoek te verrichten in Liberia.

Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Aan de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft verweerder de resultaten van twee taalanalyses en een individueel ambtsbericht ten grondslag gelegd. Uit de taalanalyse van 17 februari 2003 heeft verweerder afgeleid dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Liberia. Vervolgens heeft verweerder op 6 maart 2003 wederom een taalanalyse laten verrichten. Volgens laatstgenoemde taalanalyse is eiser waarschijnlijk te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Ghana. Op grond van de resultaten van het individueel ambtsbericht heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser onjuiste verklaringen heeft afgelegd en de door eiser overgelegde documenten niet authentiek zijn.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 augustus 2002 (JV 2002/324) en 4 augustus 2003 (JV 2003/471) dat een taalanalyse tot stand komt onder de verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd. Taalanalisten worden op zorgvuldige wijze geselecteerd en staan onder voortdurende kwaliteitscontrole. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2003 (JV 2003/455) waaruit blijkt dat de vreemdeling niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweeg kan brengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan. Een contra-expertise is het middel bij uitstek om de gerezen twijfel aan de afkomst weg te nemen.

Verder overweegt de rechtbank dat inmiddels bij herhaling in de rechtspraak is uitgesproken (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2001, JV 2001/325) dat een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Het onderhavige individueel ambtsbericht is qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand gekomen en inhoudelijk inzichtelijk. Tenzij zijdens eiser concrete aanknopingspunten worden ingebracht, dient van de juistheid van het individueel ambtsbericht te worden uitgegaan.

De rechtbank zal thans vooreerst beoordelen of eiser op goede gronden de resultaten van de taalanalyses heeft bestreden. Vervolgens zal de rechtbank het standpunt van verweerder beoordelen dat eiser op grond van de resultaten van het individueel ambtsbericht ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd.

Eiser heeft aangevoerd dat in de taalanalyse van 17 februari 2003 niet wordt onderbouwd waarom eiser niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Liberia. Evenmin komt uit het rapport van 6 maart 2003 naar voren waarop de conclusie berust dat eiser waarschijnlijk te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Ghana. Tenslotte heeft eiser een door de Liberiaanse ambassade te Brussel afgegeven geboortedocument overgelegd waaruit blijkt dat hij in Liberia is geboren en de Liberiaanse nationaliteit bezit.

De rechtbank overweegt dat hetgeen zijdens eiser is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten biedt om te twijfelen aan de deskundigheid van de betreffende taalanalist, dan wel kan leiden tot twijfel aan de zorgvuldigheid waarmee de taalanalyse is uitgevoerd.

In dit verband acht de rechtbank redengevend dat de taalanalisten in de rapporten van taalanalyse onder meer de grammatica en de beschrijving van de spraak en de kennis van Liberia hebben beoordeeld. Naar dezerzijds oordeel hebben de taalanalisten gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij tot de door hen gestelde conclusies zijn gekomen, zodat in tegenstelling tot hetgeen eiser beweert, wel sprake is van een deugdelijke onderbouwing.

Ten aanzien van het door eiser overgelegde geboortedocument heeft verweerder in zijn reactie van 12 januari 2006 het standpunt ingenomen dat nog afgezien van de echtheid van het document of dat het document op de juiste wijze is afgegeven, in casu wordt uitgegaan van de Liberiaanse nationaliteit. Verweerder heeft vervolgens overwogen dat met het overleggen van het geboortecertificaat enkel iets gezegd wordt over de nationaliteit van eiser en niets over een eventueel land van eerder verblijf alwaar eiser langdurig heeft verbleven volgens de taalanalyses.

De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande reactie blijkt dat verweerder van de Liberiaanse nationaliteit van eiser uitgaat. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij uit de taalanalyses afleidt dat eiser lange tijd niet in Liberia, maar in een ander land heeft verbleven. Het geboortedocument kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit document geen concrete aanknopingspunten biedt op grond waarvan kan worden afgeleid dat dit standpunt onjuist is te achten.

Voorts heeft eiser ter zitting verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2005 (JV 2005/188). De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak overwogen dat niet op voorhand is uit te sluiten dat de uitkomst van de taalanalyse is beïnvloed door communicatieproblemen tussen de IND-ambtenaar, tolk, taalanalist en eiser. Voorts kan de uitkomst, dat eiser ‘algemeen gangbaar Mandingo’ spreekt, op zichzelf, zonder enige indicatie hoe het Mandingo in Sierra Leone wordt gesproken, niet de conclusie dragen dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap van dat land.

De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval niet is gebleken van communicatieproblemen. Daarbij komt dat de taalanalist, die de taalanalyse van 17 februari 2003 heeft afgenomen, afkomstig is uit Liberia, tot de conclusie is gekomen dat eiser Engels spreekt met een tongval spreekt die hem eenduidig buiten Liberia plaatst.

Nu uit de taalanalyses blijkt dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Liberia en eiser het tegendeel niet heeft aangetoond bijvoorbeeld door middel van een contra-expertise, heeft verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat eiser lange tijd buiten Liberia heeft verbleven.

Naast het laten verrichten van twee taalanalyses heeft verweerder de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om aan de hand van eisers verklaringen over zijn adres, school en werk onderzoek te doen in Liberia. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het individueel ambtsbericht van 22 juli 2005 (kenmerk DPV/AM-U040826.0364/865173).

Uit het individueel ambtsbericht kan worden afgeleid dat het door eiser opgegeven woonadres een niet-bestaand adres is. Voorts heet de enige katholieke school in Harbel niet St. Joseph Catholic School, zoals door eiser is verklaard, en was eiser nimmer leerling op deze school. Ook bestaat de straat, waar volgens eiser het autoreparatiebedrijf waar hij werkte was gelegen, niet. De door eiser overlegde documenten, te weten de nationale identiteitskaart, het geboortecertificaat en het rijbewijs, zijn niet authentiek bevonden.

Verweerder heeft de aan het individueel ambtsbericht onderliggende geanonimiseerde stukken overgelegd. De rechtbank heeft, gelet op de inhoud van het individueel ambtsbericht, de overgelegde - geanonimiseerde - stukken en hetgeen door eiser ter onderbouwing van dit beroep naar voren is gebracht, geen aanleiding gezien om de originele onderliggende stukken op te vragen.

Vervolgens overweegt de rechtbank als volgt.

Wat ook zij van de wisselende verklaringen van eiser over zijn woonadres, in het bijzonder de onduidelijkheid of hij nu in Harbel of Monrovia heeft gewoond, de rechtbank overweegt dat uit het individueel ambtsbericht kan worden afgeleid dat [straatnaam] de straat waar volgens eisers verklaringen het bedrijf waar hij werkte is gelegen, niet in Monrovia bekend is. In eisers verklaring dat hij niet weet of het bedrijf waar hij vroeger heeft gewerkt nog steeds bestaat en het mogelijk is dat de straat waaraan het bedrijf heeft gelegen door de burgeroorlog is verwoest, heeft verweerder, zonder een nadere concrete onderbouwing van deze verklaring, geen concreet aanknopingspunt hoeven zien om voornoemde inconsistentie niet langer aan eiser tegen te werpen.

Voorts heeft verweerder aan de verklaring van eiser dat de door hem genoemde school, geen echte school is maar een crèche, geen waarde hoeven hechten, nu hij tijdens het gehoor van 28 september 1994 heeft verklaard dat hij van 1973 tot en met 1980 op de lagere school genaamd St. Joseph Catholic School heeft gezet. Dat eiser eerst in de zienswijze deze verklaring, zonder enige onderbouwing, heeft gewijzigd in die zin dat de lagere school eigenlijk een crèche was, kan niet tot een ander oordeel leiden, temeer nu niet valt in te zien dat eiser vanaf zijn zesde tot zijn dertiende jaar op een crèche zou hebben gezeten.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd betreffende zijn werkadres en schooltijd.

Tenslotte blijkt uit het individueel ambtsbericht dat de door eiser ingebrachte documenten niet authentiek zijn. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat verweerder contact heeft opgenomen met de landenspecialist om na te vragen of kopieën van documenten op echtheid kunnen worden onderzocht. De geraadpleegde landenspecialist heeft het in het onderhavige geval mogelijk geacht om de overgelegde kopieën op authenticiteit te onderzoeken.

De rechtbank overweegt in dit verband dat zij geen reden heeft om tot de conclusie te komen dat bepaalde echtheidskenmerken van een document niet aan de hand van een kopie van dat document onderzocht kunnen worden. Gelet op de ter zitting gegeven verklaring van verweerder en de niet nader onderbouwde stelling van eiser is de rechtbank, in tegenstelling tot eiser, dan ook van oordeel dat niet onzorgvuldig gehandeld is door een document te controleren op echtheid aan de hand van een kopie van dat document.

Vervolgens zal de rechtbank zich buigen over de vraag of verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit aldus dat de onderhavige intrekking in feite zowel een intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als een intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betreft. Eiser heeft betwist dat verweerder de aan hem verleende verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken met ingang van

20 september 1994. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2005 (JV 2006/52) dient degene die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, er steeds rekening mee te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden. Nu verweerder reeds gelet op het bovenstaande redelijkerwijs het standpunt heeft kunnen innemen dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl die gegevens tot niet verlening van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid, is de rechtbank van oordeel dat voor verweerder in beginsel de bevoegdheid bestond om de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken. In dit verband overweegt de rechtbank dat voor verlening van een verblijfsvergunning asiel immers niet alleen de nationaliteit van een vreemdeling van belang is, maar onder meer ook waar en gedurende welke periode een vreemdeling verbleven heeft voor zijn komst naar Nederland. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder naar dezerzijds oordeel geen aanleiding hoeven zien om van zijn bevoegdheid geen gebruik te maken.

Anders dan verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat de verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 september 1994, zijnde de datum van het verlenen van de vvtv. De vvtv is immers omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen en is inmiddels beëindigd. Gelet hierop kan de intrekking hoogstens terugwerken tot de datum van het verlenen van de per 1 april 2001 van rechtswege omgezette vergunning tot verblijf zonder beperking, zijnde 20 september 1997.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning tot een eerdere datum dan 20 september 1997, gegrond verklaren. Voor het overige zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 322,= per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Bpb zal de rechtbank de proceskosten verminderen tot de helft, omdat eiser slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond voor zover verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken per een eerdere datum dan 20 september 1997;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de helft van de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van eiser zijn begroot op € 644,= (wegens kosten van rechtsbijstand), zijnde de helft van daarvan € 322,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.