Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8688

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
Awb 06/13078
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / verstandelijke handicap / 8 EVRM

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan eiser geen vrijstelling van het mvv-vereiste dient te worden verleend. Het mvv-vereiste is aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat van eiser niet kan worden verwacht dat hij zelfstandig terugkeert naar zijn land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. De rechtbank is van oordeel dat van derden niet kan worden gevergd om met eiser naar zijn land van herkomst te reizen. De rechtbank wijst in dit verband op de bijzondere omstandigheid dat eisers broer een sollicitatieplicht heeft. Niet betwist is dat er voor eiser thans geen opvang in het land van herkomst aanwezig is. Voorts heeft verweerder niet betwist dat het voor de vrouw van eisers broer, gelet op de omstandigheden in het land van herkomst en de culturele en religieuze achtergrond, uitermate moeilijk zal zijn om voor haar zwager in het land van herkomst opvang te regelen. Daarnaast is door verweerder niet betwist dat het uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn om vanuit Nederland opvang voor eiser te regelen in zijn land van herkomst. Bovendien merkt de rechtbank op dat, zoals ter zitting door verweerder ook is gesteld, er niet veel zaken zijn waarin verstandelijk gehandicapten een verblijfsvergunning bij een in Nederland verblijvend familielid aanvragen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiser met zijn verstandelijke handicap niet verschilt van andere vreemdelingen met een verstandelijke handicap, geen doel treft. Dat eisers broer eiser vanuit Servië-Montenegro naar Nederland heeft gebracht en dat deze daarom ook weer met hem zou kunnen reizen naar zijn land van herkomst, volgt de rechtbank niet, temeer niet omdat het niet alleen gaat om het reizen, maar ook om verblijf gedurende de aanvraagprocedure. Het alternatief, verblijf in een inrichting, is naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet te verwachten. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk verblijf niet geregeld zal kunnen worden, gelet op de beperkte capaciteit en de grote vraag. Van eiser moet in dat geval niet worden verwacht dat hij daadwerkelijk heeft getracht een plaats te bewerkstelligen.

Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat er in casu sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Eiser verwijst daartoe naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit blijkt dat er ook sprake kan zijn van toepassing van voornoemd artikel als door een procedureregel het belang van de procedure wordt aangetast. Daarnaast heeft eiser verwezen naar een aantal uitspraken van nevenzittingsplaatsen van deze rechtbank, waaruit kan worden afgeleid dat het achterwege laten van een toetsing aan artikel 8 EVRM in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule met betrekking tot het mvv-vereiste mogelijk in strijd is met voornoemde Verdragsbepaling. Eiser stelt dat in het onderhavige geval sprake is van gezinsleven dat is ontstaan als gevolg van een onhoudbare situatie van eiser in het land van herkomst na het overlijden van zijn ouders.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit verwezen naar de jurisprudentie van de ABRS. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat uit de zinsnede: ‘Alles in ogenschouw genomen, is niet gebleken dat internationale verplichtingen tot inwilliging van de aanvraag nopen ...’ uit het besluit op eisers aanvraag, kan worden afgeleid dat verweerder het beroep op voornoemd artikel heeft getoetst aan de jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank is evenwel van oordeel dat hetgeen verweerder hieromtrent heeft overwogen te beperkt is om te komen tot het oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 06/13078 BEPTDN/BE

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser],

geboren op [gebpprtedatum] 1971,

nationaliteit: burger van de Unie van Servië en Montenegro,

IND dossiernummer 0403.02.0475,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Hofstede, advocaat te Almelo;

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE

voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.M. Pascha, ambtenaar ten departemente.

1. Procesverloop

Op 15 april 2004 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij [naam]’ ingediend. Bij besluit van 8 april 2005, verzonden op 11 april 2005, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 28 april 2005 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 14 februari 2006 ongegrond verklaard. Bij brief van 14 maart 2006, aangevuld bij brief van 14 april 2006, is daartegen beroep ingesteld. Op 29 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 6 februari 2007 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was eisers broer, [naam broer], ter zitting aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Toetsingskader

In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Standpunten

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij het standpunt ingenomen dat niet gesteld kan worden dat vreemdelingen met een verstandelijke handicap in het algemeen dienen te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verweerder is van mening dat eiser, voor wat betreft zijn verstandelijke handicap, niet verschilt van andere vreemdelingen met een verstandelijke handicap en er derhalve geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Gelet op het vorenstaande meent verweerder dat er in casu geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Verweerder heeft daartoe redengevend geacht dat niet vast is komen te staan dat eisers broer of schoonzus niet met eiser naar het land van herkomst kan reizen en aldaar korte tijd met hem kan blijven om opvang te regelen en namens eiser een mvv-aanvraag in te dienen. Met betrekking tot het door eiser overgelegde rapport inzake de gezondheidszorg, stelt verweerder dat niet op voorhand uit een dergelijk rapport de conclusie kan worden getrokken dat ook in het geval van eiser sprake zal zijn van een onhoudbare situatie. Door eiser is geen enkele poging ondernomen om in het land van herkomst een instelling te vinden waar hij gedurende de mvv-procedure kan worden opgenomen. In dit verband meent verweerder dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat een dergelijke instelling niet aanwezig is dan wel voor hem ongeschikt zou zijn. Gelet op het vorenstaande stelt verweerder zich op het standpunt dat er in casu geen sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000, dient te worden verleend.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft verweerder gesteld dat er geen sprake is van schending van voornoemd artikel, nu niet vaststaat dat van adequate opvang van eiser geen sprake kan zijn. In dit verband heeft eiser betoogd dat hij afkomstig is uit de Sandzjak-regio, behoort tot de moslimbevolking en derhalve geen toegang zal krijgen tot voorzieningen. Verweerder meent dienaangaande dat laatstgenoemde stelling in dusdanig algemene bewoordingen is gesteld dat daaraan in het kader van een toetsing van artikel 3 EVRM geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM, stelt verweerder zich op het standpunt dat het mvv-vereiste volgens vaste jurisprudentie niet in strijd is met een eventuele uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting, aangezien de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel van tijdelijke aard is.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend. De feiten dat eiser verstandelijk gehandicapt is, geen familieleden meer heeft in Servië-Montenegro, die tijdelijk voor hem zouden kunnen zorgen en hij reeds langere tijd in Nederland verblijft bij zijn enige broer en diens gezin, leiden naar eisers mening tot de conclusie dat er sprake is van dusdanig bijzondere feiten en omstandigheden dat er aanleiding bestaat om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen.

Uit de persoonlijke situatie van eisers en zijn gezinsleden blijkt dat het voor hen niet mogelijk is om terug te keren naar Servië-Montenegro. Eiser wijst er in dit verband op dat zijn broer is getrouwd en vader is van drie zeer jonge kinderen die zijn aangewezen op de zorg van hun moeder. Vanwege een sollicitatieverplichting kan zijn broer Nederland niet verlaten en vanuit sociaal en cultureel oogpunt is het niet mogelijk dat diens vrouw eiser begeleidt.

Bovendien stelt eiser dat uit een door hem overgelegd rapport blijkt dat de gezondheidszorg in Servië-Montenegro in een zeer zorgwekkende situatie verkeert. Gelet op de inhoud van voornoemd rapport stelt eiser dat het voor hem niet op korte termijn een geschikte plaats in een instelling voorhanden zal zijn. Dit zal financieel gezien niet haalbaar zijn voor eiser en zijn referent. Gelet op het vorenstaande is eiser van mening dat verweerder zich, bij een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mvv-vereiste aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser stelt in dit verband voorts dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat er in casu geen sprake is van schending van artikel 3 EVRM, verwijst eiser naar eerdergenoemd rapport, waaruit blijkt dat er voor hem geen adequate opvang voorhanden is in Servië-Montenegro en hij bij terugkeer zal komen te verkeren in een situatie waarin hij geen gebruik kan maken van de voor hem noodzakelijke medische en sociale voorzieningen.

Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat er in casu sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Eiser verwijst daartoe naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit blijkt dat er ook sprake kan zijn van toepassing van voornoemd artikel als door een procedureregel het belang van de procedure wordt aangetast.

Daarnaast heeft eiser verwezen naar een aantal uitspraken van nevenzittingsplaatsen van deze rechtbank, waaruit kan worden afgeleid dat het achterwege laten van een toetsing aan artikel 8 EVRM in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule met betrekking tot het mvv-vereiste mogelijk in strijd is met voornoemde Verdragsbepaling. Eiser stelt dat in het onderhavige geval sprake is van gezinsleven dat is ontstaan als gevolg van een onhoudbare situatie van eiser in het land van herkomst na het overlijden van zijn ouders. Zoals reeds door eiser is aangegeven is het voor zijn broer of schoonzus niet mogelijk om bij hem te verblijven gedurende de duur van de mvv-procedure. Bovendien zou dit hebben geleid tot een inbreuk op het gezinsleven van eisers broer. Voorts stelt eiser dat het, vanwege zijn beperkte verstandelijke vermogens, niet mogelijk is om zelf een mvv-procedure te regelen.

In het verweerschrift handhaaft verweerder het ingenomen standpunt en voert daartoe aan dat hetgeen eiser heeft gesteld, niet noopt tot de conclusie dat verweerder in het bestreden besluit bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om jegens eiser aan de hardheidsclausule geen toepassing te geven. Verweerder benadrukt dat van eiser redelijkerwijs kan worden gevergd om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat er in casu geen instelling is te vinden waarin hij tijdens de mvv-procedure zou kunnen worden ondergebracht. Voorts wijst verweerder er op dat referent zich op het standpunt stelt dat voor eiser in het land van herkomst waarschijnlijk geen geschikte opvang is.

Met betrekking tot artikel 8 EVRM merkt verweerder op dat hieraan in het bestreden besluit wel is getoetst, zodat de gronden van het beroep met betrekking tot de door eiser gestelde schending van artikel 8 EVRM in zoverre feitelijke grondslag missen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd aan het vorenstaande niet af doet.

4. Overwegingen

In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Blijkens het bepaalde in artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Op grond van artikel 16, eerste lid, onder a, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van gronden, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Het tweede lid van artikel 3.71 Vb 2000 somt een aantal categorieën op van vreemdelingen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 bepaalt dat verweerder het eerste lid buiten toepassing kan laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

In hoofdstuk B1/2.2.1 Vc 2000 is bepaald dat de bevoegdheid om tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid Vb 2000 alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.24 Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder de beperking verband houdende met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw 2000, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

De criteria van het beleid ten aanzien van verruimde gezinshereniging zijn nader omschreven in hoofdstuk B2/8 Vc 2000. De aanvraag van eiser dient aan de criteria van voornoemd beleid te worden getoetst.

Niet in geschil is dat eiser bij zijn aanvraag niet beschikte over een geldige mvv. Daarnaast is niet gebleken dat eiser thans in het bezit is van een geldige mvv. Beoordeeld moet worden of op grond van hetgeen eiser naar voren heeft gebracht verweerder dient af te zien van het tegenwerpen van het mvv-vereiste. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Zoals de ABRS onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2003, geregistreerd onder nummer 200306704/1, komt verweerder ter zake een ruime beoordelingsmarge toe. Als uitgangspunt geldt hierbij dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Gezien het vorenstaande zal de weigering om toepassing te geven aan de hardheidsclausule de toets in rechte dan ook niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS ligt het op de weg van de vreemdeling om de aan zijn beroep op de hardheidsclausule ten grondslag liggende individuele feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. De bewijslast bij een beroep op de hardheidsclausule ligt derhalve bij de vreemdeling.

Eiser heeft een beroep op de hardheidsclausule gedaan, aangezien er sprake is van dusdanige bijzondere feiten en omstandigheden, dat aan hem vrijstelling van het mvv-vereiste dient te worden verleend. Deze bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het feit dat hij een verstandelijke handicap heeft, zodat het afreizen naar Servië-Montenegro en het aldaar regelen van een mvv-aanvraag voor hem niet mogelijk is. Familie in zijn land van herkomst is niet te vinden. Bovendien kan zijn broer vanwege een sollicitatieplicht niet met hem meereizen. Eisers schoonzuster moet voor de kinderen zorgen en kan derhalve niet met hem naar het land van herkomst reizen om aldaar een mvv-aanvraag in te dienen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan eiser geen vrijstelling van het mvv-vereiste dient te worden verleend. Het mvv-vereiste is aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat van eiser niet kan worden verwacht dat hij zelfstandig terugkeert naar zijn land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. De rechtbank is van oordeel dat van derden niet kan worden gevergd om met eiser naar zijn land van herkomst te reizen. De rechtbank wijst in dit verband op de bijzondere omstandigheid dat eisers broer een sollicitatieplicht heeft. Niet betwist is dat er voor eiser thans geen opvang in het land van herkomst aanwezig is. Voorts heeft verweerder niet betwist dat het voor de vrouw van eisers broer, gelet op de omstandigheden in het land van herkomst en de culturele en religieuze achtergrond, uitermate moeilijk zal zijn om voor haar zwager in het land van herkomst opvang te regelen. Daarnaast is door verweerder niet betwist dat het uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn om vanuit Nederland opvang voor eiser te regelen in zijn land van herkomst. Bovendien merkt de rechtbank op dat, zoals ter zitting door verweerder ook is gesteld, er niet veel zaken zijn waarin verstandelijk gehandicapten een verblijfsvergunning bij een in Nederland verblijvend familielid aanvragen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiser met zijn verstandelijke handicap niet verschilt van andere vreemdelingen met een verstandelijke handicap, geen doel treft. Dat eisers broer eiser vanuit Servië-Montenegro naar Nederland heeft gebracht en dat deze daarom ook weer met hem zou kunnen reizen naar zijn land van herkomst, volgt de rechtbank niet, temeer niet omdat het niet alleen gaat om het reizen, maar ook om verblijf gedurende de aanvraagprocedure. Het alternatief, verblijf in een inrichting, is naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet te verwachten. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk verblijf niet geregeld zal kunnen worden, gelet op de beperkte capaciteit en de grote vraag. Van eiser moet in dat geval niet worden verwacht dat hij daadwerkelijk heeft getracht een plaats te bewerkstelligen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om aan eiser geen vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen.

Het bestreden besluit komt derhalve, wegens strijd met artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (Awb), reeds voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit verwezen naar de jurisprudentie van de ABRS. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat uit de zinsnede: ‘Alles in ogenschouw genomen, is niet gebleken dat internationale verplichtingen tot inwilliging van de aanvraag nopen ...’ uit het besluit op eisers aanvraag, kan worden afgeleid dat verweerder het beroep op voornoemd artikel heeft getoetst aan de jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank is evenwel van oordeel dat hetgeen verweerder hieromtrent heeft overwogen te beperkt is om te komen tot het oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt.

Het vorenstaande is aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens schending van het motiveringsvereiste, artikel 3:46 Awb.

Er bestaat derhalve naar het oordeel van de rechtbank aanleiding voor veroordeling van verweerder tot vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de behandeling ter zitting).

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 februari 2006;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad € 141,-- aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink en in tegenwoordigheid van

A.G.A. Velnaar als griffier in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat.

Afschrift verzonden: