Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9382

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/48036
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leeftijdsonderzoek / driejarenbeleid / contra-indicatie

De rechtbank stelt voorop dat in de jurisprudentie tot nu toe, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2003 (JV 2003, 512), steeds bij de radiologische beoordeling en het naar aanleiding van die beoordeling opgestelde verslag als algemeen uitgangspunt is genomen dat, indien de mediale uiteinden van de sleutelbeenderen zijn uitgerijpt, wordt aangenomen dat de vreemdeling ten minste 20 jaar oud is. De rechtbank stelt vast dat de radiologische beoordeling en het daarop gebaseerde verslag van 21 april 2005 die ten grondslag liggen aan het onderhavige besluit, een andere maatstaf voor de beoordeling aanleggen, nu hierbij als uitgangspunt is genomen dat indien het mediale uiteinde van één van de sleutelbeenderen is uitgerijpt, wordt aangenomen dat de vreemdeling ten minste 20 jaar oud is. De rechtbank overweegt dat deze nieuwe maatstaf in theorie minder betrouwbaar is dan de maatstaf die voorheen bij het leeftijdsonderzoek werd gebruikt. Immers, in de jurisprudentie is tot nu toe aangenomen dat er bij het nemen van röntgenfoto’s van sleutelbeenderen ten behoeve van het leeftijdsonderzoek een kans bestaat dat door het nemen van een foto vanuit een verkeerde invalshoek de groeischijf, ondanks de aanwezigheid ervan, niet is te zien. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2006 (AWB 03/47179) volgt dat onbekend is hoe groot deze foutmarge precies is, doch dat deze zeer klein is. De rechtbank overweegt dat door voortaan nog enkel röntgenfoto’s van één in plaats van twee sleutelbeenderen te beoordelen, de kans dat een waarnemingsfout, bijvoorbeeld als die hiervoor geschetst, wordt gemaakt, toeneemt. Hoeveel minder betrouwbaar de nieuwe maatstaf precies is, is in deze procedure evenwel niet vast te stellen, nu eiser geen concrete argumenten heeft aangevoerd die betrekking hebben op de (omvang van de) kans op een waarnemingsfout. Nu de kans op een waarnemingsfout, zoals blijkt uit het voorgaande, vooralsnog theoretisch is, en eiser daarover in de onderhavige procedure niets concreets heeft aangevoerd, terwijl eiser evenmin heeft betwist dat tot meerderjarigheid moet worden geconcludeerd indien sprake is van één volledig uitgerijpt sleutelbeen, is de rechtbank in de voorliggende zaak evenwel van oordeel dat niet gebleken is dat door het hanteren van de nieuwe maatstaf de foutmarge zo groot is dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Met betrekking tot eisers stelling dat in het nieuwe beoordelingsformulier niet is opgenomen dat een losse of gedeeltelijk vergroeide epifysaire botkern niet wordt waargenomen, terwijl dat in het rapport van de eerste beoordeling wel stond vermeld, zodat Van der Pas (ook hierom) niet kon stellen dat de conclusies uit beide beoordelingen eensluidend zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert met eiser dat deze passage niet in het rapport van herbeoordeling is opgenomen. Nu eiser ter zitting echter niet heeft kunnen aangeven welke relevante vragen dit oproept ten aanzien van de bevindingen van de radiologen dan wel wat hiervan de consequenties moeten zijn voor de vraag naar de zorgvuldigheid in de besluitvorming, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Zoals hiervoor is overwogen, is het leeftijdsonderzoek dat heeft plaatsgevonden voldoende zorgvuldig geweest. Verweerder heeft zich dan ook op dat leeftijdsonderzoek mogen baseren en heeft derhalve terecht aangenomen dat eiser meerderjarig was ten tijde van de asielaanvraag. Hieruit volgt dat sprake is van de contra-indicatie dat onjuiste gegevens zijn verstrekt als bedoeld in het hiervoor weergegeven driejarenbeleid, hetgeen verweerder aan eiser mocht tegenwerpen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser meerderjarig was ten tijde van de asielaanvraag en mitsdien dat sprake was van een contra-indicatie, in dit geval op verweerder rust. Ook met inachtneming van dat uitgangspunt heeft verweerder tot de afwijzing van eisers aanspraken op een vergunning in het kader van het driejarenbeleid kunnen komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.6
Vreemdelingenbesluit 2000 3.56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/48036 BEPTDN

V-nr.: 070.202.1454

inzake: [eiser], naar eigen zeggen geboren op [geboortedatum] 1983, toegekende geboortedatum [geboortedatum] 1980, van Chinese nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kristel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 27 januari 2003 heeft verweerder ambtshalve overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv)” en evenmin voor een verblijfsvergunning onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Bij bezwaarschrift van 31 januari 2003 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 maart 2003 heeft eiser de gronden van het bezwaar ingediend. Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 27 oktober 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 8 november 2005. Op 17 november 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 maart 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 3 april 2006 heeft eiser zijn standpunt nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 4 april 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. van der Bos, ambtenaar bij de IND. Tevens was ter zitting aanwezig S. Man als tolk in de Chinese taal (Mandarijn). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Bij brief van 2 mei 2006 heeft eiseres desgevraagd gereageerd op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2006 (AWB 03/47179 en AWB 04/24384). Bij brief van 15 mei 2006 heeft verweerder een reactie daarop ingediend. Vervolgens is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.

4. Het onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer vreemdelingenzaken is hervat op 26 juli 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Man als tolk in de Chinese taal (Mandarijn).

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser heeft op 23 juli 1999 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 2 juli 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 januari 2004 (AWB 01/34411) niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Op 30 juni 2000 heeft een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. In het rapport van het onderzoek naar eisers leeftijd van 17 september 2000 is - onder meer - geconcludeerd dat eiser niet als minderjarig kan worden beschouwd ten tijde van de asielaanvraag. Eiser wordt een leeftijd van 21 jaar of ouder toegekend op 30 juni 2000, de datum van het röntgenologisch onderzoek. Bij terugrekening had eiser ten tijde van de asielaanvraag de leeftijd van 20,06 jaar of ouder. Op de bij dit rapport gevoegde beoordelingsformulieren is bij het onderdeel sleutelbeen aangegeven dat sprake is van volledige uitrijping. Daarbij is opgemerkt dat het mediale uiteinde van de sleutelbeenderen kennelijk volledig is uitgerijpt. Open en/of gedeeltelijk open epifysairlijnen worden niet waargenomen. Epifysairlijnen zijn gesloten of verdwenen. Aan resten van gesloten epifysairlijnen, zichtbaar als dwarse botlijntjes (of delen ervan), is geen aandacht besteed. Een losse of een gedeeltelijk vergroeide epifysaire botkern wordt niet waargenomen. Randfissuren zijn verdwenen of sluitend.

2.2. Blijkens het rapport van herbeoordeling van 12 augustus 2005 wordt de juistheid van de oorspronkelijke beoordelingen door de herbeoordeling onderstreept. De beoordelingen blijven over de hele lijn eensluidend. De conclusies betreffende de leeftijd worden derhalve gehandhaafd, zoals deze verwoord werden in het rapport van 17 september 2000. Op de bij dit rapport gevoegde beoordelingsformulieren is mogelijkheid I, volledige uitrijping, aangekruist. Daarbij is vermeld dat het mediale uiteinde van één van de sleutelbeenderen volledig is uitgerijpt. Hierbij wordt geen open en/of gedeeltelijk open epifysairlijn waargenomen. Voorts is de epifysairlijn gesloten of verdwenen. Aan resten van gesloten epifysairlijnen, zichtbaar als dwarse botlijntjes (of delen ervan), wordt geen aandacht besteed. Randfissuren zijn verdwenen of sluitend.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als amv”. Uit het uitgevoerde leeftijdsonderzoek is gebleken dat eiser ten tijde van de asielaanvraag 19,06 jaar was. Er heeft een herbeoordeling door de radiologen plaatsgevonden van de röntgenfoto’s van eiser. De onderzoeker heeft zijn eerdere conclusies bevestigd. Het onderzoek is derhalve zorgvuldig verlopen en volledig geweest. De conclusies uit het primaire besluit op basis van het leeftijds-onderzoek in 2000 worden gehandhaafd. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 oktober 2000, waarnaar eiser verwijst, bevestigt slechts dat niet valt uit te sluiten dat volledige sleutelbeensluitingen ook voorkomen bij 20-jarigen en in de toekomst wellicht ook bij 19-jarigen blijken voor te komen. Met het woord “wellicht” heeft de rechter slechts de mogelijkheid open gehouden dat in de toekomst volledige sleutelbeensluitingen bij minderjarigen worden aangetroffen en niet vastgesteld dat dit reeds thans het geval is. In het verslag van het leeftijdsonderzoek staat dat - voor zover bekend - nog nimmer sleutelbeensluiting bij 19-jarigen is voorgekomen. Mitsdien is voldoende gemotiveerd waarom niet hoeft te worden afgeweken van het standpunt dat eiser dat tijde van het leeftijdsonderzoek minimaal 20 jaar was. Er is reeds rekening gehouden met foutmarges. Dat het leeftijdsonderzoek geen onfeilbaar instrument is heeft in het onderhavige geval geen gevolgen, nu eiser de conclusies van het leeftijdsonderzoek niet middels bijvoorbeeld originele documenten of een contra-expertise heeft weerlegd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als amv”, reeds nu uit het leeftijdsonderzoek is gebleken dat eiser meerderjarig was ten tijde van de asielaanvraag.

Eiser komt voorts niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het zogeheten driejarenbeleid, aangezien er sprake is van een contra-indicatie als bedoeld in het beleid dat is neergelegd in paragraaf C2/9.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Gelet op de conclusies van het leeftijdsonderzoek dient immers te worden geconcludeerd dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Nu eiser blijft ontkennen dat hij onjuiste gegevens over zijn leeftijd heeft verstrekt, is in casu geen sprake van relevant tijdsverloop. Het verstrekken van onjuiste gegevens over de leeftijd leidt ook tot ernstige twijfel over eisers identiteit, hetgeen eveneens een contra-indicatie is. Eiser kan wel degelijk het ontbreken van documenten ter staving van zijn identiteit worden verweten, nu in het besluit van 2 juli 2001, dat inmiddels in rechte onaantastbaar is, reeds is overwogen dat eiser toerekenbaar ongedocumenteerd is. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb is van het horen van eiser afgezien.

1.2. In het verweerschrift heeft verweerder voorts nog aangevoerd dat verweerder aan de vergewisplicht heeft voldaan, nu het verslag van de radiologen is geparafeerd en gedateerd, en bovendien voorzien van een lettercode zodat de verantwoordelijkheid voor de radiologische bevindingen door verweerder kan worden vastgesteld. Voorts beschikt verweerder over een lijst van namen met radiologen, alsmede over hun werkadressen en telefoonnummers. Het feit dat dhr. [achternaam] niet over radiologische deskundigheid beschikt brengt niet met zich dat het leeftijdsonderzoek onbetrouwbaar is. Dhr. [achternaam] vertaalt de beoordelingen van de radiologen slechts naar een leeftijd. Dit betreft een deskundigheid die fysisch-antropologisch van aard is, waarover dhr. [achternaam] beschikt.

1.3. Verweerder heeft ter zitting op 4 april 2006 verklaard dat hij geen verklaring kan geven voor de verschillen in bewoording tussen de eerste beoordeling en de herbeoordeling.

1.4. Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2006 verwezen naar zijn standpunt in de uitspraak van de meervoudige kamer (MK) van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2006.

1.5. Verweerder heeft ter zitting van 26 juli 2006 aangevoerd dat eiser zijn identiteit of leeftijd niet heeft aangetoond. Verweerder is eiser tegemoetgekomen door een leeftijdsonderzoek te laten verrichten. Het standpunt van verweerder over eisers leeftijd is niet gewijzigd door de herbeoordeling noch door de MK-uitspraak van 22 maart 2006. Eiser heeft geen contra-expertise laten verrichten. De conclusies van het leeftijdsonderzoek en de herbeoordeling zijn door drs. Van der Pas wetenschappelijk onderbouwd. In dit verband verwijst verweerder naar de brief van Van der Pas van 26 januari 2006, die betrekking heeft op de wijziging in het beoordelingsformulier. Als één uitgerijpt sleutelbeen wordt aangetroffen is sprake van meerderjarigheid. Als sprake is van bilaterale asymmetrie is nog altijd geen sprake van minderjarigheid. De reden voor de wijziging van het beoordelingsformulier was dat de radiologen hebben aangegeven dat zij op het beoordelingsformulier meer ruimte willen hebben voor nuancering van de conclusie dat een vreemdeling meerderjarig is in het theoretische geval dat niet beide, maar slechts één sleutelbeen is uitgerijpt. Het huidige beoordelingsformulier is in die zin dus uitgebreider dan het vorige. Nu uit het leeftijdsonderzoek, dat naar verweerders mening zorgvuldig is geweest en dus gebruikt mocht worden, is gebleken dat eiser aantoonbaar onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn leeftijd, is dat voldoende om als contra-indicatie in het kader van het driejarenbeleid tegen te werpen.

2.1. Eiser heeft in beroep het volgende naar voren gebracht.

Uit de verklaringen van de radiologen blijkt niet dat de radiologen die de beoordeling hebben verricht zich tevens hebben uitgelaten over de uitrijping van de mediale uiteinden van de sleutelbeenderen van eiser ten tijde van de indiening van de asielaanvraag. Vorenstaande klemt te meer nu het leeftijdsonderzoek eerst bijna één jaar na indiening van de asielaanvraag heeft plaatsgevonden. De onderzoeker die conclusies heeft getrokken uit de beoordelingsresultaten van het radiologisch onderzoek beschikt niet over de vereiste (radiologische) deskundigheid en is ook niet onderworpen aan toezicht dat wordt uitgeoefend op medici die wel over die deskundigheid beschikken. Deze onderzoeker kan derhalve - bij gebrek aan deskundigheid - niet de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de röntgenfoto’s van de radiologen overnemen. Verweerder heeft niet aan haar vergewisplicht voldaan en het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Gelet op het vorenstaande kan voorts niet worden volgehouden dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Evenmin is sprake van ‘ernstige twijfel’ aan de identiteit van eiser. De verwijtbaarheid van het ontbreken van een identiteitsdocument – Chinezen zouden volgens verweerder vanaf hun 18e jaar immers dienen te beschikken over een identiteitsdocument – kan in het onderhavige geval niet worden volgehouden, omdat het leeftijdsonderzoek dat verweerder aan dit verwijt ten grondslag legt niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft, gelet op het vorenstaande, ten onrechte geoordeeld dat er sprake is van een contra-indicatie als bedoeld in paragraaf C2/9.3, onder b en onder e van de Vc 2000.

Verweerder had eiser moeten horen, nu het bezwaar niet kennelijk ongegrond was.

2.2. Bij brief van 3 april 2006 heeft eiser zich beroepen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 20 november 2003 (20030578/1).

2.3. Ter zitting op 4 april 2006 heeft eiser aangevoerd dat dhr. [achternaam] niet de conclusie had mogen trekken dat de beoordelingen van het leeftijdsonderzoek en de herbeoordeling eensluidend zijn. Blijkens het onderzoek op 30 juni 2000 zou het mediale uiteinde van de sleutelbeenderen kennelijk volledig uitgerijpt zijn, terwijl dit blijkens de herbeoordeling voor één van de sleutelbeenderen zou gelden. Dit zou kunnen betekenen dat één sleutelbeen nog niet volledig is uitgerijpt. De radiologen hebben zich niet uitgelaten over het mediale uiteinde ten tijde van de asielaanvraag. Voorts is er sprake van een discrepantie op het punt van de epifysairlijnen: gaat het om één of om meerdere epifysairlijnen? Tot slot staat in het verslag van 30 juni 2000 dat een losse of gedeeltelijk vergroeide epifysaire botkern niet wordt waargenomen, terwijl het verslag van de herbeoordeling daar niets over zegt.

2.4. Bij brief van 2 mei 2006 heeft eiser in reactie op de MK-uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2006 het volgende aangevoerd. Het meest recente onderzoek (herbeoordeling) omvat niet de resultaten van het onderzoek naar beide uiteinden van de sleutelbeenderen en voldoet daarmee dus niet aan de zorgvuldigheidswaarborg als weergegeven in rechtsoverweging IV.4.16 van de MK-uitspraak. Voorts gaat de MK-uitspraak niet in op de overige gesignaleerde discrepanties tussen beide onderzoeken, namelijk de kwestie van de epifysairlijn en de kwestie van de losse of gedeeltelijk volgroeide epifysaire botkern.

2.5. Ter zitting op 26 juli 2006 heeft eiser aangevoerd dat indien men op een IND-foto geen groeischijf kan waarnemen dit niet automatisch mag leiden tot de conclusie dat die groeischijven er niet zijn. Het nieuwe criterium is minder betrouwbaar dan het oude. Voorts gaat het terugrekenen van het moment van het leeftijdsonderzoek tot het moment van de asielaanvraag uit van de veronderstelling dat de groei zich net zo geleidelijk voltrekt als het verstrijken van de dagen in een jaar. Deze veronderstelling is door verweerder niet onderbouwd. Eiser verkeert in bewijsnood, hij kan zijn leeftijd en identiteit niet aantonen. Dat verweerder eiser in zijn bewijslast tegemoetkomt mag geen vrijbrief zijn voor een onzorgvuldig onderzoek. Eiser noch zijn gemachtigde heeft contact opgenomen met een radioloog over de (deugdelijkheid van de) herbeoordeling van het leeftijdsonderzoek. Een contra-expertise was echter ook niet noodzakelijk, nu verweerder zijn besluitvorming in het kader van de amv-procedure en de procedure inzake het driejarenbeleid heeft gebaseerd op het leeftijdsonderzoek, waar naar de mening van eiser gebreken aan kleven.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, is de Minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, aanhef en onder e, van de Vw 2000, kan blijkens het eerste lid van artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 onder een beperking, verband houdend met verblijf als amv, worden verleend aan de amv:

a. wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Vw 2000;

b. die zich naar het oordeel van Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en

c. voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

4. Het door verweerder terzake gevoerde beleid is uitgewerkt in hoofdstuk C2/7 van de Vc 2000.

5. Partijen zijn – in het kader van eisers amv-procedure – verdeeld over de vraag of eiser ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was. Verweerder heeft aan zijn conclusie dat dit niet het geval is het rapport van leeftijdsonderzoek van 17 september 2000 en het rapport van herbeoordeling daarvan van 12 augustus 2005 ten grondslag gelegd. Niet in geschil is dat het beoordelingsformulier ten behoeve van het leeftijdsonderzoek per 1 januari 2005 is gewijzigd. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft betwist dat tot meerderjarigheid moet worden geconcludeerd indien sprake is van één volledig uitgerijpt sleutelbeen. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich thans toespitst op de vraag of, gelet op de wijziging in het beoordelingsformulier, verweerder het rapport van de herbeoordeling van het leeftijdsonderzoek van 12 augustus 2005 aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen.

6. De rechtbank stelt voorop dat in de jurisprudentie tot nu toe, zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 23 oktober 2003 (JV 2003, 512), steeds bij de radiologische beoordeling en het naar aanleiding van die beoordeling opgestelde verslag als algemeen uitgangspunt is genomen dat, indien de mediale uiteinden van de sleutelbeenderen zijn uitgerijpt, wordt aangenomen dat de vreemdeling ten minste 20 jaar oud is. De rechtbank stelt vast dat de radiologische beoordeling en het daarop gebaseerde verslag van 21 april 2005 die ten grondslag liggen aan het onderhavige besluit, een andere maatstaf voor de beoordeling aanleggen, nu hierbij als uitgangspunt is genomen dat indien het mediale uiteinde van één van de sleutelbeenderen is uitgerijpt, wordt aangenomen dat de vreemdeling ten minste 20 jaar oud is.

7. De rechtbank overweegt dat deze nieuwe maatstaf in theorie minder betrouwbaar is dan de maatstaf die voorheen bij het leeftijdsonderzoek werd gebruikt. Immers, in de jurisprudentie is tot nu toe aangenomen dat er bij het nemen van röntgenfoto’s van sleutelbeenderen ten behoeve van het leeftijdsonderzoek een kans bestaat dat door het nemen van een foto vanuit een verkeerde invalshoek de groeischijf, ondanks de aanwezigheid ervan, niet is te zien. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2006 (AWB 03/47179) volgt dat onbekend is hoe groot deze foutmarge precies is, doch dat deze zeer klein is. De rechtbank overweegt dat door voortaan nog enkel röntgenfoto’s van één in plaats van twee sleutelbeenderen te beoordelen, de kans dat een waarnemingsfout, bijvoorbeeld als die hiervoor geschetst, wordt gemaakt, toeneemt. Hoeveel minder betrouwbaar de nieuwe maatstaf precies is, is in deze procedure evenwel niet vast te stellen, nu eiser geen concrete argumenten heeft aangevoerd die betrekking hebben op de (omvang van de) kans op een waarnemingsfout. Nu de kans op een waarnemingsfout, zoals blijkt uit het voorgaande, vooralsnog theoretisch is, en eiser daarover in de onderhavige procedure niets concreets heeft aangevoerd, terwijl eiser evenmin heeft betwist dat tot meerderjarigheid moet worden geconcludeerd indien sprake is van één volledig uitgerijpt sleutelbeen, is de rechtbank in de voorliggende zaak evenwel van oordeel dat niet gebleken is dat door het hanteren van de nieuwe maatstaf de foutmarge zo groot is dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.

8. Eisers stelling dat drs. [achternaam] de vereiste radiologische deskundigheid mist, zodat (ook) op die grond het leeftijdsonderzoek onzorgvuldig is geweest, kan niet slagen. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 3 maart 2004 (LJN: AO4935), dat eiser hiermee miskent dat de röntgenfoto’s door [achternaam] zijn gemaakt noch beoordeeld, zodat het enkele ontbreken van radiologische deskundigheid bij deze onderzoeker niet met zich brengt dat het leeftijdsonderzoek onbetrouwbaar is. Dat het beoordelingsformulier inmiddels gewijzigd is, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

9. Eisers stelling dat de radiologen ten onrechte geen acht hebben geslagen op het feit dat het leeftijdsonderzoek een jaar na eisers asielaanvraag heeft plaatsgevonden, kan hem evenmin baten. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat uit de jurisprudentie van de AbRS volgt dat verweerders standpunt dat indien uit een leeftijdsonderzoek blijkt dat sprake is van volledige uitrijping van de sleutelbeenderen, de vreemdeling 20 jaar of ouder moet zijn, is gesanctioneerd. Nu uit het leeftijdsonderzoek volgt dat eiser op dat moment 20 jaar of ouder was, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat hij ten tijde van zijn asielaanvraag, elf maanden daarvoor, op zijn minst 19 jaar en een maand oud was, zodat hij meerderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. Dat de botgroei niet geleidelijk maar mogelijk schoksgewijs plaats kan vinden is door eiser in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank daarin geen aanleiding ziet anders dan hiervoor te oordelen.

10. Met betrekking tot eisers stelling dat in het nieuwe beoordelingsformulier niet is opgenomen dat een losse of gedeeltelijk vergroeide epifysaire botkern niet wordt waargenomen, terwijl dat in het rapport van de eerste beoordeling wel stond vermeld, zodat [achternaam] (ook hierom) niet kon stellen dat de conclusies uit beide beoordelingen eensluidend zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert met eiser dat deze passage niet in het rapport van herbeoordeling is opgenomen. Nu eiser ter zitting echter niet heeft kunnen aangeven welke relevante vragen dit oproept ten aanzien van de bevindingen van de radiologen dan wel wat hiervan de consequenties moeten zijn voor de vraag naar de zorgvuldigheid van de besluitvorming, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich voor zijn oordeel dat eiser ten tijde van de asielaanvraag meerderjarig was heeft mogen baseren op het leeftijdsonderzoek. Verweerder heeft derhalve op goede gronden een verblijfsvergunning op grond van het amv-beleid aan eiser onthouden.

12. Ten aanzien van hetgeen partijen hebben aangevoerd in het kader van het handhaven van de weigering een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid te verlenen, overweegt de rechtbank het volgende.

13. In artikel 3.6, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, ambtshalve kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. In hoofdstuk C2/9 van de Vc 2000 is dit beleid nader uitgewerkt.

14. In hoofdstuk C2/9.3 van de Vc 2000 zijn de contra-indicaties neergelegd op grond waarvan een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid aan een vreemdeling kan worden onthouden.

Er gelden de volgende contra-indicaties:

a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid;

b. er zijn onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl de achtergehouden gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid;

c. de vreemdeling heeft zich zonder geldige reden onttrokken aan het toezicht;

d. de vreemdeling voert (deels) gelijktijdig met de procedure in Nederland een procedure in een ander land;

e. er bestaan ernstige twijfels over de identiteit van de vreemdeling;

f. het door eigen toedoen langdurig procederen.

15. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder eiser mocht tegenwerpen dat zich een contra-indicatie voordoet, omdat uit het leeftijdsonderzoek is gebleken dat eiser meerderjarig is en hij dus onjuiste gegevens heeft verstrekt.

16. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zoals hiervoor is overwogen, is het leeftijdsonderzoek dat heeft plaatsgevonden voldoende zorgvuldig geweest. Verweerder heeft zich dan ook op dat leeftijdsonderzoek mogen baseren en heeft derhalve terecht aangenomen dat eiser meerderjarig was ten tijde van de asielaanvraag. Hieruit volgt dat sprake is van de contra-indicatie dat onjuiste gegevens zijn verstrekt als bedoeld in het hiervoor weergegeven driejarenbeleid, hetgeen verweerder aan eiser mocht tegenwerpen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser meerderjarig was ten tijde van de asielaanvraag en mitsdien dat sprake was van een contra-indicatie, in dit geval op verweerder rust. Ook met inachtneming van dat uitgangspunt heeft verweerder tot de afwijzing van eisers aanspraken op een vergunning in het kader van het driejarenbeleid kunnen komen.

17. Gezien het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het beroep van eiser op schending van de hoorplicht met verweerder van oordeel dat uit het bezwaarschrift reeds aanstonds bleek dat de bezwaren ongegrond waren, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie. Verweerder heeft derhalve op goede gronden op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiser.

18. De conclusie is dan ook dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

19. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

20. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2007 door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en

mrs. O.L.H.W.I. Korte en H.F. Fehmers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Huys, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: AH/PK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.