Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9414

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/3270
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / asielaanvraag / bekendmaking besluit / rechtmatig verblijf

Verweerder heeft het besluit op de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Eiser was, nog voordat op zijn aanvraag was beslist, met onbekende bestemming vertrokken. Er was geen advocaat. Vaststaat dat verweerder een beslissing op de aanvraag heeft genomen. Vervolgens is eiser in bewaring gesteld. Onder meer is de vraag aan de orde of eiser hier te lande rechtmatig verblijf had op het moment van inbewaringstelling. Op grond van artikel 8, aanhef en onder f van de Vw 2000 heeft – voor zover hier van belang - degene rechtmatig verblijf die in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw 2000. Onbetwist is dat verweerder geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 3:41, eerste lid, van de Awb (toezending of uitreiking aan de aanvrager). Door toezending van het besluit aan de korpschef is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb. Het besluit is niet op enigerlei wijze openbaar gemaakt, bijvoorbeeld door middel van publicatie in een dagblad of anderszins. Eiser heeft derhalve geen kennis kunnen nemen van het besluit en had daarom ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3270

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2007

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1987,

nationaliteit Burger van India,

verblijvende te Zeist in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. C.L. Koets-Bolhuis,

tegen

de Minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde drs. J.M.C. Vissers.

Procesverloop

Op 20 januari 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Op 22 januari 2007 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 januari 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder de gelegenheid te geven nadere informatie te verschaffen.

Bij fax van 1 februari 2007 heeft verweerder de rechtbank deze nadere informatie verstrekt en daarvan een afschrift gezonden aan de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft daarop op 2 februari 2007 schriftelijk gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 5 februari 2007 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat ook de feiten en omstandigheden in het strafrechtelijk voortraject beoordeeld moeten worden. Voorts is betoogd dat eiser ten tijde van zijn aanhouding rechtmatig in Nederland verbleef en is weersproken dat eiser eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

3. Uit vaste jurisprudentie, zoals de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.dis 26 juli 2001, JV 2001/234 en 25 oktober 2001, JV 2001/329, vloeit voort dat de rechter in vreemdelingenzaken niet kan oordelen over het strafrechtelijk voortraject, nu het daarbij niet gaat om een bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van dat voortraject door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de bewaring.

4. Wel dient onderzocht te worden of sprake is van feiten en omstandigheden die vallen onder het strafrecht. Voorzover hier van belang wordt daartoe het volgende overwogen.

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding van 20 januari 2007 bevonden zich twee politiebeambten in een onopvallende surveillancewagen en hoorden zij via de mobilofoon dat een eenheid de opdracht kreeg te gaan naar de [adres] te [plaatsnaam] alwaar een ruzie zou zijn. De politiebeambten zijn ter plaatse gegaan en werden aangesproken door de bewoonster die verklaarde dat er een persoon in de woning was waarmee zij ruzie had over een verbouwing in haar huis. Die persoon zat op de bank in de woonkamer en werd gevraagd wat er gebeurd was. Deze man sprak slecht Nederlands en Engels. Op de vraag of hij een geldig legitimatiebewijs kon tonen, verklaarde de man geen paspoort bij zich te hebben. Hierop is de man aangehouden op grond van de overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Hieruit volgt dat deze feiten en omstandigheden vallen onder het strafrechtelijk voortraject. De beoordeling valt derhalve buiten de bevoegdheid van de rechter in vreemdelingenzaken. Als eiser hiertegen in beroep wenst te komen dient hij zich te wenden tot de strafrechter of een rechter met algemene bevoegdheid.

5. Eiser heeft gesteld dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu hij nimmer een besluit op zijn asielaanvraag van 7 juli 2005 heeft ontvangen. Het besluit van 10 maart 2006 op zijn asielaanvraag is niet aan hem bekend is gemaakt.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de asielaanvraag van eiser van 7 juli 2005 bij beschikking van 10 maart 2006 buiten behandeling is gesteld en dat daarmee eiser niet langer rechtmatig verblijf in Nederland had. Blijkens dit besluit is op 29 juli 2005 geconstateerd dat eiser, nog voordat er een nader gehoor was gehouden, met onbekende bestemming was vertrokken (MOB). Dit wordt door eiser bevestigd in het gehoor voor de inbewaringstelling van 20 januari 2007. Omdat er (nog) geen gemachtigde in de asielprocedure bekend was en omdat eiser MOB was gemeld, is het besluit van 10 maart 2006 aan de korpschef te [plaatsnaam] gestuurd. Deze korpschef heeft vervolgens op 22 maart 2006 een proces-verbaal opgemaakt waarin is vastgesteld dat het besluit niet kan worden uitgereikt, omdat eiser niet meer op het asielzoekerscentrum te Oisterwijk verbleef en met onbekende bestemming was vertrokken. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 6 oktober 2003, LJN: AM2444; JV 2003/533).

7. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het besluit van 10 maart 2006 bekend is gemaakt en overweegt als volgt.

8. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

9. De rechtbank stelt vast dat onweersproken is dat eiser nog voordat op zijn aanvraag was beslist met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft derhalve geen toepassing kunnen geven aan het bepaalde in het eerste lid van artikel 3:41 van de Awb.

10. Vervolgens rijst de vraag of verweerder het besluit bekend heeft gemaakt op een wijze als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb.

11. Ingevolge het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere wijze. Blijkens de toelichting bij dit artikellid kunnen als andere geschikte wijzen van bekendmaking afhankelijk van de omstandigheden onder meer worden beschouwd publicatie in een dag- of nieuwsblad, aanplakking op het gemeentelijk publicatiebord of aanplakking ter plekke. Soms zal redelijkerwijs kunnen worden volstaan met het op het kantoor van het bestuursorgaan ter inzage leggen van het besluit, mits de terinzagelegging op enigerlei wijze is bekendgemaakt (MvT, Kamerstukken II 23 700, nr. 3, p. 13 en NEV, Kamerstukken II 23 700, nr. 5, p. 4).

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb, nu het besluit niet op enigerlei wijze openbaar is gemaakt. De handelwijze die door verweerder is gevolgd met toezending van het besluit aan de korpschef, waarbij deze vervolgens heeft vastgesteld dat het besluit van 10 maart 2006 niet kan worden uitgereikt, kan niet worden gekwalificeerd als “bekendmaking van het besluit op andere geschikte wijze”. Immers daarmee heeft eiser niet via publicatie dan wel anderszins kennis kunnen nemen van het besluit van 10 maart 2006.

13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser op 20 januari 2007 rechtmatig verblijf had in Nederland, op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daaruit volgt dat de maatregel van bewaring van 20 januari 2007 op een onjuiste grondslag berust. Vervolgens is de vraag aan de orde of eiser door deze handelwijze in zijn belangen is geschaad. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 augustus 2003, gepubliceerd in JV 2003/440 overweegt de rechtbank dat het verschil in betekenis van de grondslag van inbewaringstelling slechts is gelegen in de toegestane duur van de maatregel. Aangezien de toegestane duur op grond van artikel 59, vierde lid, van de vw 2000 in het onderhavige geval vier weken bedraagt, de bewaring nog geen vier weken heeft geduurd en verweerder dit gebrek kan herstellen door eiser alsnog op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 in bewaring te stellen, is eiser niet in zijn belangen geschaad.

14. De rechtbank is van voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden eiser in het belang van de openbare orde een met het oog op uitzetting in bewaring heeft gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat eiser

- niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Nu eiser gemotiveerd heeft betwist dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft kan de grond dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland niet als grondslag dienen. Het voorgaande is evenwel voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

15. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op 22 januari 2007 de laissez-passeraanvraag voor India is verzonden naar de laissez-passerkamer van de Dienst Terugkeer & Vertrek waar de aanvraag op 26 januari 2007 is ontvangen en compleet bevonden. Na bestudering van het dossier zal de aanvraag worden doorgezonden aan de Indiase autoriteiten.

16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet gesteld kan worden dat geen reëel zicht op uitzetting bestaat of dat met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt.

17. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

18. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

19. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen, nu ingevolge artikel 106 van de Vw 2000 een dergelijk verzoek kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.

20. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier op 6 februari 2007.