Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7568

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/34879
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Congolese Tutsi / documentloosheid bij minderjarige / geloofwaardigheid

Verweerder heeft niet in redelijkheid kunnen beslissen dat eiseres geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent haar (reis)route heeft afgelegd. Niet valt in te zien waarom het door eiseres opgegeven adres van de vriendin van haar moeder en de naam van de boot waarmee eiseres de rivier de Kongo is overgestoken, niet zouden kunnen worden aangemerkt als “verifieerbare elementen” als bedoeld in paragraaf C1/5.8.3 van de Vc 2000. Het gebrek aan gedetailleerde en verifieerbare verklaringen ten aanzien van het middendeel van de reisroute, dat per vliegtuig is afgelegd, heeft verweerder eiseres niet in redelijkheid kunnen verwijten. Groot gewicht is hierbij toegekend aan de omstandigheid dat eiseres ten tijde van de reis slechts vijftien jaar oud was en rekening is gehouden met het bepaalde in de eerste volzin van paragraaf 214 van het UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status, luidende dat de vraag of een alleenstaande minderjarige in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus beantwoord moet worden met inachtneming van de mate van geestelijke ontwikkeling van het kind. Het moge zo zijn dat het Handbook geen bindende rechtsregels bevat, maar het bevat wel waardevolle aanwijzingen bij het beantwoorden van de vraag of een asielzoeker in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus. Ook het standpunt van verweerder dat hij het relaas van eiseres niet geloofwaardig acht, kan geen stand houden. Door verweerder is ten eerste niet onderzocht of de door eiseres aangedragen redenen al dan niet een plausibele verklaring (kunnen) vormen voor het feit dat haar kennis inzake de Banyamulenge (Congolese Tutsi’s) beperkt is. Voorts valt niet in te zien waarom hetgeen eiseres heeft verklaard over de dood van haar moeder en het afbranden van haar huis niet zou stroken met de informatie over de DRC die uit het ambtsbericht inzake de DRC van juni 2004 en een rapport van BBC News van 3 juni 2004 naar voren komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/34879 BEPTDN

V-nr.: 270.492.3051

inzake:[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1988, burger van de Democratische Republiek Congo (DRC), wonende te AZC Middelburg, eiseres,

gemachtigde: mr. W.M. Hompe, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Jansen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 30 augustus 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 13 mei 2005 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 13 juni 2005 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 1 juli 2005, verzonden op 5 juli 2005, heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 1 augustus 2005 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 31 augustus 2005. Op 4 november 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij brief van 25 februari 2006 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld. In het verweerschrift van 5 april 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 16 juni 2006 heeft eiseres haar standpunt nog nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J.B. Kabasubabu, tolk in de Lingala taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is afkomstig uit de DRC, behoort tot de bevolkingsgroep der Manyamulenge (ook wel genoemd Banyamulenge of Congolese Tutsi’s) en is afkomstig uit Bukavu, provincie Kivu.

Eiseres stelt problemen te hebben ondervonden vanwege haar etnische achtergrond. De vader van eiseres behoorde tot de bevolkingsgroep van de Banyamulenge en haar moeder behoorde tot de Bashi-bevolkingsgroep. Eiseres heeft van 1988 tot 1997 in Bukavu, Kivu, gewoond. De vader van eiseres is overleden in 1994. In 1997 is eiseres met het gezin naar Kinshasa verhuisd, alwaar zij verder is opgegroeid. Op 9 juni 2004 is eiseres naar de kapper, genaamd [naam kapper], gegaan. [naam kapper] was de dochter van mama [naam] die een vriendin was van de moeder van eiseres. Toen eiseres terug kwam van de kapper hoorde zij van de zoon van mama [naam] dat er onrust was ontstaan in de wijk en dat veel mensen op de vlucht waren geslagen. Hij adviseerde eiseres om naar huis te gaan. Onderweg naar huis kwam eiseres een vrouw tegen die haar en haar moeder iedere dag brood verkocht; eiseres noemde deze vrouw “mama Brood”. Mama Brood vertelde eiseres dat de moeder van eiseres was gedood en dat het huis waar eiseres met haar moeder woonde was afgebrand. Mama Brood adviseerde eiseres om niet naar huis terug te keren. Mama Brood heeft eiseres toen naar mama [naam] gebracht. Eiseres raakte overstuur en raakte buiten bewustzijn. Toen zij was bijgekomen, werd zij door mama [naam] en diens echtgenoot naar de Kongo rivier gebracht. Met een boot is eiseres samen met mama [naam] naar Congo-Brazzaville gereisd. Tot 22 juli 2004 heeft eiseres in een hotel gebleven. Op 22 juli 2004 heeft eiseres afscheid genomen van mama [naam] en diens echtgenoot en is zij met een man, genaamd [naam echtgenoot], naar de luchthaven gegaan. Op 22 juli 2004 is eiseres per vliegtuig naar Nederland gereisd alwaar zij op 23 juli 2004 is aangekomen. Eiseres denkt dat de problemen die haar zijn overkomen verband houden met haar Banyamulenge afkomst omdat zij het uiterlijk heeft van een Banyamulenge en dat zij bij terugkeer naar de DRC net als haar moeder zal worden gedood.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder is van mening dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Blijkens het bestreden besluit, het daarin ingelaste voornemen, het verweerschrift en verweerders toelichting op zijn standpunt ter zitting heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat hij het relaas van eiseres ongeloofwaardig acht, nu eiseres toerekenbaar geen documenten ter staving van haar reisroute heeft overgelegd noch gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute heeft gegeven, en er voorts van haar relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat, indien dient te worden uitgegaan van de verklaringen van eiseres, het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is. In het kader van de beoordeling van een mogelijke aanspraak op verblijf uit hoofde van de a- en de b-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 heeft verweerder in dit verband overwogen dat de problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden niet van persoonlijke aard zijn geweest en dat niet kan worden aangenomen dat eiseres bij terugkeer naar de DRC om enigerlei reden de bijzondere aandacht van de autoriteiten heeft te verwachten. Bovendien is de gestelde etniciteit niet aannemelijk gemaakt.

In het kader van de beoordeling van een mogelijke aanspraak op verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en sub d, van de Vw 2000 heeft verweerder overwogen dat als eiseres aannemelijk zou hebben weten te maken zij de door haar gestelde etniciteit heeft, zij dan zou behoren tot een categorie asielzoekers voor wie naar het oordeel van verweerder terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid is in verband met de algehele situatie aldaar. Eiseres heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft tot slot betoogd dat eiseres evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Eiseres heeft dermate ongeloofwaardige en summiere verklaringen afgelegd dat er in casu sprake is van frustratie van het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst.

2. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiseres heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij zich beroept op de a-grond, de b-grond en de d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Tegen verweerders primaire standpunt heeft eiseres - samengevat - het volgende naar voren gebracht. Allereerst is aan eiseres ten onrechte tegengeworpen dat zij toerekenbaar ongedocumenteerd is.

Voorts is eiseres gemotiveerd en onderbouwd met stukken opgekomen tegen verweerders standpunt dat aan haar relaas geen positieve overtuigingskracht zou toekomen. Naast het primaire standpunt heeft eiseres ook verweerders subsidiaire standpunt inzake de zwaarwegendheid van het relaas bestreden. In het kader van haar beroep op de d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 heeft eiseres gewezen op hetgeen zij heeft aangedragen over haar Banyamulenge afkomst. Eiseres heeft tot slot betoogd dat haar ten onrechte een amv-vergunning is onthouden.

IV. OVERWEGINGEN

Relevante bepalingen

1. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

(...)

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

De tegenwerping dat eiseres toerekenbaar documentloos is

3.1 Gelet op de gronden van beroep is allereerst aan de orde de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar ongedocumenteerd in Nederland is gearriveerd.

3.2 Uit het beleid van verweerder, zoals neergelegd in hoofdstuk C1/5.8.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, volgt dat indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dit de betrokkene kan worden toegerekend, dit voldoende is voor de algemene conclusie dat sprake is van het “toerekenbaar ontbreken van documenten”.

Op basis van ditzelfde beleid kan in het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, de asielzoeker blijk geven van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

3.3 De rechtbank begrijpt verweerders standpunt terzake van het ontbreken van documenten, gelet op hetgeen hieromtrent in de bestreden beschikking is overwogen en in aanmerking genomen verweerders toelichting hierop ter zitting, aldus dat verweerder eiseres slechts tegenwerpt dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute, omdat zij geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over de reisroute en haar verklaringen evenmin heeft gestaafd met enig bewijs.

3.4 De rechtbank stelt op grond van het verslag van het eerste gehoor vast dat eiseres terzake van haar reis(route) uitsluitend een treinkaartje heeft overgelegd van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam]. Niet is in geschil dat eiseres overigens geen enkel document ter onderbouwing van haar reisroute heeft overgelegd. Verweerder meent dat eiseres dit ontbreken van documenten terzake van de reis niet heeft gecompenseerd met consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen. Eiseres heeft erop gewezen dat zij wel degelijk een aanzienlijk aantal verklaringen heeft afgelegd over haar reis(route) en over de redenen waarom documenten ten bewijze van de reisroute ontbreken; bovendien meent eiseres dat verweerder, met name gelet op de leeftijd van eiseres, van haar niet meer had mogen verwachten. In dat verband heeft eiseres (onder meer) gewezen op hetgeen is neergelegd in de paragrafen 213 tot en met 219 van het UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status.

3.5 Blijkens het verslag van het eerste gehoor heeft eiseres omtrent de reis(route) en het ontbreken van documenten ter onderbouwing van de reisroute het volgende verklaard. Op 9 juni 2004 is zij naar mama [naam] gegaan op het adres [adres], wijk [wijknaam], gemeente [plaatsnaam]. Die nacht is eiseres samen met mama [naam] en haar gezin vertrokken naar Brazzaville. Met de auto zijn zij naar de rivier de Kongo gereden. Dit was na acht uur ’s avonds. Vervolgens zijn zij de rivier overgestoken naar Brazzaville. Er waren veel mensen van de Verenigde Naties (VN) die probeerden naar de andere kant te gaan. Er waren veel mensen en er moest veel geld betaald worden om over te steken. Met een bootje genaamd “[naam]” zijn zij overgestoken. Toen zij de boot opgingen vond controle van de bagage op aanwezigheid van gevaarlijke voorwerpen plaats. De volwassenen moesten hun identiteitskaart laten zien maar kinderen hoefden dat niet. Er waren geen problemen bij de controle. Aan de andere kant van de rivier moesten eiseres, mama [naam] en de familieleden van mama [naam] een stuk lopen. De man van mama [naam], Papa [naam], heeft een vriend gebeld die hen naar een hotel heeft gebracht in de stad Brazzaville. Op 10 juni 2004 zijn zij bij de man die hen het hotel had gewezen, genaamd [hotel naam], gaan wonen. Zij zijn in Brazzaville gebleven tot 22 juli 2004. Op die dag zijn zij naar de luchthaven gegaan met de hele familie. Eiseres weet de naam van de luchthaven niet maar het was wel de luchthaven van dat land. Om bij de luchthaven te komen moesten zij een klein stukje rijden met de auto. Papa [naam] is naar een kantoor gegaan en kwam daarna naar buiten met [naam], een blanke, Engels sprekende man. Eiseres moest vervolgens afscheid nemen van de familie. Eiseres is daarna vertrokken met [naam] terwijl de anderen achterbleven. Eiseres en [naam] zijn door een controle gegaan op de luchthaven. [naam] liet daarbij een map zien die hij van mama [naam] had gekregen met daarin papieren. Eiseres heeft deze papieren nooit zelf in handen gehad.

Toen Papa [naam] haar had overgedragen aan [naam] dacht eiseres dat [naam] haar zou helpen. Eiseres vertrouwde hem en dacht niet dat hij iets verkeerds zou doen. Bij de controle werd er naar eiseres gekeken. Er waren geen problemen. [naam] en eiseres zijn ’s nachts naar een ander land gevlogen. Eiseres weet niet welk land dit was. Zij weet ook niet hoe lang de vlucht duurde. Het was donker en er waren geen mensen te zien. In het andere land vond wederom een controle plaats. [naam] en eiseres zijn overgestapt op een ander vliegtuig. Eiseres heeft tijdens de eerste vlucht geslapen. Zij weet niet met welke luchtvaartmaatschappij zij heeft gevlogen. Zij weet ook niet wat voor uniformen de stewardessen aanhadden. Zij had daar geen aandacht voor omdat zij huilde. Met het tweede vliegtuig is eiseres samen met [naam] naar Nederland gekomen. Het uniform dat de stewardessen in het tweede vliegtuig aanhadden was wit met blauw. Eiseres is hier op 23 juli 2004 aangekomen. Op de luchthaven moest [naam] papieren laten zien. Vervolgens zijn [naam] en eiseres met de trein naar een grote stad gegaan. Daar liepen veel mensen op het station. Eiseres en [naam] zijn naar een terras van een café gegaan. [naam] heeft daar frisdrank gekocht voor eiseres. Op een gegeven moment zei hij dat eiseres even moest wachten omdat hij iets moest regelen.

Hij is weggegaan en is lang weggebleven. Eiseres heeft hem niet meer gezien en is gaan rondlopen. Zij heeft mensen vragen gesteld, maar niemand begreep haar. Een blanke man vroeg of zij Frans of Engels kon spreken, waarop eiseres antwoordde dat zij Frans kon spreken. Hij heeft eiseres naar een politiebureau verwezen. Eiseres ging naar het politiebureau, zij was eerst bang, maar is toch naar binnen gegaan. Daar moest zij wachten tot er iemand kwam die Frans sprak. Die persoon heeft eiseres veel vragen gesteld. Van hem heeft eiseres vervolgens een treinkaartje gekregen van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam]. Deze man heeft eiseres naar het station gebracht en in de trein gezet. Eiseres had ook een routebeschrijving bij zich.

3.6 De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat eiseres concrete verklaringen heeft afgelegd over de vervoermiddelen waarvan gebruik is gemaakt, waarbij zij van het tweede vervoermiddel, de boot waarmee de rivier de Kongo is overgestoken, ook de naam heeft genoemd en gedetailleerd over de controle heeft verteld die plaatsvond alvorens zij aan boord mocht gaan.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiseres concrete data en, ten aanzien van het reizen per auto en het reizen per vliegtuig, ook een concrete aanduiding van tijd heeft gegeven waarop de verschillende onderdelen van de reis zijn gemaakt.

Voorts heeft eiseres de bij haar reis betrokken personen met naam genoemd, waarbij zij de persoon van [naam] nader heeft omschreven als een blanke, Engels sprekende man, en heeft zij verklaard welke rol ieder van deze personen had in de organisatie van de reis - mama [naam] had de papieren geregeld, papa [naam] legde het contact met [naam], [naam] regelde het verblijf in Brazzaville, [naam] begeleidde eiseres verder op haar reis.

Ter verklaring van de omstandigheid dat eiseres zelf de map met (reis)papieren nimmer in handen heeft gehad heeft zij gezegd dat papa [naam] haar had overgedragen aan [naam] en dat zij op [naam] vertrouwde.

Het geheel van de door eiseres afgelegde verklaringen omtrent de reis(route) en het ontbreken van documenten ten bewijze daarvan in ogenschouw genomen is de rechtbank van oordeel dat niet zonder nadere motivering kan worden volgehouden dat eiseres geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd op dit punt. Niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien naar dezerzijds oordeel dat, en waarom, het door eiseres opgegeven adres van mama [naam] en de naam van de boot waarmee eiseres de rivier de Kongo is overgestoken, niet zouden kunnen worden aangemerkt als “verifieerbare elementen” als bedoeld in bovengenoemd beleid.

3.7 De rechtbank is niet ontgaan dat eiseres het begin van de reis - de overtocht met de boot en het verblijf in Brazzaville - en het eind van de reis tamelijk gedetailleerd heeft omschreven en dat dit niet, althans niet in dezelfde mate, kan worden gezegd ten aanzien van het middendeel van de reis, dat per vliegtuig is afgelegd. Het enige concrete detail dat eiseres ten aanzien van dit onderdeel van de reis heeft verstrekt is dat in het laatste vliegtuig de stewardessen gekleed waren in wit-blauwe uniformen. De rechtbank begrijpt verweerders standpunt aldus dat verweerder eiseres met name dit gebrek aan gedetailleerde en verifieerbare verklaringen ten aanzien van het middendeel van de reisroute verwijt.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres dit verwijt niet in redelijkheid heeft kunnen maken. Hierbij heeft de rechtbank groot gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiseres ten tijde van de reis slechts vijftien jaar oud was, en dat eiseres ter verklaring van het gebrek aan informatie over het middendeel van de reis heeft meegedeeld dat zij heeft geslapen in het vliegtuig en ook heeft gehuild en dat zij daarom niet goed oplette. Met name gelet op de leeftijd van eiseres ten tijde van de reis kan naar dezerzijds oordeel niet, althans niet zonder nadere motivering, worden volgehouden dat dit onvoldoende verklaring zou bieden voor het feit dat eiseres minder alert was op hetgeen om haar heen gebeurde tijdens de eerste vlucht, reden waarom zij, naar eigen zeggen, omtrent dit deel van haar reis veel minder concrete informatie heeft weten te verschaffen. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming op dit punt ook acht geslagen op het bepaalde in de eerste volzin van paragraaf 214 van het UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status, luidende dat de vraag of een alleenstaande minderjarige in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus beantwoord moet worden met inachtneming van de mate van geestelijke ontwikkeling van het kind.

Het moge zo zijn dat het Handbook geen bindende rechtsregels bevat, maar het bevat wel waardevolle aanwijzingen bij het beantwoorden van de vraag of een asielzoeker in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus.

3.9 Op grond van al het hierboven in IV.3.1 tot en met IV.3.8 overwogene, bezien in onderling verband en samenhang, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat eiseres het ontbreken van documenten terzake van de reis niet heeft gecompenseerd met consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen.

Hieruit vloeit logischerwijze voort dat verweerder zich evenmin in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar ongedocumenteerd in Nederland is gearriveerd en dat verweerder eiseres niet in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen.

De verdere beoordeling van verweerders standpunt inzake de geloofwaardigheid van het relaas

4.1 Nu verweerder eiseres niet in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen heeft verweerder zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres ten onrechte de vraag gesteld of van het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht uitgaat.

Als zich geen van de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, voordoet - waarvan gelet op het hierboven gegeven oordeel dient te worden uitgegaan - dient beoordeling van de geloofwaardigheid ingevolge het beleid van verweerder en bestendige jurisprudentie plaats te vinden aan de hand van het beoordelingskader bestaande uit - slechts - de vragen of de asielzoeker alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord, of het relaas innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en of het relaas strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is (het “lichtere” geloofwaardigheidsbeoordelingskader). Het beoordelingskader dat wordt gehanteerd bij de vraag of aan een asielrelaas positieve overtuigingskracht toekomt behelst naast genoemde vragen nog een aantal additionele voorwaarden, te weten dat er geen vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen, en vormt daardoor een zwaardere drempel.

4.2 De rechtbank stelt op grond van de in het voornemen en de beschikking gebezigde argumentatie en de in die stukken gebruikte bewoordingen en formuleringen vast dat verweerders primaire standpunt tot stand is gekomen aan de hand van beantwoording van de vragen van het “lichtere” geloofwaardigheidsbeoordelingskader. Die argumentatie behelst dat eiseres haar verklaringen omtrent de dood van haar moeder en het afbranden van de woning uitsluitend heeft gebaseerd op wat zij heeft gehoord van een derde, de verklaringen niet stroken met de informatie uit het ambtsbericht inzake de DRC van 23 augustus 2004, de vertrekdatum niet strookt met de datum die vermeld is op de bij eiseres aangetroffen vaccinatiekaart en eiseres haar gestelde Banyamulenge afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt omdat zij een aantal kennisvragen niet juist heeft beantwoord. Verweerder heeft eiseres blijkens het bestreden besluit en het voornemen niet expliciet tegengeworpen dat het relaas vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden bevat. De “additionele voorwaarden” die worden gehanteerd in het toetsingskader met behulp waarvan de vraag wordt beantwoord of een relaas positieve overtuigingskracht heeft, zijn door verweerder aldus niet, althans in ieder geval niet expliciet en kenbaar, gehanteerd.

Verweerders gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat verweerder de door eiseres gestelde feiten niet geloofwaardig acht, op grond van de bovengenoemde argumenten. Nu aldus feitelijk door verweerder niet het zwaardere, maar het “lichtere” geloofwaardigheids-beoordelingskader is gehanteerd, welk beoordelingskader dient te worden gehanteerd als geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 zich voordoet, ziet de rechtbank geen beletsel aanwezig om thans het primaire standpunt van verweerder te beoordelen in het licht van de tegen dit standpunt aangedragen beroepsgronden.

5. Ingevolge inmiddels bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is de maatstaf bij de te verrichten toetsing van het door verweerder ingenomen standpunt inzake de geloofwaardigheid niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechtbank de besluitvorming daaraan moet toetsen.

Volgens inmiddels eveneens bestendige jurisprudentie van de ABRS mag de rechtbank bij de beoordeling van het door verweerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt in het licht van de aangedragen beroepsgronden niet de elementen van het asielrelaas los van elkaar en ieder zelfstandig beoordelen en waarderen (de rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRS van

7 augustus 2006, nummer 200605044/1/V4).

6.1 Verweerder heeft zijn primaire standpunt, inhoudende dat het relaas niet geloofwaardig is, gefundeerd op de hierboven in IV.4.2 genoemde argumenten.

6.2 Eiseres heeft deze argumenten als volgt bestreden. Uit het feit dat eiseres slechts van mama [naam] heeft gehoord dat haar moeder is vermoord en het ouderlijk huis is afgebrand, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat de gebeurtenissen dus niet hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of - en daardoor ook onjuist geconcludeerd dat - er van etnische spanningen en gewelddadigheden ten aanzien van Congolese Tutsi’s geen sprake was in Kinshasa in de voor de beoordeling van deze zaak relevante periode, de eerste helft van 2004. Het ambtsbericht waar verweerder naar verwijst, vermeldt, hoewel summier, dat er wel degelijk gewelddadigheden hebben plaatsgevonden in Kinshasa. Andere bronnen, zoals BBC News, Human Rights Watch en Amnesty International maken uitgebreid melding van de onlusten naar aanleiding van de inname van Bukavu en van de etnische spanningen ten aanzien van Congolese Tutsi’s die worden geassocieerd met de Rwandezen en verantwoordelijk worden gehouden voor de inname van Bukavu en de invallen van het Rwandese leger in Oost-Congo. Voorts heeft eiseres er gemotiveerd op gewezen dat in haar visie het standpunt van verweerder, dat zij haar afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, niet gevolgd kan worden. Eiseres heeft tot slot aangedragen dat zij geen verklaring kan geven voor de onduidelijkheden rond de bij haar aangetroffen vaccinatiekaart.

7. De rechtbank ziet in de in overweging IV.5 genoemde jurisprudentie van de appèlrechter geen beletsel aanwezig om elk van de door verweerder gebezigde en door eiseres bestreden argumenten los te beoordelen aan de hand van hetgeen concreet tegen het betreffende argument is aangedragen. Dat komt immers niet neer op het los van elkaar en ieder zelfstandig beoordelen en waarderen van de elementen van het asielrelaas, maar behelst een beoordeling van elk van de door verweerder gebruikte redenen voor de bevinding dat het relaas ongeloofwaardig is, in het licht van hetgeen tegen elk van die redenen is aangedragen. De rechtbank zal derhalve hieronder overgaan tot een dergelijke beoordeling.

De geloofwaardigheid van de gestelde Banyamulenge afkomst

8.1 Ten aanzien van de gestelde Banyamulenge afkomst heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiseres geen Kinyarwanda spreekt, dat zij evenmin Swahili spreekt, de taal die de Tutsi’s volgens eiseres zouden spreken, en dat eiseres geen Tutsi’s herkent.

8.2 Eiseres heeft niet betwist dat zij geen Kinyarwanda en Swahili spreekt. Zij heeft er in beroep op gewezen dat zij een aantal kennisvragen over de Banyamulenge wel degelijk juist heeft beantwoord en dat er bovendien goede redenen zijn waarom haar kennis over de Banyamulenge beperkt is.

In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat zij in haar eerste gehoor heeft verklaard dat zij geboren is in Bukavu, dat de Tutsi’s voorkomen in Burundi en Rwanda, dat het verschil maken moeilijk is, en dat zij weet dat de Tutsi’s mager en lang zijn. Zij is lang geleden uit Bukavu vertrokken. Dit verklaart waarom zij de taal van de Banyamulenge niet spreekt. Op verweerders stelling dat eiseres geen Tutsi’s herkent heeft eiseres gereageerd door te wijzen op de informatie die in de ambtsberichten inzake de DRC van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2003 en maart 2005 wordt vermeld ten aanzien van Tutsi’s en de morfologie van Tutsi’s.

8.3 De rechtbank stelt op grond van het verslag van het eerste gehoor vast dat eiseres een aantal kennisvragen over de Banyamulenge wel heeft kunnen beantwoorden en, naar de rechtbank uit verweerders toelichting ter zitting heeft begrepen, dat ook correct heeft gedaan, en een aantal vragen niet heeft kunnen beantwoorden.

8.4 Voorts stelt de rechtbank op grond van de verslagen van het eerste en nader gehoor vast dat eiseres heeft verklaard dat zij in Kivu is geboren, dat haar vader tot de Banyamulenge (Congolese Tutsi’s) behoorde, dat hij in 1994, toen eiseres zes jaar oud was, is overleden, dat eiseres vervolgens met haar overige familieleden in 1997 naar Kinshasa is verhuisd en dat zij daar verder is opgegroeid, dat Kivu, waar veel mensen van de Banyamulenge stam wonen, ver van Kinshasa vandaan ligt, dat zij na de verhuizing naar Kinshasa niet meer teruggeweest is naar Kivu, en dat zij over Kivu niet veel weet.

8.5 In de zienswijze heeft eiseres in dit verband wederom gewezen op de verhuizing van Kivu naar Kinshasa.

8.6 De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op de door eiseres aangedragen verklaring voor haar geringe kennis omtrent de Banyamulenge, te weten de omstandigheid dat zij als jong kind al is vertrokken uit Kivu.

Aldus is door verweerder niet onderzocht of de door eiseres aangedragen redenen al dan niet een plausibele verklaring (kunnen) vormen voor het feit dat haar kennis inzake de Banyamulenge beperkt is. Naar dezerzijds oordeel berust het standpunt van verweerder, dat eiseres haar etnische afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, daardoor niet op een zorgvuldig onderzoek en is dit standpunt ontoereikend gemotiveerd.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over de dood van haar moeder en het afbranden van het huis, bezien in het licht van de door verweerder gehanteerde en door eiseres overgelegde informatie

9. Verweerder heeft overwogen dat de omstandigheid, dat eiseres slechts van een derde heeft gehoord over de dood van haar moeder en het afbranden van het huis, op zichzelf onvoldoende reden is om te twijfelen aan de verklaringen van eiseres. Nu het ambtsbericht van 23 augustus 2004 evenwel geen kennis draagt van geweldsincidenten in Kinshasa tegen Congolese Tutsi’s in de relevante periode ligt de weging, aldus verweerder in het bestreden besluit, anders. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat verweerder meent dat de verklaringen van eiseres niet stroken met de informatie in het ambtsbericht en dat het daardoor onwaarschijnlijk is dat de door eiseres gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

10.1 Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de DRC van juni 2004, door Buitenlandse Zaken op 23 augustus 2004 verzonden aan verweerder, vermeldt op pagina 30 het volgende.

In de gespannen verhoudingen tussen de DRC en Rwanda speelt de nationaliteitskwestie van de Congolese Tutsi (Banyamulenge) een grote rol. Vaak wordt door de regering in Kinshasa geen onderscheid gemaakt tussen de Banyamulenge en Rwandezen.

Rwanda en de Banyamulenge doen inderdaad een beroep op wederzijdse loyaliteit, maar tegelijkertijd wensen veel Banyamulenge erkend te worden als Congolezen, aangezien zij vaak al decennialang, en soms al generatieslang, op Congolees grondgebied wonen. (...)

Er zijn in de verslagperiode geen gevallen bekend van geweld tegen Banyamulenge (Congolese Tutsi) door de overheid of burgers in Kinshasa. (...)

Op de pagina’s 14 en 15 vermeldt het ambtsbericht het volgende.

Het mandaat van de VN-missie in de DRC (MONUC) werd bij Veiligheidsraadresolutie nr. 1493 van 28 juli 2003 verlengd tot 30 juli 2004. Bij dezelfde resolutie werd de geautoriseerde sterkte van MONUC gebracht op 10.800 man. (...)

Bij gevechten rondom de stad Bukavu, die eind mei 2004 begonnen, werd één militaire waarnemer van MONUC gedood en raakte een andere gewond. Naar aanleiding van de val van Bukavu begin juni 2004 keerde de Congolese bevolking zich op verschillende plaatsen in het land tegen MONUC en ander VN-personeel. In Kinshasa werden bij dergelijke protesten zeker twaalf demonstranten, voor het merendeel plunderaars, gedood door MONUC-militairen. Aanleiding voor de protesten was het feit dat de bevolking MONUC verantwoordelijk hield voor de val van Bukavu, omdat de

VN-vredesmacht niet had ingegrepen. (...)

Op de pagina’s 16 en 17 vermeldt het ambtsbericht het volgende.

Kinshasa

De politie, de strijdkrachten en de veiligheidsdiensten in Kinshasa worden nog steeds gecontroleerd door Kabila en zijn politieke getrouwen. Het feit dat politie en leger niet betaald worden, leidt tot grote gevoelens van onveiligheid bij de bevolking. (...) Na de inname van Bukavu door voormalige RDC-commandanten, braken in Kinshasa onlusten uit bij demonstraties tegen MONUC. Hierbij kwamen zeker twaalf personen om het leven, voornamelijk personen die aan het plunderen waren geslagen. In de verslagperiode vonden twee couppogingen plaats. Eind maart 2004 werden verscheidene militaire en burgerlijke doelen in Kinshasa aangevallen. De aanvallers waren waarschijnlijk voormalige militairen van de Forces Armees du Zaire (FAZ), loyaal aan Mobutu. De aanvallen werden afgeslagen door het regeringsleger. In juni 2004 deed een lid van de presidentiële garde en naaste medewerker van Kabila een poging de macht te grijpen, maar ook deze aanval werd afgeslagen door loyale troepen.

Op pagina 18 vermeldt het ambtsbericht het volgende.

Kivu’s

Begin maart 2004 maakte MONUC bekend tussen de 3500 en 4000 militairen in het oosten van het land (de Kivu’s en Maniema) te zullen inzetten. Het hoofdkwartier van deze brigade is gevestigd in Bukavu. De brigade is sinds eind mei 2004 gelegerd langs de gehele grens met Burundi.

De situatie in de Kivu’s is gespannen en begin juni 2004 ontaardde die spanning in de eerder beschreven inname van Bukavu door enkele voormalige RCD-commandanten. De spanningen hadden drie hoofdredenen. Steeds openlijker werd haat geuit tegen Congolese Rwandezen (Kinyarwanda-sprekenden). Radio-uitzendingen vanuit Goma in het Lingala predikten openlijk haat tegen de Congolese Rwandezen op een wijze die deed denken aan de uitzendingen van de Rwandese Radio Television Libre des Mille Collines in 1994. (...)

De Congolese Rwandezen (...) vormen in het zuidelijke deel van Noord-Kivu (het gebied dat beheerst wordt door de RCD-Goma) de meerderheid. (...)

Een derde reden voor de spanningen is de vermeende aanwezigheid van Rwandese regeringsmilitairen in de provincie. (...)

Op pagina 34 van het ambtsbericht staat het volgende.

In de nasleep van de korte inname van de Oost-Congolese stad Bukavu door rebellerende commandanten in de DRC in de eerste helft van juni 2004, kwam een stroom Congolese vluchtelingen op gang. In enkele dagen tijd trokken meer dan 30.000 vluchtelingen naar kampen in de provincie Cibitoke in Burundi. De meerderheid van de vluchtelingen waren Banyamulenge (Congolese Tutsi), die de DRC ontvluchtten omdat zij vergeldingsacties vreesden daar zij behoren tot

dezelfde etnische groep als de rebellerende commandanten verantwoordelijk voor de strijd in en rondom Bukavu.

10.2 Het door eiseres overgelegde rapport van BBC News van 3 juni 2004 vermeldt het volgende.

United Nations troops have shot dead three people as crowds attacked the UN compound in the Democratic Republic of the Congo capital, Kinshasa. Protestors in several Congolese cities have blamed the UN for failing to prevent the eastern town of Bukavu from falling to dissenting soldiers.

Recent fighting in the east has sparked fears that DR Congo’s fragile peace process may be unravelling. (...) A week of clashes has left dozens of people dead, and thousands have fled into Rwanda. (...)

11. De rechtbank is van oordeel dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien waarom hetgeen eiseres heeft verklaard over de dood van haar moeder en het afbranden van haar huis niet zou stroken met de informatie over de DRC in de hier relevante periode die uit de bovengenoemde bronnen naar voren komt.

Uit de hierboven in overweging IV.10 weergegeven informatie leidt de rechtbank af dat er eind mei 2004 gevechten in Bukavu ontstonden. Een van de oorzaken hiervan was de steeds openlijkere haat tegen Congolese Tutsi’s en de vermeende aanwezigheid van de aan deze bevolkingsgroep etnisch verwante Rwandezen in de provincie Kivu. Als gevolg van de gevechten rond Bukavu braken er vervolgens op verschillende plaatsen in het land, waaronder Kinshasa, ook onlusten, demonstraties en opstanden uit, gericht tegen de VN-troepenmacht, die in de ogen van de bevolking niet in staat was gebleken om Bukavu te beschermen. Bij die opstanden en onlusten vielen doden. Volgens het BBC-verslag vielen er tientallen doden.

De verklaring van eiseres over hetgeen is gebeurd sluit qua tijdsaanduiding - 9 juni 2004 - aan bij de periode die in genoemde bronnen wordt genoemd.

Van de door eiseres gestelde gebeurtenissen - het doden van haar moeder en het in brand steken van het huis - kan bezwaarlijk worden gezegd dat die niet passen bij, althans kunnen hebben plaatsgevonden in de context van de bovengenoemde opstanden waarbij slachtoffers vielen.

Nu de tijdsaanduiding en de aard der gebeurtenissen aansluiten bij de hierboven genoemde landeninformatie, kan in de enkele omstandigheid, dat bovengenoemde bronnen als doelwit van de opstandelingen en demonstranten met name de VN-vredesmacht MONUC noemen, en dat het ambtsbericht vermeldt dat er geen gevallen bekend zijn van geweld tegen Banyamulenge (Congolese Tutsi) door de overheid of burgers in Kinshasa, onvoldoende reden worden gevonden om de algemene conclusie te trekken dat de verklaringen van eiseres niet stroken met de informatie over de DRC. Daarbij is van belang dat geen van de bronnen vermeldt dat er alleen onder medewerkers van de VN / MONUC slachtoffers zijn gevallen en niet (ook) onder de burgerbevolking.

Van belang hierbij is voorts dat eiseres niet heeft verklaard dat haar moeder is gedood en het huis is afgebrand omdat zij zelf half Banyamulenge is en haar overleden vader Banyamulenge was. Eiseres weet niet precies wie hierachter heeft gezeten en wat het motief is geweest. Wel heeft eiseres aangegeven dat zij vermoedt dat genoemde etniciteit te maken heeft met hetgeen is gebeurd. Nu het ambtsbericht als één van de oorzaken van de problemen de groeiende haat tegen de Congolese Tutsi’s noemt en voorts vermeldt dat deze bevolkingsgroep vluchtte uit angst voor vergeldingsacties kan bezwaarlijk gezegd worden dat dit vermoeden van eiseres van ieder realiteitsgehalte is verstoken.

12. Gelet op het hierboven overwogene kunnen de argumenten, dat de door eiseres gestelde etniciteit niet geloofwaardig is en dat de verklaringen van eiseres niet passen in de informatie omtrent de DRC, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb geen stand houden.

Het vaccinatieboekje

13. Het overwogene in VI.12 brengt mee dat het geloofwaardigheidsstandpunt van verweerder thans nog slechts gedragen wordt door één resterend argument, te weten dat de door eiseres gestelde datum van vertrek uit de DRC, 9 juni 2004, niet strookt met de datum die vermeld is als afgiftedatum in het bij eiseres aangetroffen vaccinatieboekje en de datum waarop eiseres in de DRC ingeënt zou zijn tegen gele koorts, 17 juli 2004. Blijkens het verslag van het eerste gehoor heeft eiseres hierover verklaard dat zij dit boekje in haar trui heeft gevonden toen zij gecontroleerd werd en dat zij niet wist dat het in haar trui zat. Blijkens het verslag van het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat zij de trui waarin het boekje zat van mama Pasi heeft gekregen. Zij weet niet hoe het boekje daar terecht is gekomen. Op de vraag hoe het mogelijk is dat het boekje vermeldt dat eiseres op 17 juli 2004 in de DRC zou zijn ingeënt tegen gele koorts heeft eiseres geantwoord dat dat niet klopt omdat zij niet is ingeënt. Op de vraag waarom dat dan op die kaart staat heeft eiseres aangegeven dat zij dat niet weet, maar dat zij wel in Brazzaville is behandeld.

Hoewel verweerders visie dat dit aspect van het relaas van eiseres bevreemding wekt op zichzelf niet onredelijk kan worden geacht, strekt het naar dezerzijds oordeel te ver om te zeggen dat verweerder op grond van dit enkele aspect in redelijkheid tot ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres heeft kunnen concluderen. De basis voor het ongeloofwaardigheidsstandpunt van verweerder is, al het voorgaande in aanmerking genomen, naar dezerzijds oordeel te smal geworden om het primaire standpunt nog aan te merken als rustend op een zorgvuldige voorbereiding en toereikend gemotiveerd.

14. Het primaire standpunt van verweerder kan gelet op al het vorenoverwogene geen stand houden.

Verweerders overige standpunten, te weten het subsidiaire standpunt in het kader van de a-, b- en d-grond van artikel 29 van de Vw 2000 en het standpunt inzake een mogelijke aanspraak op een amv-verblijfsvergunning, zijn zozeer verweven met het primaire standpunt dat de rechtbank het niet opportuun acht om daarover thans te oordelen.

15. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op EUR 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt EUR 322,--, wegingsfactor 1).

17. Ingevolge het bepaalde in artikel 81 van de Vw 2000 is geen griffierecht geheven zodat er geen aanleiding is een veroordeling uit te spreken tot het betalen van het griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met in¬achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 24 januari 2007 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: DB&YvV

Coll: MT

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.