Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9656

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/945 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is met onmiddellijke ingang overgeplaatst zonder dat door verweerder in voldoende mate is getracht om een oplossing te bereiken voor de door de leidinggevenden van eiseres ervaren samenwerkingsproblemen. Eiseres streeft niet langer een terugkeer in haar oude functie na. Haar procesbelang is thans alleen nog gelegen in het verkrijgen van een schadevergoeding van verweerder, aangezien zij het overplaatsingsbesluit onrechtmatig acht. Eiseres acht toekenning van een schadevergoeding van € 5.000,- passend. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB overweegt de rechtbank dat van onvoldoende betekenis is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. Bepalend is of betrokkene voldoende aannemelijk kan maken dat zij zodanig onder het besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van door eiseres geleden psychische schade, als hiervoor bedoeld, zodat in het licht van de vaste jurisprudentie van de CRvB geen grond bestaat voor toekenning van een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/945 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van Bestuur van de Universiteit Leiden, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1. Bij besluit van 17 maart 2005 heeft de directeur bedrijfsvoering van de Faculteit der Letteren van de Universiteit Leiden eiseres met onmiddellijke ingang overgeplaatst naar de functie van secretaresse bij de opleiding Talen en Culturen van het Midden-Oosten bij de Faculteit der Letteren.

2. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 april 2005 een bezwaarschrift ingediend.

3. Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (hierna: de Commissie) van 6 december 2005, voormeld besluit van 17 maart 2005 om doelmatigheidsredenen gehandhaafd.

4. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 januari 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

5. De zaak is op 25 januari 2007 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. T.G.J. Horlings.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers].

Motivering

1. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat eiseres niet langer een terugkeer in haar oude functie bij de Faculteit der Letteren nastreeft.

Desgevraagd heeft zij ter zitting aangegeven dat haar procesbelang thans alleen nog is gelegen in het verkrijgen van een schadevergoeding van verweerder, aangezien zij het overplaatsingsbesluit van 17 maart 2005 onrechtmatig acht. Eiseres acht toekenning van een schadevergoeding van € 5.000,- passend.

In dit geschil dient, vanuit het aldus beperkte procesbelang van eiseres, de vraag beantwoord te worden of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn besluit tot overplaatsing van eiseres met onmiddellijke ingang naar de functie van secretaresse bij de opleiding Talen en Culturen van het Midden-Oosten bij de Faculteit der Letteren heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. Eiseres heeft in beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiseres stelt allereerst dat het dictum van het bestreden besluit in strijd met de wet is nu het noch een herroeping noch een ongegrondverklaring inhoudt. Zij is van mening dat instandhouding van het bestreden besluit tot ongegrondverklaring van haar bezwaar had moeten leiden. Voorts geeft eiseres aan dat uit het advies van de Commissie, dat door verweerder is overgenomen, volgt dat de primaire beslissing onrechtmatig is geweest.

Tevens meent eiseres dat doelmatigheidsoverwegingen slechts dan tot handhaving van het bestreden besluit mogen leiden indien herroeping geen reële mogelijkheid is en er tegelijkertijd nadeelscompensatie wordt toegekend, hetgeen in haar geval niet van toepassing is aangezien terugplaatsing van eiseres in haar oude positie een reële mogelijkheid is. Immers, van een onherstelbaar verstoorde relatie met haar leidinggevende is nog niet gebleken. De onderliggende grond van haar overplaatsing is het feit dat zij zich niet heeft kunnen verenigen met haar nieuwe functie-indeling en dat haar daartegen gemaakte bezwaar gegrond is verklaard. Eiseres stelt dat, nu het ontbreken van een vertrouwensrelatie onvoldoende geobjectiveerd kan worden, de motivering het bestreden besluit niet kan dragen.

3. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd, dat terugplaatsing van eiseres in haar oude positie niet meer aan de orde is.

De rechtbank stelt vast dat het geschil zich thans beperkt tot het verzoek van eiseres tot vergoeding van de door haar geleden immateriële schade op grond van artikel 8:73 Awb.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4. 1. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat het primaire besluit van verweerder van 17 maart 2005 onrechtmatig tot stand is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep in zoverre slaagt.

Zij overweegt hiertoe dat genoemd besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en derhalve in strijd met artikel 3:2 Awb is genomen. Eiseres is met onmiddellijke ingang overgeplaatst zonder dat door verweerder in voldoende mate is getracht om een oplossing te bereiken voor de door de leidinggevenden van eiseres ervaren samenwerkingsproblemen.

Uit het zich bij de processtukken bevindende verslag van een werkoverleg op 14 februari 2005 blijkt dat daar als feit wordt medegedeeld dat de besturen van het Gerard Tuning Instituut (hierna: GTI) en de Faculteit tot de conclusie zijn gekomen dat zij geen toekomst meer zien voor eiseres op het secretariaat en dat de Faculteit zal meewerken bij het zoeken naar een andere baan. Kort voor het begin van dit werkoverleg had de leidinggevende van eiseres haar verteld dat deze mededeling in het overleg zou worden gedaan. Eerst op 17 februari 2005 heeft het bestuur van het GTI eiseres bij het Faculteitsbestuur voorgedragen voor overplaatsing. De voordracht bevat drie concrete verwijten met betrekking tot de functievervulling door eiseres. In een gesprek op 8 maart 2005 met de directeur bedrijfsvoering en het hoofd personeelszaken ontkende eiseres gemotiveerd de haar verweten werkweigering en gaf zij aan zich niet te herkennen in de beide andere verwijten. Bij brief van 11 maart 2005 heeft zij haar opvatting nader toegelicht. In het besluit van 17 maart 2005 constateerde verweerder een onwerkbare situatie, waardoor het organisatiebelang werd geschaad, terwijl er geen zicht was op een oplossing. Blijkens deze gang van zaken is eiseres niet in de gelegenheid gesteld om haar functioneren en wijze van communiceren zodanig te veranderen dat de daarover bij haar leidinggevenden bestaande onvrede zou worden weggenomen.

Bovendien is niet duidelijk wat verweerder heeft gedaan met de interventie ten gunste van eiseres door de Instituutsraad bij brief van 9 maart 2005. Daarin worden de problemen bij het secretariaat van het GTI toegeschreven aan de gebrekkige aansturing van het secretariaat door de instituutssecretaris, de direct leidinggevende van eiseres.

Ook eiseres en haar collega’s hebben de gebrekkige leiding en sturing van het secretariaat enkele keren in een gesprek met de directeur bedrijfsvoering aan de orde gesteld.

4.2 Voorts overweegt de rechtbank met betrekking tot de stelling van eiseres dat het dictum van de beslissing op haar bezwaar in strijd met de wet is, als volgt.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, Awb, vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

De Awb schrijft niet voor wat de beslissing op bezwaar moet of kan inhouden. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat het primaire besluit om redenen van doelmatigheid in stand kon blijven. De onrechtmatigheid van een primair besluit betekent niet noodzakelijk ook de herroeping van dat besluit. Verweerder heeft, beslissend op het bezwaar van eiseres, in redelijkheid, het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften volgend, een doorslaggevend belang kunnen toekennen aan de niet wenselijkheid van een terugkeer van eiseres in haar oude functie.

4.3 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of eiseres in verband met verweerders besluitvorming schade heeft geleden en zo ja, of haar daarvoor een schadevergoeding toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op de hiervoor onder 4.1 weergegeven gang van zaken, voorafgaand aan haar ontslag, aannemelijk heeft gemaakt dat zij immateriële schade heeft geleden.

4.4 Bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang iemand schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt, dient, naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), aansluiting te worden gezocht bij het burgerlijk schadevergoedingsrecht (artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).

4.5 Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 3 augustus 2006, 02/5091 WAO, 05/5900 WAO, JB 2006, 295 (LJN: AY6041), overweegt de rechtbank, dat voor vergoeding van schade vereist is, dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen, die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of de schade aan het bestuursorgaan toegerekend moet worden is ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

Wat betreft de vergoeding van immateriële schade blijkt uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:106 BW dat de wetgever hierbij het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en andere persoonlijkheidsrechten van betrokkene.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB overweegt de rechtbank dat daarvoor van onvoldoende betekenis is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. Bepalend is of betrokkene voldoende aannemelijk kan maken dat zij zodanig onder het besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van door eiseres geleden psychische schade, als hiervoor bedoeld, zodat in het licht van de vaste jurisprudentie van de CRvB geen grond bestaat voor toekenning van een schadevergoeding.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier P.J.C. de Jong.