Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7847

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/62915
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motie De Wit / zicht op uitzetting ongewenstverklaarde vreemdeling

Het kabinetsbesluit van 13 december 2000 ziet, blijkens de aan dat besluit ten grondslag liggende motie Dijsselbloem (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19637, nr. 1111), niet op vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard. Een ongewenst verklaarde vreemdeling behoort derhalve niet tot de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 betrekking heeft. Het vorenstaande brengt echter niet met zich dat de nadien gedane toezegging naar aanleiding van de motie De Wit op 22 (lees 20) december 2006 eveneens niet ziet op ongewenst verklaarde vreemdelingen. Die toezegging behelst immers niet meer en niet minder ten aanzien van een vreemdeling als eiser, die vanwege zijn Iraakse nationaliteit en afkomst uit Centraal-Irak behoort tot de groep waarop de toezegging van 22 (lees 20) december 2006 ziet, dat hij gelijk behandeld zal worden als iemand die wel valt onder de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 betrekking heeft. Van een uitzondering van deze gelijke behandeling voor ongewenstverklaarden blijkt uit de formulering van de toezegging niet. Die gelijke behandeling als van iemand die behoort tot de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 ziet, betekent dat er vooralsnog geen uitzetting zal plaatsvinden in afwachting van een kabinetsreactie. Deze reactie van het kabinet wordt in januari 2007 verwacht. Het vorenstaande brengt met zich dat naar dezerzijds oordeel niet gezegd kan worden dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 17 januari 2007 het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De vraag of dat zicht op uitzetting er nog is, is immers afhankelijk van de in januari 2007 verwachte kabinetsreactie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Proc.nr.: AWB 06/62915

Inzake: [eiser], alias [eiser], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1971 dan wel [geboortedatum] 1974 en van Iraakse nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot “Reno” te Rotterdam,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. M.I. Vennik, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 14 december 2006 is de Minister van Justitie in de plaats getreden van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

Op 14 juli 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 27 december 2006 is namens eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 3 januari 2007 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd.

De rechtbank heeft op 3 januari 2007 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mevrouw L.M.F. Verhaegh.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans de vraag of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser niet op 9 december 2006 onder begeleiding van escortes naar Irak is uitgezet. Eiser heeft verzet gepleegd, waarna de gezagvoerder heeft geweigerd eiser te vervoeren. Op 3 januari 2007 is gebleken dat de Koninklijke marechaussee (Kmar) nog geen nieuwe vlucht heeft aangevraagd wegens het door eiser gepleegde verzet. Verweerder heeft te kennen gegeven dat eiser eerst wordt uitgezet als hij zich niet tegen zijn uitzetting zal verzetten. Eiser is op 9 januari 2007 nog gehoord.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 november 2006 de bewaring tot de dag van sluiting van het onderzoek, te weten 29 november 2006, rechtmatig geacht.

Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door geen tweede vlucht aan te vragen. Voorts valt eiser onder de zogenoemde motie-De Wit van 20 december 2006, op grond waarvan asielzoekers niet meer kan worden uitgezet naar Centraal en Zuid Irak. Daarnaast is eiser reeds 21 maanden van zijn vrijheid beroofd en dient de belangenweging in het voordeel van eiser uit te vallen. Ook is door eiser aangevoerd dat hij, gelet op de duur van de detentie, niet langer kan worden vastgehouden op de Detentieboot “Reno”. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat terugkeer naar Irak schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

Met betrekking tot het beroep van eiser op het ontbreken van zicht op uitzetting vanwege de motie van het kamerlid De Wit van 20 december 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19637, nr. 1118) overweegt de rechtbank als volgt.

Naar aanleiding van de voornoemde motie heeft verweerder bij brief van

27 december 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19637, nr. 1120) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal meegedeeld:

“Op 20 december jl. zijn in uw Kamer twee moties aanvaard van het lid De Wit. Het betrof een motie met het verzoek aan de regering om de 181 in februari 2006 gepresenteerde Syriërs, voor zover zij nog in Nederland zijn en er geen sprake is van contra-indicaties, een verblijfsvergunning te verstrekken (II 2006–2007, 19637, nr. 1119) en een motie waarin de regering werd verzocht om per direct over te gaan tot het bieden van categoriale bescherming aan asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak (II 2006–2007, 19637, nr. 1118).

Het kabinet zal op zo kort mogelijke termijn, naar verwachting in januari, schriftelijk reageren op deze beide moties. Zoals uw kamer bekend is, heeft het kabinet op 12 december jl. reeds de maatregel genomen om: «ten aanzien van de groep uitgeprocedeerde asielzoekers die in de laatste fase van behandeling is bij het project Terugkeer, gedurende de demissionaire periode, de gedwongen uitstroom uit het project niet te effectueren wanneer dat op humanitaire bezwaren stuit, in het bijzonder bij gezinnen met kinderen.»

Ik zeg uw Kamer toe om, in afwachting van de kabinetsreactie, de in de voornoemde moties bedoelde vreemdelingen, voor zover niet behorend tot de groep waarop de toezegging van 13 december ziet, op gelijke wijze te behandelen mits betrokkenen niet op grond van Verordening EG/343/2003 kunnen worden overgedragen aan een andere EU-lidstaat.”

Niet in geschil is dat eiser de Iraakse nationaliteit heeft en afkomstig is uit Centraal-Irak. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag, nu eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard, wat voormelde toezegging in zijn geval betekent.

Op 13 december 2006 heeft het kabinet besloten:

“om, zonder daarmee te anticiperen op toekomstige regelingen, ten aanzien van de groep uitgeprocedeerde asielzoekers die in de laatste fase van behandeling is bij het project Terugkeer, gedurende de demissionaire periode, de gedwongen uitstroom uit het project niet te effectueren wanneer dat op humanitaire bezwaren stuit, in het bijzonder bij gezinnen met kinderen. De uitzettingen van deze groep worden per direct opgeschort.”

Het voormelde besluit ziet, blijkens de aan dat besluit ten grondslag liggende motie Dijsselbloem (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19637, nr. 1111), echter niet op vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard. Een ongewenst verklaarde vreemdeling behoort derhalve niet tot de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 betrekking heeft. Het vorenstaande brengt echter niet met zich dat de nadien gedane toezegging op 22 december 2006 eveneens niet ziet op ongewenst verklaarde vreemdelingen. Die toezegging behelst immers niet meer en niet minder ten aanzien van een vreemdeling als eiser, die vanwege zijn Iraakse nationaliteit en afkomst uit Centraal-Irak behoort tot de groep waarop de toezegging van 22 december 2006 ziet, dat hij gelijk behandeld zal worden als iemand die wel valt onder de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 betrekking heeft. Van een uitzondering van deze gelijke behandeling voor ongewenstverklaarden blijkt uit de formulering van de toezegging niet. Die gelijke behandeling als van iemand die behoort tot de groep waarop de toezegging van 13 december 2006 ziet, betekent dat er vooralsnog geen uitzetting zal plaatsvinden in afwachting van een kabinetsreactie. Deze reactie van het kabinet wordt in januari 2007 verwacht. Het vorenstaande brengt met zich dat naar dezerzijds oordeel niet gezegd kan worden dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 17 januari 2007 het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De vraag of dat zicht op uitzetting er nog is, is immers afhankelijk van de in januari 2007 verwachte kabinetsreactie.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of desalniettemin dat zicht op uitzetting ontbreekt, omdat eiser niet vrijwillig wenst mee te werken aan zijn terugkeer. Naar het oordeel van de rechtbank komt het zich verzetten tegen een (eventuele) gedwongen uitzetting voor rekening en risico van eiser. Nu verder een vrijwillige terugkeer te allen tijde mogelijk is en niet op voorhand uitgesloten is te achten dat eiser eventueel alsnog besluit zich niet te verzetten tegen een gedwongen uitzetting via Duitsland, kan naar dezerzijds oordeel niet gezegd worden dat er geen zicht op uitzetting is.

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld betreffende zijn uitzetting, nu er geen tweede vlucht voor eiser is aangevraagd, overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat er geen tweede vlucht voor eiser wordt aangevraagd totdat eiser heeft aangegeven zich niet meer tegen de uitzetting te zullen verzetten. Op grond van het voorgaande komt het feit dat verweerder nog geen tweede vlucht heeft aangevraagd voor rekening en risico van eiser en kan verweerder niet verweten worden dat onvoldoende voortvarend wordt gehandeld. Of eiser zich bij de eerdere poging hem uit te zetten op goede gronden heeft verzet tegen die uitzetting, acht de rechtbank in verband dan ook verder niet van betekenis.

Ten aanzien van de vraag of verweerder zich nog altijd, gelet op de duur van de vrijheidsbeneming in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het belang van verweerder om eiser ter fine van uitzetting in bewaring te houden zwaarder moet wegen dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

In beginsel geldt dat na zes maanden het belang van eiser bij opheffing van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van verweerder om eiser ter fine van uitzetting nog in bewaring te houden. Onder bijzondere omstandigheden kan het belang van verweerder zwaarder wegen dan het belang van eiser. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan onder meer sprake bij frustratie door de vreemdeling van het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en indien de vreemdeling ongewenst is verklaard.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van eiser. Daartoe acht verweerder redengevend dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert en het in hoge mate aan eiser zelf is te wijten dat hij tot op heden niet is verwijderd. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar het bij fax toegezonden proces-verbaal, waaruit kan worden afgeleid dat eiser geen medewerking zal verlenen aan zijn uitzetting. Voorts is eiser ongewenst verklaard. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat door beroep in te stellen tegen de beslissing tot ongewenstverklaring de rechtsgevolgen hiervan niet worden opgeschort.

Voorts is door eiser onder verwijzing naar een vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 december 2006 (KG 06/1258) aangevoerd dat de voortduring van de bewaring op de Detentieboot “Reno”, gelet op de duur daarvan, onrechtmatig is te achten.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 april 2005 (JV 2005/308) volgt dat de rechtbank zich bij de beoordeling dient te beperken tot het geven van een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime. Klachten die betrekking hebben op het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd vallen buiten het onderhavige toetsingskader en kunnen dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het door eiser bedoelde vonnis van de voorzieningenrechter van 11 december 2006, voor zover daarin is bepaald dat het in beginsel is verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten, betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de bewaring onder het regime op de detentieboten. Aldus is het beroep van eiser in dit verband gestoeld op de toepassing van het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd. Zoals blijkt uit het voorgaande kan een dergelijk beroep ingevolge de voornoemde Afdelingsjurisprudentie evenwel geen rol spelen bij de beoordeling van het voortduren van de bewaring. Los van de vraag of de duur van die detentie niet (ook) aan het gebrek aan medewerking door eiser bij zijn uitzetting is te wijten, kan de voormelde grief dan ook niet tot het gewenste resultaat leiden.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat andere Irakezen wel vrijgelaten zijn. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat geenszins nader is onderbouwd of is gebleken dat de bedoelde gevallen inderdaad vergelijkbaar zijn en die gevallen ongewenstverklaarden betroffen. Ook hetgeen eiser anderszins naar voren heeft gebracht, heeft niet tot een ander oordeel geleid.

Voor zover zijdens eiser is betoogd dat er in geval van uitzetting mogelijkerwijs een schending van artikel 3 van het EVRM zal plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat een dergelijk beroep slechts beoordeeld kan worden in het kader van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een op handen zijnde uitzetting en/of een verzoek tot opheffing van zijn ongewenstverklaring dan wel, na een eventuele opheffing van de ongewenstverklaring, in het kader van een eventuele aanvraag van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat zicht op uitzetting ontbreekt of dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken, dat de voortduring van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gericht tegen de voortzetting van de bewaring ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 24 januari 2007