Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7360

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 27978
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / categoriaal beschermingsbeleid

De vraag of een vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw in aanmerking komt, dient te worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren. De in rechte te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op evenbedoeld toetsingskader; daarbuiten dient de rechter de beoordeling van de minister te respecteren. Mede gelet op het beperkte toetsingskader acht de rechtbank hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd en de stukken die zijn overgelegd, geen extra informatie die tot de conclusie leidt dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2006 (200602792/1), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten het categoriale beschermingsbeleid voor Irak af te schaffen, achterhaald is. Uit de door eiser overgelegde stukken is niet gebleken dat na de goedkeuring van de Tweede Kamer een significante wijziging in het beleid van de ons omringende landen is ontstaan. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het enkele feit dat verweerder in de brief van 20 januari 2006 met het beleid van Zwitserland, België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland rekening heeft gehouden en de landen Zweden, Oostenrijk, Noorwegen buiten beschouwing heeft gelaten, niet met zich mee brengt dat voornoemde uitspraak van de Afdeling thans niet meer zou moeten worden gevolgd. De motiveringsplicht van verweerder gaat immers niet zo ver dat het beleid van alle ons omringende EU-landen door verweerder expliciet dient te worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 27978

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 januari 2007

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1977, van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 28 april 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 5 juni 2006 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 7 juni 2006 beroep ingesteld. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft bij uitspraak van 25 juli 2006 (AWB 06/27980) de op 7 juni 2006 verzochte voorlopige voorziening toegewezen.

1.2 Verweerder heeft op 2 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit Mosul en is een Syrisch-orthodoxe christen. Eiser is telefonisch bedreigd en nadien ontvoerd door leden van de Jamaa Al Jihad Watawhid. Eiser werd door zijn ontvoerders beschuldigd van collaboratie met de autoriteiten. Daarna werd hij ervan beschuldigd een christen te zijn. Uiteindelijk werd eiser met betaling van 5.000 dollar vrijgekocht. Eiser werd wel door zijn ontvoerders te kennen gegeven dat hij Irak binnen twee weken moest verlaten, anders zouden ze hem alsnog vermoorden. Eisers ontvoerders hebben na zijn vrijlating telefonisch met eiser contact opgenomen en nogmaals geprobeerd hem te ontvoeren. Eiser is vervolgens naar Nederland gevlucht.

2.3 Verweerder heeft zich – samengevat – in het bestreden besluit op de volgende standpunten gesteld. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zijn asielrelaas niet geloofwaardig wordt geacht. Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de datum waarop hij voor het eerst telefonisch is bedreigd, het aantal dreigtelefoontjes die hij zou hebben ontvangen en over de gebeurtenissen en handelwijze na zijn ontvoering. De door eiser gegeven verklaringen voor voornoemde tegenstrijdigheden, acht verweerder onvoldoende. Eiser komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw omdat het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak is afgeschaft bij brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 20 januari 2006. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak ten onrechte heeft af geschaft.

2.4 Eiser heeft hiertegen – samengevat – aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers relaas dient geloofwaardig te worden geacht. Verweerder kan in redelijkheid niet de minieme discrepanties in eisers relaas tegenwerpen. Eiser heeft moeite met het onthouden van data en is getraumatiseerd. Voorts heeft verweerder ten onrechte het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak afgeschaft. In dit kader voert eiser aan dat verweerder geen doorslaggevende betekenis heeft kunnen hechten aan het gevoerde beleid in andere Europese landen. Voorts berust het beëindigen van het categoriaal beschermingsbeleid op een verkeerde veronderstelling ten aanzien van het in andere landen – en in het bijzonder in Duitsland – gevoerde beleid.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.6 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.7 Verweerder heeft in C1/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C1/3.2.3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

2.8 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet aan eiser heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, heeft overgelegd.

2.9 Met toepassing van de in C1/3.2.3 Vc weergegeven maatstaf heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat de verklaringen van eiser over zijn asielrelaas ongeloofwaardig zijn.

2.10 Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft immers in zijn vrije relaas aangegeven dat hij één dreigtelefoontje heeft ontvangen, terwijl hij op bladzijde zes van zijn nader gehoor heeft aangegeven twee telefoontjes te hebben ontvangen. Voorts heeft eiser in zijn vrije relaas verklaard dat zijn ontvoerders een week na zijn vrijlating weer contact met hem opnamen, terwijl hij (volgens het verslag op bladzijde zes en acht) in het nader gehoor heeft verklaard dat hij pas drie maanden na zijn vrijlating telefonisch werd bedreigd. Ten slotte kan eiser geen exacte datum noemen van de tweede poging om hem te ontvoeren. De door eiser gegeven verklaring voor de voornoemde tegenstrijdigheden in zijn relaas, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Voornoemde feiten zijn immers aan te merken als de hoofdlijn van eisers relaas, zodat het standpunt dat slechts sprake is van minimale discrepanties niet slaagt. Ook heeft eiser zijn stelling dat hij door de traumatiserende gebeurtenissen niet in staat is juiste verklaringen af te leggen, niet onderbouwd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser tijdens zijn nader gehoor niet heeft aangegeven dat hij moeite heeft met het afleggen van een verklaring over de gebeurtenissen en blijkt uit het nader gehoor dat hij tevreden was over het verloop van het gesprek en dat hij de tolk goed kon verstaan.

2.11 Verweerder hoefde dus niet uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van eiser over de feiten en de daaraan ontleende vermoedens die eiser aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw.

2.12 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.13 Ingevolge artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in voormeld artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voor zover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

2.14 Bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2005/15) van 5 april 2005 is paragraaf C1/4.5.3.4 Vc ‘Beleid in andere landen van de Europese Unie’, gewijzigd (Stcrt. 2006, nr. 69). Met ingang van 13 april 2005 luidt voormelde paragraaf – voor zover relevant – als volgt:

“Op grond van artikel 3.106, onder c, Vreemdelingenbesluit wordt voorts het beleid in andere landen van de Europese Unie meegewogen. Er wordt belang gehecht aan het afstemmen van het beleid met dat van andere EU-landen. De landen waarvan het beleid wordt onderzocht, zullen veelal ons omringende landen zijn en/of landen die voor wat betreft asielpopulatie op Nederland lijken. Bij de beoordeling wordt acht geslagen op de mate van homogeniteit van het beleid tussen andere landen. Hoe homogener de informatie over het beleid van de andere landen is, hoe meer gewicht toekomt aan deze indicator. Dit laat onverlet dat sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het beleid van andere landen niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien duidelijk is dat andere landen in hun beleid nog geen rekening hebben kunnen houden met relevante recente ontwikkelingen, zoals het uitbreken van een oorlog of juist het beëindigen van gewelddadigheden.”

2.15 Verweerder heeft een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd voor asielzoekers uit Centraal-Irak. Dit beleid is door verweerder beëindigd, zoals blijkt uit de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 20 januari 2006 (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1003), en zoals neergelegd in het WBV 2006/10 van 14 februari 2006, Stcrt. 22 februari 2006, nr. 38.

2.16 In de brief van 20 januari 2006 heeft verweerder het volgende geschreven met betrekking tot het beleid in (ons omringende) EU-landen:

“Mij is gebleken dat Duitsland geen speciaal beleid meer voert ten aanzien van Iraakse asielzoekers. Dit land is enige tijd geleden aangevangen met het heroverwegen van alle statussen verleend aan Iraakse asielzoekers; de effecten van de intrekkingen van statussen naar aanleiding van deze heroverweging zijn nu merkbaar. Verder voeren de ons omringende Europese landen België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland geen speciaal beleid ten aanzien van Irak. Alle asielaanvragen worden er op individuele merites beoordeeld. Voorts vindt gedwongen terugkeer plaats vanuit het Verenigd Koninkrijk. Vanuit de andere landen wordt vrijwillige terugkeer naar Irak waargenomen.”

2.17 Voormelde brief is op 1 februari 2006 voorwerp geweest van een algemeen overleg tussen de minister en de Tweede Kamer. Op 7 februari 2006 is tijdens het debat naar aanleiding van voormeld algemeen overleg een motie ingediend met het verzoek de heroverweging die in Duitsland plaatsvindt ten aanzien van Iraakse asielzoekers niet doorslaggevend te laten zijn en het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Irak, gelet op de aanhoudende zorgwekkende veiligheidssituatie in grote delen van dat land, te handhaven (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1008). Tijdens de stemmingen op 14 februari 2006 is de motie verworpen (Handelingen TK 2005-2006, nr. 49, p. 3245).

2.18 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder geen doorslaggevende betekenis heeft kunnen hechten aan het gevoerde beleid in andere Europese landen. Bijna alle Europese landen hebben nooit een met het beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid gekend. De landen die wel een vergelijkbaar beleid kennen, hebben dit beleid niet van toepassing verklaard op personen afkomstig uit Centraal-Irak. Verweerder stelt zich derhalve ten onrechte op het standpunt dat sprake is van verandering van beleid in de ons omringende EU-landen.

2.19 Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser de volgende stukken overgelegd. Een overzicht van het beleid in de verschillende Europese landen, opgesteld met informatie uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van april 2006, het rapport van de Adviescommissie vreemdelingenzaken (ACVZ) genaamd: ‘Categoriale bescherming, ‘een nood zaak’’ en het rapport van het International Centre for Migration Policy Development (ICMPD) genaamd: ‘Comparative Study on the Existence and Application of Categorized Protection in Selected European Countries’ van 2006. Ook heeft eiser een rapport van de European Council on refugees and exiles (ECRE) betreffende Guidelines on the treatment of Iraqi asylum seekers and refugees in Europe van maart 2006, een besluitenlijst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Duitse deelstaten, een schrijven van de deelstaat Hessen waaruit blijkt dat Hessen Duldungen verstrekt, een uitspraak van het verwaltungsgericht Sigmaringen van 26 oktober 2005 en vragen gesteld door leden van de Tweede Kamer met daarop de antwoorden van verweerder van 16 augustus 2006, overgelegd.

2.20 De vraag of een vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw in aanmerking komt, dient te worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren. De in rechte te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op evenbedoeld toetsingskader; daarbuiten dient de rechter de beoordeling van de minister te respecteren.

2.21 De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers standpunt dat verweerder geen doorslaggevende betekenis heeft kunnen hechten aan de c-indicator van artikel 3.106 Vb, te weten het gevoerde beleid in andere Europese landen, als volgt. Nergens is voorgeschreven welk relatief gewicht aan de in artikel 3.106 Vb neergelegde indicatoren moet worden toegekend. Gelet daarop en gelet op de ruime beoordelingsmarge die verweerder bij de aanwending – in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal – van zijn uitsluitend door het nationale recht beheerste bevoegdheid tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming toekomt, is er op zich geen grond voor het oordeel dat verweerder aan het beleid in de ons omringende EU-landen, geen doorslaggevende betekenis zou mogen toekennen. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 april 2005, kenmerk: 200500646/1, waar de Afdeling het voorgaande reeds heeft bevestigd.

2.22 Voorts heeft de Afdeling bij uitspraak van 3 juli 2006 (200602792/1) in een andere zaak waarin eveneens in beroep was aangevoerd dat het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Centraal-Irakezen niet mocht worden beëindigd, het volgende geoordeeld.

“Het betoog dat de Tweede Kamer op basis van deels onjuiste, dan wel onvolledige informatie met de beslissing van de minister om geen beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak te voeren, heeft ingestemd faalt, nog daargelaten wat het gevolg daarvan zou kunnen zijn voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit, reeds omdat het aan de Tweede Kamer is te beoordelen of zij voldoende is geïnformeerd om te oordelen over een beslissing van de minister om ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit een bepaald land geen beleid van categoriale bescherming te voeren en het niet de taak van de rechter is te onderzoeken of de Tweede Kamer zich op adequate wijze van haar taak heeft gekweten.

Het in beroep aangevoerde levert voorts geen grond op voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat andere Europese landen geen met een beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid voeren voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak. Volgens het ambtsbericht acht het Verenigd Koninkrijk Irak veilig genoeg voor gedwongen terugkeer. Dat tot op heden vanuit het Verenigd Koninkrijk geen gedwongen terugkeer naar Centraal-Irak heeft plaatsgevonden, laat onverlet dat het beleid van dat land gericht is op terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Irak. Voorts achten België en Denemarken volgens het ambtsbericht gedwongen terugkeer naar Irak thans weliswaar niet mogelijk, doch nu uit het ambtsbericht, noch de door de vreemdeling overgelegde stukken, is gebleken dat in deze landen aan Iraakse asielzoekers een verblijfsvergunning wordt verleend, is van een met een beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid geen sprake. In Duitsland is daarvan evenmin sprake, aangezien een "Duldung" geen verblijfsvergunning is.”

2.23 Mede gelet op het beperkte toetsingskader genoemd in rechtsoverweging 2.21 acht de rechtbank hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd en de stukken die zijn overgelegd, geen extra informatie die tot de conclusie leidt dat voornoemde uitspraak van de Afdeling achterhaald is. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat na de goedkeuring van de Tweede Kamer een significante wijziging in het beleid van de ons omringende landen is ontstaan.

2.24 Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het enkele feit dat verweerder in voornoemde brief van 20 januari 2006 met het beleid van Zwitserland, België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland rekening heeft gehouden en de landen Zweden, Oostenrijk, Noorwegen buiten beschouwing heeft gelaten, niet met zich mee brengt dat voornoemde uitspraak van de Afdeling thans niet meer zou moeten worden gevolgd. De motiveringsplicht van verweerder gaat immers niet zo ver dat het beleid van alle ons omringende EU-landen door verweerder expliciet dient te worden betrokken.

2.25 Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat afschaffing van het categoriaal beschermingsbeleid niet in overeenstemming is met artikel 15, aanhef en onder c, van 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn). Nu de zogenoemde implementatietermijn of omzettingstermijn eerst op 10 oktober 2006 is verstreken was de Definitierichtlijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet rechtstreeks toepasbaar. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van eiser onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan het beroep op de Definitierichtlijn voorbij.

2.26 De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.

2.27 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter en mrs.

J.P. Smit en A.T.B. de Vries, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Martens als griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.