Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9458

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/62686 en AWB 06/62690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vrijheidsontnemende maatregel / bevoegdheid Ministerie van Justitie

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder bevoegd is om het onderhavige besluit te nemen, hetgeen verzoeker primair heeft betwist. Verzoeker verwijst hiertoe naar het KB van 14 december 2006, waarin ingevolge de artikelen 43 en 44, tweede lid, van de Gw wordt bepaald dat mevrouw drs. M.C.F. Verdonk met ingang van 14 december 2006 niet langer is belast met de aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken. De rechtbank constateert met verzoeker dat in het KB van 14 december 2006 weliswaar wordt bepaald dat mevrouw drs. M.C.F. Verdonk haar portefeuille Vreemdelingenzaken afstaat, maar dat hierin niet de Minister van Justitie is aangewezen als degene die vanaf dat moment verantwoordelijk is voor de portefeuille. De rechtbank overweegt echter dat de verantwoordelijkheid voor vreemdelingenzaken en integratie voorheen toebehoorde aan de Staatssecretaris van Justitie, derhalve het Ministerie van Justitie. Bij het creëren van de positie van Minister zonder portefeuille, de Minister voor Vreemdelingen en Integratie, is de verantwoordelijkheid voor deze beleidsterreinen aan deze Minister toebedeeld. De overige beleidsterreinen van het Ministerie van Justitie behoren tot de portefeuille van de Minister van Justitie. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie viel tezamen met de Minister van Justitie onder het Ministerie van Justitie. Nu bij KB van 14 december 2006 het beleidsterrein vreemdelingenzaken is onttrokken aan de verantwoordelijkheid van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw M.C.F. Verdonk, is de verantwoordelijkheid voor dit beleidsterrein dan ook zonder dat dit bij KB diende te worden geregeld toegekomen aan de Minister van Justitie. De verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie wordt ook bevestigd in de brief van de Minister-President aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 december 2006, waarin is bepaald dat de Minister van Justitie, de heer E.M.H. Hirsch Ballin, de verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein vreemdelingenzaken op zich zal nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en

artikel 8:70 van de Awb jo artikel 94 en artikel 106 van de Vw 2000

reg. nrs.:AWB 06/62686 (voorlopige voorziening) AWB 06/62690 (beroep vrijheidsontnemende maatregel)

V.nr.: 271.473.7987

inzake: [eiser / verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1987, van Afghaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Bankenbosch te Veenhuizen, verzoeker / eiser (hierna te noemen: eiser),

gemachtigde: mr. drs. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht,

tegen: de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 13 december 2006 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op 14 december 2006 de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

2. Bij beroepschrift van 22 december 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

3. Op 22 december 2006 heeft eiser tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 december 2006 waarbij de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van eiser achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede het beroep ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, is behandeld ter zitting van 5 januari 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.J. Omarkhel, tolk in de Pashtu taal.

5. De voorzieningenrechter / rechtbank (hierna te noemen: rechtbank), heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Ten aanzien van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de rechtbank als volgt.

2. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

3. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Eiser is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

4. De aanmeldcentrum (AC) - procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

6. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

7. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

8. Ingevolge artikel 2 van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) is de persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is en die zich niet onder de bescherming van dat land kan, of wegens dat risico, wil stellen. De subsidiaire beschermingsstatus wordt in artikel 2, aanhef en onder f, van de Definitierichtlijn omschreven als de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.

9. Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie;

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een eiser in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

10. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder bevoegd is om het onderhavige besluit te nemen, hetgeen eiser primair heeft betwist. Eiser verwijst hiertoe naar het Koninklijk Besluit (KB) van 14 december 2006, nummer 06.004621, waarin ingevolge de artikelen 43 en 44, tweede lid, van de Grondwet (Gw) wordt bepaald dat mevrouw drs. M.C.F. Verdonk met ingang van 14 december 2006 niet langer is belast met de aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken. De rechtbank constateert met eiser dat in het KB van 14 december 2006 weliswaar wordt bepaald dat mevrouw drs. M.C.F. Verdonk haar portefeuille Vreemdelingenzaken afstaat, maar dat hierin niet de Minister van Justitie is aangewezen als degene die vanaf dat moment verantwoordelijk is voor de portefeuille. De rechtbank overweegt echter dat de verantwoordelijkheid voor vreemdelingenzaken en integratie voorheen toebehoorde aan de Staatssecretaris van Justitie, derhalve het Ministerie van Justitie. Bij KB van 22 juli 2002 is de verantwoordelijkheid voor deze beleidsterreinen toebedeeld aan Minister zonder portefeuille; de Minister voor Vreemdelingen en Integratie (Stcrt. 2002, nr 140, p.7). De overige beleidsterreinen van het Ministerie van Justitie behoren tot de portefeuille van de Minister van Justitie (Stcrt. 2003, nr. 120, p. 8). De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie viel, tezamen met de Minister van Justitie, onder het Ministerie van Justitie (Organisatieregeling Ministerie van Justitie 2005, artikel 1). Nu bij KB van 14 december 2006 het beleidsterrein vreemdelingenzaken is onttrokken aan de verantwoordelijkheid van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw M.C.F. Verdonk, is de verantwoordelijkheid voor dit beleidsterrein dan ook zonder dat dit bij KB diende te worden geregeld toegekomen aan de Minister van Justitie. De verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie wordt ook bevestigd in de brief van de Minister-President aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 december 2006 (Kamerstukken II 2006/7, 19 637, nummer 1114), waarin is bepaald dat de Minister van Justitie, de heer E.M.H. Hirsch Ballin, de verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein vreemdelingenzaken op zich zal nemen.

11. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en, hiermee samenhangend, de vraag of er voldoende spoedeisend belang is bij het treffen van de gevraagde voorziening. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvraag, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser betoogt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, als oudste mannelijk gezinslid, na de moord op zijn vader door leden van de Taliban in verband met diens werkzaamheden als kolonel voor de huidige autoriteiten eveneens zal worden vermoord door leden van de Taliban, terwijl hij hiertegen geen adequate bescherming kan inroepen. Verweerder betwist niet de feitelijke grondslag van het asielrelaas van eiser, maar bestrijdt het realiteitsgehalte van de aan deze feiten ontleende vrees.

12. De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van zijn asielaanvraag in beroep onder andere een beroep heeft gedaan op de Definitierichtlijn. Hierbij heeft hij gemotiveerd betoogd dat hij met name op grond van artikel 15c van de Definitierichtlijn voor subsidiaire bescherming in aanmerking dient te komen. Tussen partijen is - onder meer - in geschil de wijze waarop artikel 15c van de Definitierichtlijn dient te worden geïnterpreteerd. Op 8 december 2006 heeft er een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats plaatsgevonden, waarop een viertal zaken, waarin onder andere een beroep is gedaan op artikel 15c van de Definitierichtlijn, is behandeld. Op deze zitting is - onder meer - aan de orde geweest de vraag of artikel 15c van de Definitierichtlijn dient te worden gezien als een individuele beschermingsgrond, vergelijkbaar met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, of dat er een bredere betekenis aan moet worden toegekend. De uitspraken in deze zaken worden medio januari 2007 verwacht. De rechtbank is, reeds gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat niet op voorhand kan worden gezegd dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.

13. De rechtbank ziet in het vorenoverwogene, in samenhang gezien met het feit dat de dreigende uitzetting tot onomkeerbare gevolgen kan leiden, aanleiding tot het treffen van de verzochte voorziening.

14. De overige gronden van het onderhavige verzoek behoeven dan ook geen nadere bespreking.

15. Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

16. Ten aanzien van het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

17. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Terzake wordt het beleid gevoerd inhoudende dat onder meer tot - voortzetting van - de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen.

18. Met betrekking tot de bevoegdheid van de Minister van Justitie om het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel te nemen, verwijst de rechtbank naar het onder rechtsoverweging II.10 overwogene. De rechtbank constateert dat eiser voor het overige geen gronden tegen de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 heeft aangevoerd.

19. In paragraaf C3/12.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is vermeld dat als regel geen toepassing of verdere toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is dat de desbetreffende vreemdeling na afloop van zijn procedure aan de vertrekplicht, bedoeld in artikel 5 van de Vw 2000, kan voldoen. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard, dan wel door de rechter een voorlopige voorziening is getroffen, zal de IND bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen, aldus die passage. Als regel wordt de maatregel wel voortgezet, indien de voorlopige voorziening om procedurele redenen is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 20 oktober 2004 (200407918/1) en 10 januari 2005 (200409588/1) volgt uit voornoemd beleid niet dat in overige gevallen, waarin het derhalve niet gaat om procedurele redenen van gegrondverklaring van het beroep dan wel toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, de maatregel dient te worden opgeheven. In die gevallen wordt volgens voornoemde beleidsregel door de IND bezien of aanleiding bestaat op de maatregel op te heffen.

20. In de onderhavige zaak is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om inhoudelijke redenen toegewezen. De rechtbank merkt op dat hetgeen hiervoor in het kader van de beoordeling van dit verzoek is overwogen niet tot het oordeel leidt dat de onderhavige maatregel onrechtmatig is te achten. Verweerder dient enige tijd te worden gegund zich naar aanleiding van hetgeen is aangevoerd te beraden en het dossier van eiser te onderzoeken. Niet kan op voorhand worden gezegd dat van eiser niet kan worden gevergd om aan de vertrekplicht ex artikel 5 van de Vw 2000 te voldoen, of dat verweerder het vertrek van eiser onvoldoende faciliteert.

21. De rechtbank zal het beroep gericht tegen de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 ongegrond verklaren.

22. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter

In de zaak, geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/62686:

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

De rechtbank

In de zaak, geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/62690:

3. verklaart het beroep ongegrond;

4. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 10 januari 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Groot, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter / voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc: MG

Coll: LF

Bp: -

D: B

Tegen de uitspraak, geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/62686, staat geen hoger beroep open.

Tegen de uitspraak, geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/62690, staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.