Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9471

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
Awb 07/4972
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / bewaring / opvolgend beroep / EU-documenten / zicht op uitzetting

Eiser heeft aangevoerd dat hij van verschillende kanten, waaronder de betrokken luchtvaartmaatschappij, heeft vernomen dat Irakezen met een EU-document niet worden toegelaten op vluchten naar Irak, zodat zicht op uitzetting ontbreekt.

De rechtbank heeft verweerder opgedragen inzicht te verschaffen in het aantal geslaagde uitzettingen naar Noord-Irak met een EU-document, en het aantal daartoe ondernomen pogingen. Verweerder heeft aangegeven dat het niet mogelijk is de gevraagde informatie te achterhalen. Verweerder kon wel mededelen dat in 2007 tot op heden één persoon met een EU-document is uitgezet naar Noord-Irak. Verweerder heeft daarmee niet het gevraagde inzicht verschaft en daarvoor geen afdoende reden gegeven. Aldus is het betoog van eiser onvoldoende weersproken gebleven, en kan niet langer worden gesteld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 07/4972

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1972,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9605.24.2009,

thans verblijvende in het Uitzetcentrum te Zestienhoven,

raadsman mr. H. Loth,

eiser;

en

De Minister van Justitie,

als rechtsopvolger van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.M. Wuite,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 2 februari 2007 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 februari 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt bij brieven van 19 februari 2007 en 21 februari 2007. Eiser heeft hierop bij brief van 21 februari 2007 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven op het beroep zonder nader behandeling ter zitting te beslissen. Daarop is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Eiser stelt dat geen zicht op uitzetting bestaat, omdat hij valt onder het bereik van de motie De Wit c.s.(TK 2006-2007, 19637, nr. 1118),waarin de regering wordt verzocht per direct over te gaan tot het bieden van categorale bescherming aan asielzoekers uit Centraal en Zuid-Irak, en de in reactie daarop geschreven brief van de Minister van Justitie van 13 december 2006 (TK 2006-2007, 19637, nr. 1120). Dat eiser ongewenst is verklaard is in zijn visie niet relevant; daartoe verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingplaats Amsterdam van 4 januari 2007, Awb 06/62389, LJN: AZ7332.

Dat betoog faalt. De motie heeft betrekking op asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak. Eiser is echter afkomstig uit Noord-Irak.

2.2 Eiser heeft voorts betoogd dat zicht op uitzetting ontbreekt, omdat na een eerder mislukte poging op 23 december 2006 nu ook de poging hem uit te zetten op 27 januari 2007 is mislukt vanwege het ontbreken van een EU-document.

Uit de door verweerder bij brief van 19 februari 2007 overgelegde informatie blijkt dat het ontbreken van een EU-document te wijten was aan gebrekkige communicatie, gelegen in de risicosfeer van verweerder. Van onvoldoende voortvarend handelen van verweerder en daarmee van het ontbreken van zicht op uitzetting op dat moment is de rechtbank echter niet gebleken.

2.2 Eiser voert ten slotte aan dat hij van verschillende kanten, waaronder de betrokken luchtvaartmaatschappij, heeft vernomen dat Irakezen met een EU-document niet worden toegelaten op vluchten naar Irak, zodat zicht op uitzetting op een redelijke termijn ontbreekt.

Mede naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank verweerder opgedragen inzicht te verschaffen in het aantal geslaagde uitzettingen naar Noord-Irak met een EU-document, en het aantal daartoe ondernomen pogingen.

Verweerder heeft bij brief van 21 februari 2007 aangegeven dat het niet mogelijk is de gevraagde informatie te achterhalen. Voorts heeft verweerder meegedeeld dat in 2007 tot op heden één persoon met een EU-document is uitgezet naar Noord-Irak.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het gevraagde inzicht niet heeft verschaft en daarvoor geen afdoende reden heeft gegeven. Aldus is het betoog van eiser onvoldoende weersproken gebleven, en kan niet langer worden gesteld dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen. Voor toekenning van schadevergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.H. van Wendel als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.