Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8693

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/27258
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 9.10 Vb / vvtv-beleid / duur vergunning tot verblijf op basis van beschermingsbeleid

Nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 3 februari 2001 in aanmerking kwam voor verlenging van zijn verblijfsvergunning op basis van het toentertijd gevoerde vvtv-beleid, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag wat de geldigheidsduur van die vergunning had moeten zijn. Daarbij is van belang dat het destijds gevoerde vvtv-beleid op 24 september 2001 is afgeschaft.

Verweerder was weliswaar op grond van artikel 9.10 van het Vb in afwijking van artikel 3.105 van het Vb bevoegd een vergunning te verlenen voor acht maanden, maar verweerder was daartoe niet gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt een afzonderlijke belangenafweging, die in het bestreden besluit niet is gemaakt. Verder was verlening van een vergunning voor een kortere periode dan één jaar niet overeenkomstig het beleid dat gold voor vergunningen als de onderhavige. Deze werden doorgaans voor één jaar verleend. Ook uit de toelichting op artikel 9.10 van het Vb blijkt dat deze bepaling in beginsel slaat op vergunningverlening per jaar dan wel per twee jaar.

Voorts was verweerder na afschaffing van het vvtv-beleid bevoegd tot intrekking van de op dat beleid gebaseerde vergunning, maar verweerder is daartoe niet gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt eveneens een afzonderlijke belangenafweging, die bij het nemen van het thans bestreden besluit niet is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/27258

V.nr.: 161.100.6728

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1979, van Somalische nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.E. Vos, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. van den Bos, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 januari 2001 heeft eiser verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Bij besluit van 15 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hierbij heeft verweerder de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vw 2000.

Bij beroepschrift van 11 februari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 19 maart 2002. Bij uitspraak van 3 mei 2005 (AWB 02/12135) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag gegrond verklaard.

Op 20 oktober 2005 heeft eiser beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Bij uitspraak van 15 november 2005 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 05/47152), het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Op 12 december 2005 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 31 januari 2006 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 05/56016), het beroep gegrond verklaard en heeft verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak een besluit te nemen.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag van 19 januari 2001 ingewilligd en heeft eiser een verblijfsvergunning asiel verleend voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, met ingang van 30 juni 2005, geldig tot 30 juni 2008.

2. Bij beroepschrift van 5 juni 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij schrijven van 3 juli 2006. Op 24 juli 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 12 oktober 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser kan zich niet verenigen met de aard en de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden als volgt.

a. Eiser had met ingang van 3 februari 2001 in het bezit moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning.

Eiser doet in dit verband een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 3 mei 2005 (AWB 02/12135) en stelt dat er geen ruimte is voor toepassing van de in paragraaf C6/29.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) genoemde uitzondering op de regel, dat een verblijfsvergunning asiel wordt verleend met ingang van de datum waarop aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000). Volgens eiser laat genoemde uitspraak van de rechtbank geen ruimte over voor twijfel op dit punt. Bovendien dateert de laatstgenoemde beleidsregel waarop de bedoelde uitzondering is gebaseerd, van een latere datum dan de ingangsdatum van de gevraagde verblijfsvergunning en is die regel in strijd met de wettekst.

b. Eiser had met ingang van 3 februari 2002 in het bezit moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Eiser voert daartoe aan dat uit artikel 9.10 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan worden afgeleid dat toewijzing van de verlengingsaanvraag per 3 februari 2001 meebrengt dat aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning voor een periode van een jaar, zodat eiser op 3 februari 2002 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor de duur van drie jaar zou zijn geweest en onder het toen geldende recht op dat moment in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Dat eiser die vergunning niet heeft aangevraagd is uitsluitend het gevolg van het feit dat er pas na meer dan drie jaar een uitspraak in beroep is gedaan. Omdat eiser in de positie moet worden gebracht alsof de aanvraag om verlenging per 3 februari destijds zou zijn ingewilligd, komt hem, op grond van artikel 33 van de Vw 2000, met ingang van die datum een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd toe.

2.Verweerder heeft in het verweerschrift van 12 oktober 2006 aangegeven dat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het categoriaal beschermingsbeleid dat thans gevoerd wordt ten aanzien van Somalië, toen hij op 30 juni 2005 aan alle voorwaarden voor het toekennen van een asielvergunning voor bepaalde tijd ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 voldeed.

Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 Vw 2000. Het voormalige beleid van partiële categoriale bescherming voor Somalische asielzoekers is op 24 september 2001 beëindigd, zodat eiser op grond daarvan slechts gedurende acht maanden in het bezit zou zijn geweest van een vvtv en zodoende nimmer een tijdsverloop van drie jaar had kunnen opbouwen.

III. OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem van 3 mei 2005 (AWB 02/12135) heeft de rechtbank de eerdere afwijzing van de aanvraag van eiser om verlenging van de vergunning vernietigd omdat deze afwijzing naar diens oordeel ten onrechte was gebaseerd op artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van de uitspraak. Verweerder zal daarbij, aldus de rechtbank, dienen te beoordelen of eiser ingaande 3 februari 2001 in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel.

2. Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling aan heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

3. Ingevolge artikel 3.105 van het Vb 2000, zoals deze luidde tot 31 augustus 2004, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de wet, verleend voor drie jaar, tenzij bij dit besluit gevallen zijn aangewezen waarin de verblijfsvergunning wordt verleend voor minder dan drie achtereenvolgende jaren.

4. Ingevolge artikel 9.10 van het Vb 2000 kan, indien de vreemdeling wegens afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die hem is verleend na omzetting van rechtswege van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf op grond van artikel 115 van de Wet, een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet indient, deze verblijfsvergunning worden verleend voor minder dan drie achtereenvolgende jaren.

5. In de Nota van Toelichting bij voornoemde bepaling van het Vb 2000 is aangegeven dat artikel 9.10 van het Vb 2000 een uitzondering maakt op artikel 3.105 van het Vb 2000. De reden daarvoor is dat het niet logisch zou zijn om een vreemdeling die al een jaar in het bezit was van een vvtv na afloop van de geldigheidsduur ervan, onder de nieuwe wet in het bezit te stellen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met een geldigheidsduur van drie jaren. In dit voorbeeld zou de verblijfsvergunning dan voor twee jaar verleend kunnen worden, aldus de Nota van Toelichting.

6. In paragraaf C6/29 van de Vc 2000 heeft verweerder meegedeeld dat de voornoemde hoofdregel van artikel 44, tweede lid, van de Vw één uitzondering kent: Indien de verblijfsvergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, en de asielaanvraag is ingediend vóór de beleidswijziging waarbij is besloten categoriale bescherming te bieden aan de categorie vreemdelingen waartoe de betrokken vreemdeling behoort, dan geldt als ingangsdatum de dag waarop de beleidswijziging van kracht werd.

Met betrekking tot artikel 3.105 van het Vb 2000 wordt in paragraaf C6/29 meegedeeld dat voor aanvragen voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke zijn ingediend vóór 1 september 2004, op grond van artikel 3.103 van het Vb, het oude recht geldt, volgens hetwelk de verblijfsvergunning wordt verleend voor drie jaren. In die gevallen dient, waar vijf jaren staat, steeds drie jaren te worden gelezen.

7. De rechtbank overweegt met betrekking tot de eerste beroepsgrond, inhoudende dat eiser met ingang van 3 februari 2001 in het bezit had moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning, als volgt.

Aan eiser is met ingang van 3 februari 1999 een vvtv verleend, waarvan de geldigheidsduur is verlengd tot 3 februari 2001. Deze vvtv dient thans als een vergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 te worden aangemerkt. Deze vergunning is verleend op basis van het voormalige vvtv-beleid dat verweerder ten aanzien van Somalië heeft gevoerd. Dit beleid is beëindigd op 24 september 2001. Met ingang van 30 juni 2005 is verweerder opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid gaan voeren ten aanzien van Somalië.

Uit het voorgaande blijkt dat eiser op het moment van het aflopen van zijn eerdere vergunning op 3 februari 2001 aan de voorwaarden voldeed, nu op dat moment ook een beschermingsbeleid van kracht was. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 had hem derhalve vanaf die datum een vergunning moeten worden verleend.

8. De rechtbank overweegt met betrekking tot de tweede beroepsgrond, inhoudende dat eiser met ingang van 3 februari 2002 in het bezit had moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als volgt.

Uit het verweerschrift en de toelichting van verweerder ter zitting begrijpt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning voor onbepaalde tijd omdat, als bij het bestreden besluit een vergunning was verleend met ingang van 3 februari 2001, deze vergunning zou zijn verleend tot uiterlijk 24 september 2001, omdat eiser op dat moment niet meer voldeed aan de voorwaarden.

De rechtbank stelt te dien aanzien vast dat verweerder weliswaar op grond van hetgeen is bepaald in artikel 9.10 van het Vb bevoegd is een vergunning te verlenen voor de door verweerder genoemde periode, doch dat verweerder daartoe niet is gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt een afzonderlijke belangenafweging, die bij het nemen van het thans bestreden besluit niet is gemaakt. Daarbij is van belang dat verlening van een vergunning voor een kortere periode dan één jaar niet overeenkomstig het beleid was dat gold voor vergunningen als de onderhavige. Deze werden, zoals door eiser is gesteld en door verweerder niet is bestreden, doorgaans voor één jaar verleend. Ook uit de hiervoor aangehaalde toelichting op artikel 9.10 van het Vb blijkt dat deze bepaling in beginsel slaat op vergunningverlening per jaar dan wel per twee jaar.

Voor zover verweerder heeft bedoeld dat de vergunning zou zijn ingetrokken per 24 september 2001 omdat op dat moment de grond voor verlening is komen te vervallen, overweegt de rechtbank dat verweerder daartoe op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bevoegd is, doch niet gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt eveneens een afzonderlijke belangenafweging, die bij het nemen van het thans bestreden besluit niet is gemaakt.

Nu voornoemde afwegingen nog door verweerder moeten worden gemaakt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de beroepsgrond van eiser dat hem een vergunning voor onbepaalde tijd had moeten worden verleend.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit, voor wat betreft de zinsnede “met ingang van 30 juni 2005, geldig tot 30 juni 2008” dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 44, tweede lid, van de Vw. Aangezien verweerder zich nog zal moeten beraden over de termijn waarvoor vergunning wordt verleend, zal de rechtbank verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak ten aanzien van het vernietigde deel van het besluit, een nieuw besluit te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Deze uitspraak is gedaan op 1 februari 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen - van der Hoek, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EW

Coll:

B:

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.