Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/43371 & 05/43375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BMA-advies / medische noodsituatie

Eiseres is vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 omdat zij niet in staat te reizen. Tevens heeft zij meerdere jaren achtereen uitstel van vertrek verkregen vanwege haar gezondheidstoestand op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Haar echtgenoot (eiser) heeft op grond hiervan eveneens uitstel van vertrek verkregen. Verweerder heeft zich op basis van het BMA-advies op het standpunt kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiseres (3.46 Vb 2000). Beroep in zoverre ongegrond.

Het beroep van eiseres gericht tegen de onthouding van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' (artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000) acht de rechtbank gegrond. Gelet op de formulering van de gestelde voorwaarde onder b van paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000 en de (in de uitspraak) genoemde omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van laatstgenoemde verblijfsvergunning. Het bestreden besluit wordt vernietigd op dit punt.

Nu niet valt uit te sluiten dat een nieuw besluit ten aanzien van eiseres tevens gevolgen voor eiser met zich mee brengt gelet op het feit dat hij een van eiseres afhankelijke verblijfsvergunning heeft aangevraagd, verklaart de rechtbank het beroep van eiser eveneens gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenwet 2000 64
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 05/43371 & 05/43375

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] (eiser 1) & [eiseres] (eiseres) en hun minderjarige zoon [eiser 2],

tezamen eisers,

gemachtigde: mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, thans de Minister van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. C.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluiten van 12 mei 2004 afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘het ondergaan van medische behandeling’, respectievelijk afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote gedurende diens medische behandeling’.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij faxbericht van 28 mei 2004 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluiten van 2 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij faxbericht van 26 september 2005 beroep ingesteld.

De zaken zijn op 18 december 2006 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen F. Morina, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is verweerder bevoegd de aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen, dan wel niet in behandeling te nemen.

Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Krachtens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 juncto artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Krachtens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

In artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de Minister het eerste lid van dit artikel buiten toepassing kan laten voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.4 van het Vb 2000 luidt – voorzover van belang – als volgt:

1. De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:

(…)

r. het ondergaan van medische behandeling;

(…)

3. Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.

In artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling kan worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

Verweerders beleid met betrekking tot artikel 3.46 van het Vb 2000 is neergelegd in paragraaf B8/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Daarin is onder meer bepaald dat op grond van artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:

a. Nederland dient naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land te zijn voor de medische behandeling;

b. het dient te gaan om een noodzakelijke medische behandeling; en

c. de financiering van de medische behandeling dient deugdelijk geregeld te zijn.

Volgens paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000 kan verweerder, in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 verlenen. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met deze uitzonderingsbepaling dient betrokkene zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van de situatie dat:

a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan, en

b. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen, en

c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

2.2. Verweerder heeft in de bestreden besluiten het standpunt gehandhaafd dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen. Eiser is niet in het bezit van een mvv en komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het vereiste daartoe. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.46 van het Vb 2000, omdat Nederland naar zijn oordeel niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de noodzakelijke medische behandeling. Evenmin komt eiseres volgens verweerder in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning ‘verblijf wegens medische noodsituatie’. Verweerder acht het door eiseres aangevoerde voorts niet zodanig schrijnend dat zij in afwijking van zijn beleid in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft vanwege de gezondheidstoestand van eiseres uitstel van vertrek aan eisers verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

2.3. Eiseres meent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en stelt dat haar ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ danwel ‘medische noodsituatie’ is verleend. Eiseres stelt dat, gelet op de duur ervan, het uitstel van vertrek zijn grens heeft bereikt en haar inmiddels een verblijfsvergunning diende te worden verleend. Nu eiseres is vrijgesteld van het mvv-vereiste dienden eiser en hun zoon eveneens vrijgesteld te worden op grond van de hardheidsclausule. Tenslotte hebben eisers gesteld dat verweerder hun lange verblijf in Nederland, de ziekte van eiseres en de in Nederland geboren kinderen diende aan te merken als schrijnende omstandigheden.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

2.4.1. Het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen de afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning op grond van artikel 3.46 van het Vb 2000, betreft met name de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiseres. Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de BMA nota van 20 juli 2005, waarin is geconcludeerd dat behandeling van eiseres mogelijk is in Servië, Montenegro en Kosovo, onder andere nu daar de benodigde medicatie voorhanden is. Een advies van het BMA is, aldus verweerder, volgens vaste jurisprudentie (onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 2 november 2005, JV 2005/473) een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag in beginsel van zulk een advies uitgaan.

2.4.2. De rechtbank volgt verweerders in 2.4.1. weergegeven standpunt. Eiseres heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waardoor getwijfeld behoort te worden aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de concludentie van dit advies. In het advies is verwezen naar behandelmogelijkheden in Servië, Montenegro en Kosovo. Uit het UNMIK-rapport komt niet naar voren, zoals eiseres lijkt te stellen, dat in Kosovo behandeling van een post traumatische stress stoornis (PTSS), als waaraan eiseres lijdt, niet beschikbaar is. Dat de kwaliteitsstandaard van de behandeling wellicht hoger is in Nederland is geen reden op grond waarvan verweerder verblijf dient toe te staan. Voorts behoort de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst, die eiseres ter diskussie stelt, niet tot de criteria van artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000. Tevens heeft verweerder kunnen stellen dat de oorzaak van PTSS, eiseres stelt dat zij vanwege aldaar ervaren trauma's niet kan worden behandeld in Kosovo, uit medisch oogpunt niet van belang is om te bepalen of er medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarde gesteld onder B8/2.1 onder a, van de Vc 2000.

2.4.3. Nu in verweerders beleid sprake is van cumulatieve voorwaarden bestaat geen aanleiding meer om het geschilpunt met betrekking tot het vereiste van een deugdelijke financiering van de medische behandeling (voorwaarde b) te bespreken. Verweerder stelt terecht dat aan eiseres geen verblijfsvergunning met als doel ‘het ondergaan van medische behandeling’ toekomt. Eisers beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.4.4. Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 in verband met verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ overweegt de rechtbank dat verweerder heeft geweigerd eiseres in het bezit te stellen van voornoemde verblijfsvergunning, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde genoemd onder b van zijn beleid als neergelegd in paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000. Verweerder verwijst hiertoe naar het BMA-advies van 6 april 2004 dat behandeling van PTSS, de depressieve stoornis en de epilepsie in Kosovo mogelijk acht, zodat bij terugkeer naar haar land van herkomst voor eiseres geen medische noodsituatie zal ontstaan. Het feit dat eiseres eerst kan reizen nadat zij een half jaar aanvalsvrij is doet hieraan niet af.

2.4.5. De rechtbank volgt verweerders in 2.4.4. weergegeven standpunt niet. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat haar sinds 12 mei 2004, inmiddels ruim twee jaar, uitstel van vertrek is verleend. In het meest recente BMA-advies (20 juli 2005) is aangegeven dat de behandeling van epilepsie van blijvende aard is en dat eiseres niet kan reizen omdat nog epileptische aanvallen optreden die tijdens reizen tot een medische noodsituatie zouden kunnen leiden. Eiseres heeft bovendien onweersproken gesteld dat zij nog steeds niet aanvalsvrij is en dat de door het BMA aanbevolen herbeoordeling tot nog toe evenmin heeft plaatsgevonden. Voorts is niet in diskussie dat eiseres van het mvv-vereiste is vrijgesteld omdat het voor haar niet verantwoord is om te reizen, hetgeen zonder nadere motivering in tegenspraak is met de conclusie dat in haar geval geen medische noodsituatie bestaat. Die omstandigheid wordt conform verweerders beleid immers ook aangenomen als vaststaat dat betrokkene niet in staat is naar het land van herkomst te reizen. De rechtbank acht, gelet op de formulering van de gestelde voorwaarde en voornoemde omstandigheden, dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. Gelet hierop is het beroep, nu zich dat mede richt tegen verweerders weigering eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op de grond genoemd in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te kennen, gegrond wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

2.4.6. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bespreking van de overige beroepsgronden, met name hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de schrijnendheid van de situatie en de toekomstige pardonregeling, hier achterwege kan blijven. Nu niet valt uit te sluiten dat een nieuw besluit ten aanzien van eiseres tevens gevolgen voor eiser met zich mee brengt gelet op het feit dat hij een van eiseres afhankelijke verblijfsvergunning heeft aangevraagd, verklaart de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 2 september 2005 eveneens gegrond.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van deze beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten zijn op grond van het het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit moeten worden beschouwd. De rechtbank is niet gebleken dat eisers nog andere kosten hebben moeten maken die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen de niet verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het ondergaan van medische behandeling, ongegrond;

- verklaart het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen de niet verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens medische noodsituatie, gegrond en vernietigt in zoverre het bestreden besluit;

- verklaart het beroep van eiser gegrond;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,- vergoedt;

- wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie voor Justitie) aan als de rechtspersoon die voormelde kosten aan eisers moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.