Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7816

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/9849 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het opdragen van tijdelijke werkzaamheden in een andere locatie van een Penitentiaire Inrichting en heeft gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de tijdelijke werkzaamheden in redelijkheid aan verzoekster konden worden opgedragen. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 06/9849 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

ter zake van het besluit van 29 november 2006 van de Minister van Justitie, verweerder, waarbij verzoekster met ingang van 27 november 2006 op grond van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), tijdelijk is geplaatst bij de Bevolkingsadministratie van PI [locatie inrichting], vestiging [vestiging 1], tot uiterlijk 1 mei 2007 of zoveel eerder in verband met het aanvaarden van een andere functie buiten de PI [locatie inrichting].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 10 december 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 4 januari 2007 ter zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Scholtes als haar raadsvrouwe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigden].

I. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Verzoekster heeft sinds 1 maart 2003 de functie van 1ste Medewerker Bevolkingsadministratie (BVA) bij PI [locatie inrichting] te [vestiging 2] waargenomen. Met ingang van 1 december 2003 is verzoekster benoemd in deze functie, met een arbeidsduur van 32 uur per week.

2.2 Verzoekster heeft op 13 mei 2005 verzocht haar arbeidsduur te wijzigen in 24 uur per week. In de week voorafgaand aan 7 juni 2005 heeft de voormalig Unitdirecteur/plv. Locatiedirecteur te [vestiging 2] een gesprek gevoerd met verzoekster, waarbij aan de orde zou zijn gekomen dat verzoekster zich op een bepaalde manier moest gedragen jegens de toenmalige Locatiedirecteur te [vestiging 2] (hierna: de Locatiedirecteur), om een inwilliging te krijgen van haar verzoek om urenvermindering.

2.3 Op 7 juni 2005 heeft de Locatiedirecteur met verzoekster een gesprek gevoerd over uitlatingen, die zij zou hebben gedaan tijdens een afscheidsetentje van het waarnemend hoofd Bureau Selectie & Detentie-begeleiding (BSD)/BVA omtrent de integriteit van de Locatiedirecteur. Verzoekster heeft daarbij een uiteenzetting gegeven van hetgeen de Unitdirecteur haar heeft medegedeeld en voorts heeft zij de haar voorgehouden strekking van haar uitlatingen ontkend.

2.4 Op 23 augustus 2005 heeft een overleg plaatsgevonden met medewerkers van de afdeling BVA, waarbij is geconstateerd dat er spanningen waren tussen het team en verzoekster. Door collega's zijn aanmerkingen gemaakt op de wijze waarop verzoekster hen benaderde.

2.5 Op 26 september 2005 heeft de Locatiedirecteur verzoekster nogmaals gehoord over haar op 7 juni 2005 afgelegde verklaring omtrent haar uitlatingen.

2.6 Verzoekster heeft zich op 26 september 2005 ziekgemeld als gevolg van spanningsgerelateerde klachten.

2.7 Bij brief van 17 november 2005 heeft de Locatiedirecteur namens de Algemeen Directeur van PI [locatie inrichting] aan verzoekster medegedeeld dat zij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 80 van het ARAR, bestaande uit uitlatingen tijdens een feestje omtrent de integriteit van de Locatiedirecteur en het feit dat zij op

7 juni 2005 heeft ontkend de haar voorgehouden uitlatingen te hebben gedaan. Daarbij is het voornemen kenbaar gemaakt om haar een disciplinaire straf op te leggen als bedoeld in artikel 81 van het ARAR.

2.8 Bij besluit van 8 maart 2006 heeft de Locatiedirecteur namens de Algemeen Directeur van PI [locatie inrichting] aan verzoekster medegedeeld dat het vermoedelijk plichtsverzuim niet kan worden vastgesteld, dat geen disciplinaire straf wordt opgelegd en dat deze tenlastelegging zal worden geseponeerd. Wel is opgemerkt dat het niet passend is om een gesprek met een vertrouwelijk karakter naar voren te brengen tijdens een etentje met collega’s.

2.9 Op 16 maart 2006 is een mediation intake verslag uitgebracht, waarin is vermeld dat mediation niet het geëigende instrument is in het vinden van een oplossing voor het herstel van de onderling geëscaleerde verhoudingen binnen het team van BVA. Geadviseerd is om de situatie op de afdeling BVA te [vestiging 2], zonder de aansturing door verzoekster, te handhaven.

2.10 Per 28 maart 2006 is verzoekster hersteld gemeld, na reïntegratie in de periode 14 februari 2006 tot 28 maart 2006 bij de afdeling BVA te [vestiging 1].

2.11 Bij besluit van 11 april 2006 heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 april 2006 tot 1 juni 2006 op grond van artikel 58, eerste lid, van het ARAR, tijdelijk geplaatst bij de afdeling BVA te [vestiging 1], in verband met verstoring in de onderlinge arbeidsverhoudingen binnen de afdeling BVA te [vestiging 2].

2.12 Verzoekster is op 26 april 2006 wederom ziekgemeld wegens spanningsklachten.

2.13 Bij brief van 3 mei 2006 heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 april 2006. Deze procedure is nog aanhangig.

2.14 Bij brief van 12 juli 2006 heeft verweerder verzoekster onder meer te kennen gegeven dat inmiddels aan haar verzoek tot arbeidstijdverkorting is tegemoetgekomen en dat deze kwestie als afgedaan wordt beschouwd.

Met betrekking tot eventuele seksuele intimidatie door de plv. Locatie-directeur is gebleken dat deze plv. Locatie Directeur mede naar aanleiding van het incident met verzoekster is overgeplaatst naar een andere inrichting. Voor het feit dat verzuimd is verzoekster hiervan op de hoogte te stellen wordt excuses aangeboden. Tenslotte is verzoekster medegedeeld dat de Locatiedirecteur te [vestiging 1] (de toenmalige Locatiedirecteur van vestiging [vestiging 2]) bij brief van 22 juni 2006 heeft aangeboden om verzoekster in haar oude functie te [vestiging 1] te werk te stellen. Verzoekster is verzocht om aan te geven of zij op dat aanbod ingaat.

2.15 Op 27 september 2006 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden te [vestiging 1], waarbij de Locatiedirecteur heeft medegedeeld dat reïntegratie op locatie [vestiging 2] niet mogelijk is, dat gestreefd wordt naar definitieve plaatsing van verzoekster op locatie [vestiging 1] en dat een outplacementtraject via het Bureau Bevordering Arbeidsparticipatie (BBA) wordt opgestart. Over de (rand)voorwaarden van dit outplacementtraject zijn afspraken gemaakt tussen partijen.

2.16 Bij het thans bestreden besluit is vermeld dat verzoekster met ingang van 27 november 2006 hersteld is gemeld en dat zij met ingang van die datum tijdelijk tewerk wordt gesteld in PI [vestiging 1].

3. Verzoekster heeft aangevoerd dat de werkzaamheden op locatie [vestiging 1] redelijkerwijs niet aan haar kunnen worden opgedragen. Er is bovendien een groot risico dat zij bij voortdurende tewerkstelling aldaar wederom arbeidsongeschikt wordt. Ondanks de voorgeschiedenis - waarbij verweerder de situatie heeft laten escaleren en geen begeleiding heeft geboden -, gedane toezeggingen en zonder bespreking van eventuele alternatieven is op 29 november 2006 wederom besloten haar tijdelijk te plaatsen op locatie [vestiging 1]. Verzoekster meent dat artikel 58 van het ARAR ten onrechte is aangewend en dat sprake is van détournement de pouvoir. Gelet op de wetsgeschiedenis bij dit artikel is dit artikel bedoeld voor situaties waarin tijdelijke plaatsing noodzakelijk is in het belang van de organisatie. Er is thans geen sprake van noodzaak, verzoekster is werkzaam boven de sterkte. Ook in [vestiging 2] zijn functies waar verzoekster (tijdelijk) tewerk kan worden gesteld. Er is echter geen enkel onderzoek gedaan naar plaatsingsmogelijkheden aldaar. De tewerkstelling op locatie [vestiging 1] kan geenszins de reïntegratie bevorderen en verzoekster kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er een disciplinair karakter kleeft aan deze plaatsing. De voormalige Locatiedirecteur van [vestiging 2] is thans aangesteld in [vestiging 1] in een vergelijkbare gezagsverhouding. Verzoekster heeft er geen vertrouwen in dat zij onbevooroordeeld onder hem kan functioneren.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens verweerder is het niet wenselijk verzoekster in een functie binnen PI [vestiging 2] te werk te stellen, wegens de verstoorde verhoudingen tussen verzoekster en de afdeling BVA en het risico dat het conflict naar andere afdelingen overslaat. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de medewerkers van de afdeling BVA en de medewerkers van de afdelingen BSD en MMD (op welke laatste twee afdelingen verzoekster zou willen worden tewerkgesteld) onderling moeten samenwerken, met name wat betreft informatie-uitwisseling. Deze uitwisseling moet soepel en adequaat verlopen, waarbij de aanwezigheid van verzoekster, gezien de ernstig verstoorde verhoudingen met de medewerkers van de afdeling BVA een probleem kan opleveren. Het feit dat verzoekster geen aansturende werkzaamheden meer zou verrichten maakt dit niet anders, volgens verweerder.

5. Artikel 58 van het ARAR luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. (...)

2. (...)

3. (...)

4. Bij de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt voor zoveel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar.

6.1 Tussen partijen is niet in geschil dat terugkeer van verzoekster in haar functie van 1e medewerker BVA te [vestiging 2] niet meer reëel is te achten.

6.2 De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster, voorafgaand aan haar hersteldmelding per 27 november 2006 geruime tijd geen werkzaamheden heeft verricht wegens ziekte. Het is in het belang van verzoekster om in een dergelijke situatie zo snel mogelijk weer werkzaam te zijn. Daartoe mocht niet alleen van verweerder, maar ook van verzoekster een inspanning worden verlangd.

Vast staat dat verzoekster eerder in het kader van reïntegratie in de maanden februari en maart 2006 en in het kader van tijdelijke tewerkstelling in april 2006 werkzaamheden heeft verricht op de afdeling BVA te [vestiging 1]. Deze afdeling en de afdeling waar verzoekster in [vestiging 2] werkzaam is geweest onderscheiden zich nauwelijks van elkaar. Dit betekent dat de inhoud van de werkzaamheden die verzoekster thans tijdelijk worden opgedragen, haar niet vreemd was.

Verweerder heeft verzoekster in verband met haar privé-omstandigheden toestemming verleend om gedurende de periode van tijdelijke tewerkstelling in [vestiging 1] in werktijd te reizen. Hieruit volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met de betreffende persoonlijke belangen van verzoekster. Verzoekster, inmiddels werkzaam in [vestiging 1], heeft immers ter zitting bevestigd dat zij door de tewerkstelling in [vestiging 1] niet minder thuis aanwezig is dan ten tijde van haar tewerkstelling in [vestiging 2].

Verzoekster acht het daarnaast moeilijk te aanvaarden dat zij in [vestiging 1] onder leiding van de voormalige Locatiedirecteur van de locatie [vestiging 2], die thans in dezelfde functie werkzaam is in [vestiging 1], werkzaam is. Hoewel het geen schoonheidsprijs verdient dat deze Locatiedirecteur zelf het onderzoek heeft geleid ter zake van de kwestie inzake zijn integriteit, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van een zodanig gebrek aan objectiviteit bij de Locatiedirecteur dat verzoekster niet onder zijn leiding zou kunnen functioneren. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de Locatiedirecteur ter zitting heeft verklaard dat hij leiding geeft aan 750 medewerkers en dat zich tussen hem en verzoekster twee managementlagen bevinden. Verzoekster heeft dit niet betwist en heeft bovendien ter zitting verklaard dat zij thans niets met de Locatiedirecteur heeft te maken. De enkele omstandigheid dat verzoekster hem soms ziet lopen en zich daarbij niet prettig voelt, kan hier niet aan afdoen.

Voor zover verzoekster heeft gesteld dat in [vestiging 1] nauwelijks werkzaamheden aan haar worden uitbesteed, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit standpunt niet is onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat verzoekster in [vestiging 1] naar tevredenheid functioneert en dat geen bericht van de afdeling is ontvangen dat verzoekster daar niets te doen heeft. Het standpunt van verzoekster dat zij boven de sterkte zou zijn geplaatst is door verweerder ter zitting afdoende weersproken. Er is sprake van een tijdelijke verschuiving van een andere medewerker, waardoor sprake is van een vacante functie. Voor zover verzoekster voorts meent dat de tijdelijke tewerkstelling een disciplinair karakter heeft, wordt overwogen dat verweerder dit ter zitting uitdrukkelijk heeft weersproken. De gedingstukken bieden hiertoe overigens geen aanknopingspunten. Ter zake van verzoeksters standpunt dat sprake is van détournement de pouvoir overweegt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat verweerder bij de tijdelijke tewerkstelling het oog heeft op ontslag van verzoekster. Verzoekster heeft nog immer de ambtelijke aanstelling van waaruit zij tijdelijk te werk is gesteld en van ontslag is vooralsnog geen sprake. Door verzoekster is niet weersproken dat het thans lopende outplacementtraject niet is gebonden aan een einddatum. De voorzieningenrechter acht derhalve de handelwijze van verweerder niet in strijd met het in artikel 3:3 van de Awb neergelegde verbod van détournement de pouvoir.

De persoonlijke voorkeur van verzoekster om (al dan niet tijdelijk) in de PI [vestiging 2] te werk te worden gesteld, maakt, gelet op het hiervoor overwogene niet dat verweerder niet in redelijkheid tot de tijdelijke tewerkselling in PI [vestiging 1] heeft kunnen besluiten. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking, dat verzoekster de door verweerder gestelde (ernstig) verstoorde verhoudingen met de medewerkers van de afdeling BVA niet heeft betwist en ter zitting heeft verklaard dat zij zich afvraagt of deze medewerkers bij terugkeer van haar in de PI [vestiging 2] op een professionele wijze met haar kunnen omgaan, alsmede ter zitting heeft verklaard dat een aantal medewerkers, indien er telefonisch contact moet plaatsvinden tussen PI [vestiging 2] en PI [vestiging 1], probeert haar in dit contact te vermijden. Onder deze omstandigheden kan verweerder, gezien de benodigde soepele communicatie tussen de afdelingen BVA, BSD en MMD binnen de PI [vestiging 2], oordelen dat een terugkeer van verzoekster naar een van de laatste twee afdelingen thans niet wenselijk is.

6.3 Het vorenstaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de tijdelijke werkzaamheden in [vestiging 1] in redelijkheid aan verzoekster konden worden opgedragen.

7. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. C. Fetter, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.