Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7587

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/10159, AWB 06/10162
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Taalanalyse/ contraexpertise

Asielverzoek is afgewezen omdat eiser, mede gelet op twee taalanalyses, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Liberia. Nu de taalanalyses van BLT door academisch geschoolde linguïsten worden gecontroleerd, acht de rechtbank onvoldoende grond aanwezig om te kunnen stellen dat de taalanalyses niet voldoen aan de “Guidelines for the Use of Language Analyses in Relation to Questions of National Origin in Refugee Cases” van juni 2004. Anderzijds ook geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de door eiser ingeschakelde contra-experts. De contra-expertises overstijgen in aanzienlijke mate het plaatsen van enkele kritische kanttekeningen bij de taalanalyses en bieden voldoende aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid daarvan te twijfelen. Twijfel van verweerder is verder gebaseerd op het eerste gehoor. Dat gehoor is in het Engels afgenomen. Aan dit gehoor kan weinig betekenis worden gehecht omdat uit de taalanalyses is gebleken dat eiser niet in staat is een gesprek in het Engels te voeren. Verder zou eiser bij de taalanalyses eveneens weinig gedetailleerde informatie hebben gegeven over zijn gestelde leefomgeving. De gesprekken die in dit verband zijn gevoerd kunnen echter niet gelijk worden gesteld aan een gehoor, reeds omdat er geen verslag van is gemaakt dat door alle partijen en de rechter kan worden gelezen. Bovendien zijn ook op dit punt kanttekeningen geplaatst door een contra-expert. Schending artt. 3:2 en 7:12 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 06/10159 (beroep)

AWB 06/10162 (voorlopige voorziening)

V.nr.: 110.101.1079

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1956, van gestelde Liberiaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser/verzoeker, hierna te noemen eiser,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Gobardhan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 14 januari 1994 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend alsmede een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 1 februari 1994 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard niet ingewilligd. Bij beschikking van 9 april 1996 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 30 januari 1997 (AWB 96/5233) gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de ongegrond verklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, omdat verweerder niet bevoegd was in zoverre op het bezwaar te beslissen nu rechtstreeks beroep openstond bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Het besluit is in zoverre vernietigd en het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 september 1999 het door verweerder voor behandeling als beroep doorgestuurde bezwaarschrift tegen het besluit van 1 februari 1994 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover het betreft de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling.

Bij brief van 23 september 1999 heeft eiser verzocht om een vergunning tot verblijf vanwege tijdsverloop.

Bij beschikking van 30 november 1999 is de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Bij beschikking van 10 mei 2004 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en is eiser niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 28 december 2004 (AWB 04/25544) het beroep tegen laatstgenoemd besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

2. Bij het thans bestreden besluit van 30 januari 2006 is zowel het bezwaar betreffende de aanvraag om toelating als vluchteling als het bezwaar betreffende het niet verlenen van een verblijfsvergunning in verband met tijdsverloop in de asielprocedure, ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 24 februari 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op. Bij brief van 24 februari 2006 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. De gronden van het beroep en het verzoek zijn ingediend bij brief van 27 maart 2006 en aangevuld bij schrijven van 24 november 2006 en 29 november 2006. Op 10 april 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 27 november 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer A. Diaby, tolk in de Mandingo taal.

5. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Hij heeft in Liberia in de diamantmijn “Tonkville number 9” in het gebied Gorgo gewerkt en heeft zijn land verlaten vanwege het aanhoudende oorlogsgeweld aldaar. Zijn vader is in 1990 door rebellen gedood. Uit vrees zelf eveneens te worden gedood, heeft hij op 5 december 1993 zijn land verlaten.

III. BESTREDEN BESLUIT

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Liberiaanse nationaliteit bezit. Daartoe wordt verwezen naar de uitspraak van 30 januari 1997 van deze rechtbank. Uit het nader gehoor van 25 januari 1994 blijkt dat eiser geen wezenlijke informatie heeft kunnen verstrekken over Liberia en Monrovia. Daarnaast heeft hij onjuiste verklaringen afgelegd en is hij niet in staat gebleken de nationale feestdagen in Liberia te noemen. De verklaring die eiser hiervoor geeft, namelijk dat hij geen schoolopleiding heeft genoten, kan niet als afdoende worden aangemerkt.

De uitkomst van de taalanalyses, de inhoud van de weerwoorden en de reacties van het Bureau Land en Taal (hierna: BLT) daarop en de omstandigheid dat eiser geen wezenlijke informatie heeft kunnen verstrekken over Liberia en Monrovia, maakt dat volgens verweerder geconcludeerd dient te worden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Liberia, noch dat hij de Liberiaanse nationaliteit zou bezitten.

Voorts is eiser niet in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” omdat eiser volgens verweerder onjuiste gegevens over zijn afkomst heeft verstrekt.

IV. BEROEPSGRONDEN TEN AANZIEN VAN DE PROCEDURE

1.1 In de aanvulling op de beroepsgronden bij brief van 29 november 2006 heeft eiser gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord op het bezwaar dat is gemaakt tegen de weigering hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier op grond van tijdsverloop.

1.2 Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan dat op het bezwaar beslist belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

1.3 De rechtbank stelt vast dat de hoorplicht voor wat betreft het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning is geschonden, nu eiser in zoverre niet op zijn bezwaar is gehoord. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was immers gelet op de overwegingen van deze rechtbank van 28 december 2004 geen sprake. Daartegenover staat dat eiser op 10 maart 2005 wel is gehoord naar aanleiding van het bezwaarschrift gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag tot toelating als vluchteling. In dat gehoor is uitgebreid ingegaan op het standpunt van eiser ter zake de door verweerder verrichte taalanalyses. Gelet op de gronden van het bezwaar met betrekking tot de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning zoals geformuleerd in de brief van eiser van 20 juli 2004, die eveneens geheel betrekking hebben op de door verweerder verrichte taalanalyses, moet worden vastgesteld dat het afzonderlijk horen van eiser in de reguliere procedure in de onderhavige omstandigheden als een vormvoorschrift moet worden beschouwd. Op grond van het verslag van het gehoor op 10 maart 2005 en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door schending van dit vormvoorschrift. De rechtbank ziet hierin dan ook geen grond om het bestreden besluit te vernietigen.

2.1 In de aanvullende beroepsgronden van 24 november 2006 heeft eiser gesteld dat verweerder na bijna 13 jaar zijn recht heeft verwerkt om aan eiser tegen te werpen dat hij zijn Liberiaanse afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.2 Hoewel aan eiser moet worden toegegeven dat voor wat betreft de aanvraag om een vergunning om toelating als vluchteling sprake is van een uitzonderlijke lange procedure, bestaat er geen rechtsregel op grond waarvan uit de enkele lange duur van de procedure de door eiser gewenste conclusie moet worden getrokken. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

V. BEROEPSGRONDEN TEN AANZIEN VAN DE TAALANALYSES (REGULIER EN ASIEL)

1. Eiser heeft het standpunt van verweerder dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Liberia, betwist. Daartoe heeft eiser onder meer de volgende argumenten – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

a. Eiser heeft geen wezenlijke informatie kunnen verschaffen omdat het nader gehoor van 25 januari 1994 heeft plaatsgevonden in de Engelse taal, welke taal hij gebrekkig beheerst.

Er hebben zich, blijkens productie 61, vertaalproblemen voorgedaan.

b. Eiser heeft niet alle vragen die aan hem zijn gesteld volledig beantwoord omdat hij een zeer gebrekkige algemene ontwikkeling heeft.

c. Verweerder kan niet in redelijkheid verwijzen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 januari 1997, gelet op de taalanalyses en contra-expertises die daarna zijn verricht. Eiser heeft door middel van de contra-expertises zijn Liberiaanse afkomst genoegzaam aannemelijk gemaakt.

d. De deskundigen die door verweerder zijn ingeschakeld, zogenoemde native speakers zijn niet aan te merken als linguïstisch experts en derhalve ongeschikt voor het verrichten van een taalanalyse in het Mandingo. Het Mandingo is immers een supranationale en transnationale taal; klemtonen en accenten verschillen van gebied tot gebied. De door eiser ingeschakelde deskundigen zijn linguïstisch experts en academisch geschoold en zijn derhalve de aangewezen personen om de nationaliteit van een Mandingo-spreker te beoordelen.

e. De taalanalisten die door de IND worden ingeschakeld zijn geen linguïstisch experts hetgeen in strijd is met de “Guidelines for the Use of Language Analysis in Relation to Questions of National Origin in Refugee Cases van juni 2004 (hierna: de Guidelines).

f. In het bestreden besluit zijn de contra-expertises niet nader gemotiveerd weerlegd.

VI. OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN DE TAALANALYSES

1. Op 23 oktober 2002 heeft een taalanalyse plaatsgevonden; op basis daarvan zijn twee rapporten uitgebracht. Op 16 januari 2003 is door taalanalist MAD 1 een rapport uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Liberia. Op 12 maart 2003 is door taalanalist KRI 3 een rapport uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Guinee.

2. Op 18 april 2003 is door de gemachtigde van eiser middels een eerste contra-expertise van Dr. Cl. Grégoire (hierna: Grégoire) gereageerd op het rapport van taalanalyse van MAD 1. Volgens Grégoire is er geen enkele zekerheid te geven over de taalkundige basis in de situatie van eiser, noch ter ontkrachting noch ter bevestiging van zijn verklaringen, maar is het wel mogelijk vast te stellen dat eiser mogelijk uit Liberia afkomstig is.

Op 2 februari 2004 is door het BLT van de Immigratie- en Naturalisatiedienst een weerwoord uitgebracht op deze contra-expertise (hierna: BLT 1). Vervolgens heeft professor Baudouin Janssens hierop gereageerd. Tevens heeft [naam], universitair docent departement Culturele Antropologie / Ontwikkelingssociologie aan de rijksuniversiteit Leiden, (co-)auteur van vijf boeken met Maninkateksten en vertalingen, zijn reactie gegeven.

3. Vervolgens heeft eiser in september 2004 een tweede contra-expertise laten uitvoeren door Dr. F. Ngom (hierna: Ngom) van de Western Washington University. Volgens Ngom is eiser waarschijnlijk (“likely”) afkomstig uit Liberia.

Hierop heeft het BLT een weerwoord uitgebracht op 6 oktober 2004 (hierna: BLT 2). Vervolgens heeft Ngom hierop een inhoudelijke reactie gegeven. Tevens is bij brief van 21 september 2005 een reactie van [naam] van de Taalstudio overgelegd. Op 17 januari 2006 is een weerwoord uitgebracht door het BLT (hierna: BLT 3).

4. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 26 augustus 2003, mag verweerder in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit, dan wel het land of de plaats van herkomst van een vreemdeling, een taalanalyse laten uitvoeren. Door dat te doen, komt verweerder de vreemdeling tegemoet in de voldoening van de op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, indien twijfel gerezen is aan de gestelde herkomst. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan de vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. De vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweeg brengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan. Door het achterwege laten van een contra-expertise blijft de gerezen twijfel aan identiteit en nationaliteit bestaan.

5. De rechtbank stelt voorop dat hetgeen eiser heeft gesteld omtrent de deskundigheid van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten geen concreet aanknopingspunt bevat om aan de deskundigheid te twijfelen. Niet betwist is dat zij op zorgvuldige wijze zijn geselecteerd, onder voortdurende kwaliteitscontrole staan en dat de werkzaamheden van de analisten zijn gecontroleerd door academisch opgeleide taalkundigen. In dat verband acht de rechtbank van belang het antwoord van verweerder (neergelegd in Tweede Kamer der Staten-Generaal uit het vergaderjaar 2005-2006, nummer 328), naar aanleiding van vragen van het kamerlid De Wit, dat de taalanalyses van de IND voldoen aan de hoogste wetenschappelijke standaarden en dat de linguïsten die elke taalanalyse controleren, allen een taalkundige opleiding op academische niveau hebben afgerond en ervaring hebben met het zelfstandig uitvoeren van wetenschappelijk taalkundig onderzoek. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen reden om aan de juistheid van deze antwoorden te twijfelen.

Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende grond aanwezig om te kunnen stellen dat de taalanalyses waar verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit op heeft gebaseerd, niet voldoen aan de door eiser genoemde Guidelines. Hieruit volgt dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag om toelating in beginsel van deze adviezen mocht uitgaan. Dit is eerst anders indien eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel biedt aan de juistheid en volledigheid van de deskundigenberichten.

6. Ten aanzien van de deskundigheid van de door eiser ingeschakelde contra-experts overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de deskundigheid en onafhankelijkheid van de contra-experts. Door verweerder is betoogd dat aan hun deskundigheid zou moeten worden getwijfeld omdat zij geen native speakers zijn, maar de rechtbank deelt die mening niet. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 8 juli 2005 van de Afdeling (JV 2005, 426) waarin de Afdeling heeft overwogen dat de rechtbank de enkele omstandigheid dat de opsteller van de contra-expertise geen zogenaamde native speaker is, terecht onvoldoende heeft geacht om deze niet deskundig te achten. Verder wordt de deskundigheid van Dr. Cl. Grégoire, voormalig hoofd van afdeling Linguistiek en Etnomusicologie van het MRAC (Koninklijk museum voor Midden-Afrika) te Tervuren in België, nader ondersteund door Prof. Hon. [naam] van het Royal Museum for Central Africa en door [naam], universitair docent departement Culturele Antropologie / Ontwikkelingssociologie van de Universiteit Leiden, (co-)auteur van vijf boeken met Maninkateksten en vertalingen. De deskundigheid van Dr. F. Ngom, een gepromoveerd linguïst en als taalkundige verbonden aan de Western Washington University, wordt nader ondersteund door [naam] van de Taalstudio.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming zich niet op basis van de verrichte taalanalyses en de motivering zoals die in het bestreden besluit is opgenomen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Liberia. Evenmin heeft verweerder zich op basis van de taalanalyses op het standpunt kunnen stellen dat eiser eenduidig uit Guinee afkomstig is. De door de vreemdeling overgelegde contra-expertises overstijgen namelijk naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate het plaatsen van enkele kritische kanttekeningen en bieden voldoende aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyses te twijfelen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

8. De conclusie in het rapport taalanalyse van 16 januari 2003 (MAD1) dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak en cultuurgemeenschap binnen Liberia is op de volgende waarnemingen gebaseerd:

A. Eiser geeft weinig gedetailleerde informatie over zijn leefomgeving en over Liberia.

Ngom heeft daar echter tegen ingebracht dat cruciale informatie van eiser mogelijk verkeerd is begrepen. Als voorbeeld noemt MAD1 eisers informatie over een berg die in het uiterste noorden van Liberia ligt, op de grens met Guinee, niet in zijn beweerde leefomgeving. Ngom betwijfelt of eiser daarbij over een specifieke berg sprak; waarschijnlijk refereerde hij aan de bergen in Bong County of in Nimba, bij de grens met Guinee; beide bergen zijn dichtbij de leefomgeving van eiser.

B. Eiser spreekt Madingo, maar niet zoals dat gangbaar is in Liberia.

Door Ngom wordt deze stelling echter betwist. Volgens Ngom spreekt eiser gemengd Madingo net als veel Liberiaanse Madingo’s die in de grensgebieden leven. Op het eerste gezicht lijkt de taal volgens Ngom identiek aan de Guinese of Sierraleoonse variant van het Madingo, maar bij diepere bestudering ervan ziet Ngom trekken die niet gangbaar zijn in Sierra Leone of Guinee. Ngom wijst er op dat in Liberia vier groepen Madingo’s zijn te onderscheiden. Ngom concludeert dat eiser waarschijnlijk uit Somai, Liberia afkomstig is, waarbij hij veel waarde hecht aan aan de ligging van Somai op 4 mijl afstand van de grens van Guinee. Een streek die bovendien gekarakteriseerd wordt door volksbewegingen.

In het rapport van BLT 2 is deze conclusie van Ngom betwist. Volgens het BLT zijn de trekken die Ngom noemt in verband met Sierra Leone, in werkelijkheid Guinese trekken. In de spraak van eiser is volgens BLT geen enkel element aanwijsbaar dat hem eenduidig in Liberia plaatst.

In dat verband wijst BLT er op dat eiser geen kennis heeft van het Kpelle, hoewel dat een belangrijke voertaal is in Bong County.

In reactie op laatstgenoemd rapport heeft Ngom echter aangegeven dat door het BLT geen rekening is gehouden met de complexiteit van de sociolinguistische situatie in de streek. Volgens Ngom heeft Liberia één van de meest complexe Madingo spreekgemeenschappen in de regio.

Ngom houdt gemotiveerd vast aan zijn standpunt dat de verschillende trekken in de taal van eiser overeenkomen met sprekers van Madingo uit Liberia. Verder wijst hij erop dat eiser niet is gevraagd naar zijn kennis van het Kpelle.

C. Eiser spreekt slechts een beetje Engels en met een tongval die hem eenduidig buiten Liberia plaatst.

Daar is door Ngom tegen ingebracht dat de leenwoorden die hij gebruikt, worden beïnvloed door zijn moedertaal, hetgeen typisch is voor ongeletterden. Zijn Engelse spraak is typisch voor niet opgeleide Liberianen en andere niet opgeleide West-Afrikanen.

D. Eiser gebruikt in zijn Madingo een woord voor “berg” dat niet gangbaar is in Liberia.

Volgens Grégoire is dat juist een bewijs dat hij mogelijk uit Liberia komt. Ngom bevestigt in zoverre de conclusie van Grégoire.

E. Eiser gebruikt met regelmaat Franse leenwoorden door zijn Mandingo. Dit is niet gangbaar in Liberia; het is kenmerkend voor Mandingo sprekers van Franstalige landen. In het rapport van BLT 1 is er voorts op gewezen dat het gebruik van leenwoorden logisch is, maar dan niet uit het Frans; dit is geen voertaal in Liberia. Eiser is niet in staat om een gesprek in het Engels te voeren, hij kan in die taal niet eens tellen; Engels is de algemeen gangbare voertaal van Liberia.

Prof. B. Janssens heeft in dit verband echter opgemerkt dat niet meer dan 20% of 30 % van de Liberianen Engels spreekt. Ngom heeft dit bevestigd en er op gewezen dat er, omdat eisers dorp dichtbij de grens met Guinee ligt (4 mijl ervandaan), waarschijnlijk meer interactie is geweest met Guinee dan met Liberia. Daarom is er waarschijnlijk abusievelijk vanuit gegaan dat hij uit Guinee afkomstig is.

9. De conclusie in het rapport taalanalyse van 12 maart 2003 van KRI 3 dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Guinee is op de volgende waarnemingen gebaseerd:

A. Eiser geeft weinig gedetailleerde informatie over zijn beweerde leefomgeving in Liberia.

B. Eiser spreekt Madingo zoals dat gangbaar is in Guinee.

Zoals hiervoor is aangegeven, wordt deze stelling echter gemotiveerd betwist door Ngom.

C. Eiser gebruikt veel Franse leenwoorden door zijn Mandingo, zoals gangbaar is in Guinee.

Ook deze stelling is, zoals hiervoor is aangegeven, door Ngom gemotiveerd betwist.

D. Eiser gebruikt Bambara woorden die gangbaar zijn onder Mandingo’s in de regio Siguiri in Guinee, het grensgebied met Mali.

Prof. B. Janssens heeft er in dit verband echter op gewezen dat Bambare en Maninka geen verschillende talen zijn, maar dialecten van elkaar. Ngom heeft dit bevestigd en voegt daaraan toe dat Bambara ook in diverse andere landen wordt gesproken. Invloeden van Bambara op de spraak van inwoners van de grensplaats Somai (Somaya) zijn niet vreemd, aldus Ngom.

E. Eiser heeft een woord uit het Krio van Sierra Leone gebruikt.

Ngom heeft daar tegen ingebracht dat de oorsprong van het gebruikte woord Madingo is.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of de contra-expertises de bij verweerder bestaande twijfel over afkomst van eiser, kunnen wegnemen. Daarbij is van belang dat de twijfel van verweerder is gebaseerd op het nader gehoor van eiser van 25 januari 1994. De taal waarin eiser destijds is gehoord is Engels. In het gehoor geeft eiser, volgens verweerder, geen wezenlijke informatie, onjuiste verklaringen en geen antwoorden op bepaalde voor de hand liggende vragen over Liberia. Echter, aan dit rapport kan slechts weinig betekenis worden toegekend nu uit de taalanalyses is gebleken dat hij nauwelijks Engels spreekt en niet in staat is een gesprek te voeren in het Engels.

Weliswaar heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 30 januari 1997 in rechtsoverweging II.7 overwogen dat eiser zijn stelling dat hij uit Liberia afkomstig is, op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen, maar in het licht van hetgeen uit de nadien verrichte taalanalyses bekend is geworden, mocht verweerder niet meer van dat oordeel uitgaan. Van belang is in dit verband dat uit het rapport BLT1 blijkt dat eiser niet in staat is om een gesprek te voeren in het Engels.

Weliswaar kon eiser volgens de door verweerder ingeschakelde taalanalisten bij de taalanalyses eveneens weinig gedetailleerde informatie geven over zijn leefomgeving in Liberia, maar de gesprekken die in dat verband zijn gevoerd kunnen niet gelijk worden gesteld aan een gehoor; reeds omdat er geen verslag van is gemaakt dat door alle partijen en de rechter kan worden gelezen. Bovendien zijn ook op dit punt kanttekeningen geplaatst door Ngom.

11. De rechtbank concludeert dat het standpunt van verweerder dat de afkomst van eiser niet wordt geloofd een deugdelijke motivering ontbeert en niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daaruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb in rechte geen stand kan houden. Het beroep is gegrond. Het besluit zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag te beslissen.

12. Gelet hierop, komt de rechtbank niet aan toe aan hetgeen overigens door eiser is aangevoerd.

VII. TEN AANZIEN VAN HET VERZOEK OM EEN VOORLOPIGE VOORZIENING

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

VIII. TEN AANZIEN VAN DE PROCESKOSTEN

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VIII . BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/10159

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/10162

- wijst het verzoek af.

In beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen – van der Hoek, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: EW

Coll:

B:

Tegen de uitspraak, voorzover beftreffend de aanvraag om toelating als vluchteling, staat geen rechtsmiddel open. Voorzover deze uitspraak betreft de aanvraag om een vergunning tot verblijf vanwege tijdsverloop, staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.