Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8428

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/48516
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA6342, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht / ongewenstverklaring

In tegenstelling tot hetgeen de Voorzitter van de Afdeling heeft geoordeeld brengt het vorenstaande de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid niet op het ambtsbericht van de AIVD heeft kunnen doen steunen. Gelet hierop heeft verweerder evenmin op basis hiervan van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken om eiser op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. [..] Vast staat dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring tot op heden voortduurt. Dit betekent dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Het onderhavige beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van eisers verblijfsvergunning, kan derhalve niet tot het resultaat leiden dat eiser rechtmatig verblijf verkrijgt. Dit leidt tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van het beroep. Het feit dat het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser gegrond zal worden verklaard, maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:45
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 67
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 6
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/48516

V-nr: 221.503.1757

inzake: [vreemdeling], geboren op [...] 1968, van Algerijnse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. Ph.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 7 juli 2005 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Voorts heeft verweerder eiser bij besluit van 8 juli 2005 ongewenst verklaard.

2. Bij bezwaarschriften van 14 juli 2005 heeft eiser tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De gronden van de bezwaren zijn ingediend bij brieven van 25 juli 2005.

3. Bij uitspraak van 11 augustus 2005 (AWB 05/31820 en 05/33230) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, een door eiser ingediend verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder verboden om tot uitzetting van eiser over te gaan totdat op bezwaar is beslist.

4. Op 14 september 2005 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

5. Bij beroepschriften van 30 september 2005 heeft eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 19 oktober 2005 (AWB 05/44518, AWB 05/44520, AWB 05/44924 en AWB 05/44926) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, dit beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

6. Bij beroepschriften van 21 oktober 2005 heeft eiser wederom beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Eiser heeft op gelijke datum verzocht om een voorlopige voorziening. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brieven van 4 november 2005 en 15 november 2005.

7. Bij afzonderlijke besluiten van 17 november 2005 zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Eiser heeft de gronden van de beroepen aangevuld bij brief van 19 december 2005.

8. Bij uitspraak van 19 juni 2006 (AWB 05/47411 en AWB 05/52189) heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 17 november 2005 vernietigd. Bij uitspraak van dezelfde datum (AWB 05/51935, AWB 05/51936 en AWB 05/51939) zijn de door eiser ingestelde verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen.

9. Bij brief van 22 juni 2006 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. Bij uitspraak van 6 juli 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats zich onbevoegd verklaard om van het verzoek van 22 juni 2006 kennis te nemen. Voorts heeft hij het verzoekschrift doorgezonden aan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

10. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder op 30 juni 2006 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

11. De Voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 10 juli 2006 (200604842/1) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen. Voorts heeft de Voorzitter van de Afdeling in deze uitspraak bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser niet voor 15 juli 2006 wordt uitgezet.

12. Bij schrijven van 11 juli 2006 heeft eiser de voorzieningenrechter in deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring op te schorten, alsmede uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op de beroepen is beslist althans hangende de behandeling van de teruggewezen beroepen door de rechtbank.

Op 19 juli 2006 heeft eiser meegedeeld dat het petitum van het verzoek om voorlopige voorziening wordt gewijzigd in die zin dat thans nog slechts wordt verzocht om opschorting van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring.

13. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

14. Bij uitspraak van 18 oktober 2006 (AWB 06/33536) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het door eiser ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden opgeschort totdat op het beroep is beslist, afgewezen.

15. Bij beslissing van 23 oktober 2006 is het onderzoek heropend. Op 3 november 2006 en op

22 november 2006 heeft de rechtbank de onderliggende stukken van het op eiser betrekking hebbende ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: AIVD) van 27 mei 2005 (met kenmerk 2367125/01) ingezien.

16. Nadat partijen daartoe bij brieven van 7 december 2006 respectievelijk 12 december 2006 toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Op 26 oktober 1999 is eiser gehuwd met [echtgenote], geboren op [...] 1978 en van Nederlandse nationaliteit. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, [kind A], [kind B] en [kind C].

2. Eiser is op 7 mei 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf bij echtgenote [echtgenote]". Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 11 maart 2002 en is laatstelijk verlengd tot 9 september 2005.

3. Op 27 mei 2005 heeft de AIVD een individueel ambtsbericht (hierna: het ambtsbericht) uitgebracht met betrekking tot eiser. De tekst van dit ambtsbericht luidt als volgt:

"In het kader van zijn wettelijke taakuitvoering is de AIVD bekend geworden dat:

de Algerijn [vreemdeling], geboren op [...] 1968 te [geboorteplaats] (Algerije),

alias [alias 1] ([…] 1964)

alias [alias 2]

alias [alias 3] ([alias voornamen])

alias [alias 4]

contacten onderhoudt met radicale moslims en netwerken van radicale moslims en dat hij betrokken is bij faciliterende activiteiten ten behoeve van de internationale gewelddadige jihad.

[VREEMDELING] stond in goed contact met [naam 1], geboren op [...] 1972 te [plaats] (Libië), een radicale moslim. Over [naam 1] berichtte de AIVD al eerder aan de IND in een ambtsbericht van 9 februari 2005, kenmerk 2301761/01, dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

[VREEMDELING] stond ook in goed contact met [naam 2], geboren op [...] 1977 te [plaats], Algiers (Algerije). [naam 2] maakte deel uit van een netwerk dat zich bezig hield met ondersteunende activiteiten voor de internationale jihad, evenals het propageren, plannen en daadwerkelijk aanwenden van geweld ten behoeve van de internationale jihad. [naam 2] regelde o.a. onderdak en papieren voor broeders uit dit netwerk. [naam 2] zit momenteel in Frankrijk in voorlopige hechtenis, vanwege beschuldiging van betrokkenheid bij terrorisme.

Bovendien is [VREEMDELING] gelieerd aan netwerken van radicale moslims. Binnen één daarvan stelt hij ten minste één maal valse documenten veilig. Andere faciliterende activiteiten van [vreemdeling] betroffen ronseling en selectie van personen voor de internationale gewelddadige jihad.

Gezien [VREEMDELING]’s contacten met radicale islamitische personen en netwerken en activiteiten kan hij beschouwd worden als een extremistische islamist en staat hij positief tegenover de gewelddadige jihad, welke hij ten minste indirect daadwerkelijk heeft ondersteund.

De AIVD concludeert dat [VREEMDELING] een gevaar oplevert voor de nationale veiligheid."

4.1. In de eerdergenoemde uitspraak van 19 juni 2006 heeft deze rechtbank en zittingsplaats

geoordeeld dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat in het onderhavige geval, gelet op de voorliggende bijzondere omstandigheden, op verweerder de plicht rust om in het kader van een zorgvuldige totstandkoming van de besluiten op bezwaar de REK-check op zodanige wijze uit te voeren (en de resultaten daarvan aan eiser kenbaar te maken) dat eiser kenbaar wordt gemaakt op welke wijze met eisers betwisting rekening is gehouden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de vaststelling dat de in het door de AIVD uitgebrachte individueel ambtsbericht van 27 mei 2005 opgenomen feiten en omstandigheden, voor zover concreet, ook dan in aanzienlijke mate kwalificerend van aard zijn. Voorts heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de suggestie van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn uitspraak van 11 augustus 2005, waarin is overwogen dat verweerder naar aanleiding van de door eiser tegen de AIVD-informatie ingebrachte argumenten nadere informatie bij de AIVD had moeten opvragen en, voor zover mogelijk, aan eiser had moeten verstrekken.

4.2. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling en heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de genoemde artikelen.

4.3. De Voorzitter van de Afdeling heeft in de onder I.11 genoemde uitspraak van 10 juli 2006, waarin de uitspraak van deze rechtbank is vernietigd, geoordeeld dat verweerder dit standpunt terecht heeft ingenomen. Daarbij is - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

"Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 juli 2006 in zaak no. 20060217/1, is in de Vw 2000 de term "gevaar voor de nationale veiligheid" niet nader omschreven, dient volgens paragraaf B1/3.2.5 van de Vc 2000 gevaar voor de nationale veiligheid per geval te worden beoordeeld en is de AIVD ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie om te onderzoeken of van zodanig gevaar sprake is.

De rechtbank heeft miskend dat uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat de vreemdeling evenbedoeld gevaar oplevert ten grondslag heeft gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Hetgeen de vreemdeling tegen de conclusie van het ambtsbericht heeft ingebracht kan niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid hiervan."

5. Medio 2006 is eiser naar Algerije vertrokken nadat hierover met verweerder overeenstemming was bereikt.

III. WETTELIJK KADER

1. Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

2. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

3. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

4. Artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de ongewenstverklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben.

5. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan een misdrijf (artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht). De ongewenstverklaring betekent tevens dat artikel 8 van de Vw 2000 niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen - zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft - niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat het vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard niet is toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten.

6. De AIVD en verweerder hebben, ter uitvoering van hun wettelijke taken, het “Convenant inzake uitwisseling van gegevens tussen de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst en de Immigratie- en naturalisatiedienst” van 17 juni 2003 (Stc. 19 juni 2003, nr. 115) gesloten. In dit convenant is overeengekomen dat de AIVD aan verweerder gegevens kan verstrekken die van belang kunnen zijn bij het nemen van besluiten bij en/of krachtens de Vw 2000 (artikel 1, eerste lid van het convenant). De verstrekking van deze gegevens door de AIVD vindt plaats door middel van een ambtsbericht (artikel 2 van het convenant).

7. In het beleid in paragraaf B1/2.2.4 van de Vc 2000, is - voor zover hier van belang - neergelegd dat er geen beleidsregels zijn opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.

IV. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep voor zover dat betrekking heeft op de ongewenstverklaring van eiser

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit - in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden - in rechte stand kan houden.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in een pleitnota van 21 december 2005 en ter zitting van de rechtbank op 4 oktober 2006, samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld.

Op basis van het onder II.3 genoemde individuele ambtsbericht van de AIVD van 27 mei 2005 kan worden geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Gelet hierop bestaat aanleiding eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het besluit tot ongewenstverklaring is tevens in het belang van de internationale betrekkingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Verweerder mocht bij de besluitvorming uitgaan van de juistheid van de informatie zoals weergegeven in het individueel ambtsbericht van 27 mei 2005, nu er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het betreffende individueel ambtsbericht. Wat betreft de op verweerder rustende vergewisplicht wordt verwezen naar hetgeen de Afdeling op dit punt heeft overwogen in de in deze zaak gedane uitspraak van 10 juli 2006, alsmede in diverse gelijkluidende uitspraken van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 18 september 2006 (JV 2006/407).

In het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van "adversarial proceedings". In dat licht wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 september 2006, waarin daarover gemotiveerd is geoordeeld.

De ongewenstverklaring van eiser levert geen strijd op met het bepaalde in de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit - kort samengevat en voor zover thans nog aan de orde - de volgende beroepsgronden aangevoerd.

De in het individueel ambtsbericht van de AIVD vermelde beschuldigingen aan eisers adres zijn vaag en de conclusies in dat ambtsbericht zijn kwalificerend van aard. Daarom heeft verweerder met dit ambtsbericht niet genoegzaam gemotiveerd dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid oplevert. Het individueel ambtsbericht van de AIVD kon dan ook niet, althans niet zonder (enige vorm van) nader onderzoek, aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.

Uit het bepaalde in artikel 13 van het EVRM, alsmede de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), vloeien procedurele waarborgen voort voor zaken waarin een burger niet de beschikking krijgt over alle relevante informatie of niet de mogelijkheid krijgt om verweer te voeren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Het beginsel van “adversarial proceedings” brengt dan ook met zich dat verweerder in het onderhavige geval, gezien de betwisting van eiser van het ambtsbericht van de AIVD, in ieder geval gehouden was tot het stellen van nadere vragen aan de AIVD dan wel tot het verschaffen van een reële mogelijkheid aan eiser en de AIVD om op elkaars stellingen te reageren.

Aan het vereiste van “adversarial proceedings” wordt volgens eiser niet alsnog voldaan wanneer de rechtbank van de mogelijkheid tot inzage in de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken gebruik maakt.

Het bestreden besluit is voorts in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. Het bepaalde in artikel 3 van het EVRM is niet langer aan de orde, nu eiser is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en daar vooralsnog zonder problemen van de zijde van de autoriteiten heeft verbleven.

4.1 De rechtbank overweegt als volgt.

4.2 Verweerder heeft de ongewenstverklaring van eiser gebaseerd op het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 alsmede het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Aan beide gronden tot ongewenstverklaring heeft verweerder blijkens het bestreden besluit uitsluitend de conclusie ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals dat is vastgesteld in het ambtsbericht van 27 mei 2005. Allereerst is dan ook aan de orde de vraag of verweerder de in het ambtsbericht getrokken conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit.

4.3.1 Gelet op het onder II.4.3 geciteerde oordeel van de voorzitter van de Afdeling heeft verweerder deze conclusie zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Gegeven de wijze waarop dit oordeel is geformuleerd, en in aanmerking genomen dat de Voorzitter van de Afdeling de zaak heeft teruggewezen naar de rechtbank, om door de rechtbank te worden behandeld en beslist met inachtneming van zijn oordeel, ziet de rechtbank in beginsel geen ruimte om hiervoor een ander oordeel in de plaats te stellen. Eisers betoog dat verweerder (een vorm van) nader onderzoek had dienen te verrichten alvorens het ambtsbericht ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit treft dan ook geen doel.

4.3.2 Evenmin slaagt eisers betoog dat de procedure niet voldoet aan het beginsel van “adversarial proceedings” zoals dit wordt uitgelegd door het EHRM. In het arrest van het EHRM inzake Lupsa tegen Roemenië van 8 juni 2006 (JV 2006, 311) is geoordeeld dat een persoon die onderworpen wordt aan een maatregel gebaseerd op nationale veiligheidsoverwegingen in staat moet zijn om de maatregel te laten toetsen door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan dat bevoegd is om alle relevante feiten en rechtsvragen te onderzoeken, opdat de rechtmatigheid van de maatregel kan worden vastgesteld en opdat eventueel misbruik door de autoriteiten kan worden bestraft.

Aan deze maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank voldaan wanneer, zoals in onderhavig geval, de rechtbank de achterliggende stukken heeft ingezien en zich zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de feitelijke basis voor de in het ambtsbericht neergelegde vaststellingen, kwalificaties en beschuldigingen.

5.1 Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, waaruit voortvloeit dat de rechtbank de “adversarial proceedings” dient te waarborgen, en ondanks het in II.4.3 geciteerde oordeel van de Voorzitter van de Afdeling, heeft de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb in samenhang met artikel 87, eerste lid, van de WIV 2002 van de bevoegdheid gebruik gemaakt om kennis te nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken en de afweging van verweerder op basis van die stukken aldus te beoordelen. De rechtbank heeft daarbij de gemotiveerde betwisting van eiser ten aanzien van dit ambtsbericht mede in aanmerking genomen. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

5.2 De rechtbank stelt vast dat de AIVD in het ambtsbericht aan de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid een aantal feitelijke (vast)stellingen, kwalificaties en beschuldigingen ten grondslag heeft gelegd, zoals weergegeven onder II.3. In de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken heeft de rechtbank voor het overgrote deel van deze feitelijke vaststellingen, kwalificaties en beschuldigingen evenwel geen concrete onderbouwing aangetroffen.

Met inachtneming van de op haar ingevolge de WIV 2002 rustende verplichting tot geheimhouding, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de concrete onderbouwing van de vaststellingen, kwalificaties en beschuldigingen ontoereikend is. De daarop gebaseerde conclusie, dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan, gelet op het voorgaande, thans in redelijkheid niet langer worden volgehouden.

6. In tegenstelling tot hetgeen de Voorzitter van de Afdeling heeft geoordeeld brengt het vorenstaande de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid niet op het ambtsbericht van de AIVD heeft kunnen doen steunen. Gelet hierop heeft verweerder evenmin op basis hiervan van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken om eiser op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

7. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal mitsdien gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tevens zal worden bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan hetgeen overigens door partijen is aangevoerd.

Ten aanzien van het beroep voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning:

8. De rechtbank ziet zich voorts, in aanmerking genomen hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de ongewenstverklaring van eiser, ambtshalve gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van eisers verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf bij echtgenote [echtgenote]".

9. Vast staat dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring tot op heden voortduurt. Dit betekent dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Het onderhavige beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van eisers verblijfsvergunning, kan derhalve niet tot het resultaat leiden dat eiser rechtmatig verblijf verkrijgt. Dit leidt tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van het beroep. Het feit dat het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser gegrond zal worden verklaard, maakt dit niet anders. Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een verblijfsvergunning kan eerst aan de orde komen indien het besluit tot ongewenstverklaring is vernietigd of ingetrokken dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2006 (JV 2006/347) en van 26 juli 2006 (JV 2006/352). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Hoewel in het bovenstaande is geoordeeld dat de beslissing op het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser de rechterlijke toets niet kan doorstaan en dit besluit wordt vernietigd, is het (primaire) besluit tot ongewenstverklaring van eiser opgeheven noch herroepen. De ongewenstverklaring van eiser en de gevolgen daarvan duren mitsdien onverminderd voort.

10. Gezien het voorgaande zal het beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de beide beroepen

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep met betrekking tot de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf bij echtgenote [echtgenote]" niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

3. vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het bezwaar tegen de ongewenstverklaring ongegrond is verklaard;

4. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 14 februari 2007 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mrs. M.J. Diemer en C.I.H. Fockens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: SaS/DB/MD/HFO

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.