Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7026

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
09/754167-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zie ook AZ 7008, AZ 7021, AZ 7025

Tussenvonnis in de strafzaken tegen de vier mannen die ervan verdacht worden op 12 augustus 2004 in een pand in Den Haag de zogenoemde metselmoorden te hebben gepleegd en de lichamen van de slachtoffers, die zijn doodgestoken, in een winkel elders in Den Haag te hebben ingemetseld. De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat het onderzoek in deze zaak heropend moet worden, omdat het onderzoek naar haar oordeel niet volledig is geweest. De zaak is geschorst tot 14 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 09/754167-04

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige strafkamer

Uitspraak: 25 januari 2007

S T R A F V O N N I S (Tussenvonnis)

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte 3],

geboren op [datum] 1957 te [geboorteplaats] [land],

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 tot en met 16 november 2006, 4 december 2006 en 10 en 11 januari 2007. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. Van Duijne Strobosch, advocaat te Wassenaar.

De officier van justitie, mr. P. Spoon, heeft ter terechtzitting gevorderd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen, met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging, zoals ter terechtzitting van 13 november 2006 gewijzigd)

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie zich onvoldoende heeft ingespannen om [getuige 1] naar Nederland te krijgen, waardoor de verdediging is benadeeld en wel op een dusdanige manier dat een en ander dient te leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank heeft bij beslissing d.d. 24 november 2006 het volgende overwogen:

'De rechter-commissaris en de officier van justitie hebben in een proces-verbaal van bevindingen uiteengezet welke pogingen zijn ondernomen beide getuigen naar Nederland te krijgen, dan wel via een rogatoire commissie in India te horen.

Gelet op de inhoud van beide processen-verbaal en gelet op hetgeen door de officier van justitie ter terechtzitting dienaangaande is aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat een herhaalde oproep ten aanzien van beide getuigen nutteloos is, omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat zij op de herhaalde oproep wel zullen verschijnen, terwijl het horen van beide getuigen in India, gelet op de weigerachtige houding van de Indiase autoriteiten, niet als reƫle mogelijkheid moet worden beschouwd. Het tijdstip is thans aangebroken dat het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen dient te wijken voor het belang van afdoening van deze strafzaak binnen een aanvaardbare termijn. Dit klemt temeer nu uit hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting van 16 november 2006 heeft aangegeven, is gebleken dat de termijn waarop de getuige [getuige 1] verwacht kan worden in Nederland volstrekt onzeker is'.

De rechtbank handhaaft deze overwegingen ten volle. De rechtbank heeft daarbij thans mede in aanmerking genomen dat de officier van justitie bij gelegenheid van haar repliek op 11 januari 2007 nog heeft medegedeeld dat haar uit contacten met het ministerie van buitenlandse zaken in de voorafgaande week duidelijk was geworden dat nog steeds volstrekt onzeker was op welke termijn een beslissing op het verzoek tot overlevering van [getuige 1] kon worden verwacht.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de officier van justitie terzake gegeven uitleg en hetgeen overigens uit het onderzoek is gebleken met betrekking tot de uitleveringsprocedure, geen plaats is voor het oordeel dat het openbaar ministerie op dit punt niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd, dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard moet worden, omdat verdachte tijdens het vooronderzoek niet met behulp van een tolk is gehoord.

De rechtbank verwerpt ook dat verweer. Immers, nu de noodzaak tot het horen van verdachte met behulp van een tolk tijdens het vooronderzoek niet ondubbelzinnig is gebleken, mist het verweer feitelijke grondslag.

HERVATTING VAN HET ONDERZOEK

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de vraag naar de precieze toedracht van de gebeurtenissen in het pand [adres] te [plaats] op 12 augustus 2004, waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven zijn gebracht, zowel bij de reconstructie als in de onderzoeksopdrachten aan de diverse deskundigen leidend is geweest de door verdachte [verdachte 1] geschetste situatie dat de slachtoffers zijn doodgestoken in 'het kamertje van de Chinees', kamer 1. [verdachte 1] heeft - kort gezegd - verklaard dat hij op enig moment, samen met de beide slachtoffers, in het kamertje van de Chinees is terechtgekomen, waar hij door hen is aangevallen en vervolgens een vechtpartij is ontstaan waarbij hij zich heeft verdedigd, een mes van [slachtoffer 1] heeft weten af te pakken en vervolgens de beide mannen fatale messteken heeft toegebracht. De officier van justitie in haar requisitoir en de verdediging in hun pleidooien gaan, hoewel hun eindconclusies verschillen, ten aanzien van de locatie van het toebrengen van de steekverwondingen ervan uit dat deze door [verdachte 1] aan de slachtoffers zijn toegebracht in het kamertje van de Chinees.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier, alsmede in aanmerking nemend de rapportages van de deskundigen, thans niet boven redelijke twijfel is verheven dat de slachtoffers in het kamertje van de Chinees (verder: kamer 1) zijn omgebracht.

Dienaangaande is ten eerste van belang dat, zo hebben de deskundigen Eversdijk en Eikelenboom in hun rapporten dan wel ter terechtzitting verklaard, de hoeveelheid aangetroffen bloed in kamer 1 gering is; bij een steekpartij met een dergelijk groot aantal steekwonden als is aangetroffen bij de beide slachtoffers zou meer bloed, in de vorm van passieve druppels of poelpatronen verwacht kunnen worden.

Daarnaast, zo heeft deskundige Eversdijk geconcludeerd, kan van de in kamer 1 aangetroffen bloedvlekken niet worden uitgesloten dat deze zijn ontstaan tijdens het verplaatsen van de slachtoffers dan wel het verwijderen of schoonmaken van de originele vloer.

Voorts heeft deze deskundige gesteld dat niet is uit te sluiten dat veel van de aangetroffen bloedvlekken in kamer 1 zijn ontstaan door vliegenactiviteit.

Deskundige Eikelenboom heeft deze conclusies onderschreven. Eikelenboom heeft tevens geconcludeerd dat op basis van het aangetroffen bloedsporenbeeld niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de steekverwondingen van de slachtoffers uitsluitend zijn toegebracht in kamer 1.

Voorts is van belang dat de in de woning [adres] aangetroffen objecten waarop bloedsporen zijn gevonden door de politie zijn aangetroffen buiten kamer 1, te weten de Heinekenfles en de paraplu in de hal van de woning op de eerste verdieping en het kastje en de asbak in de kamer van verdachte [verdachte 3], kamer 2.

Ten aanzien van het kastje heeft deskundige Eikelenboom geconcludeerd dat hierop impactspatten zijn aangetroffen, passend bij krachtsuitoefening op zowel bloed van [slachtoffer 2] als van [verdachte 1].

Uit het op de asbak aangetroffen DNA-spoor is een DNA-mengprofiel van [verdachte 1] en [slachtoffer 1] verkregen, waarvan Eikelenboom aan de hand van de grootte van het spoor de conclusie heeft getrokken dat het waarschijnlijk gaat om insectenactiviteit.

De Heinekenfles bevatte bloedspatten van [slachtoffer 2], die er volgens Eikelenboom op zijn gekomen tijdens het insteken op de reeds gewonde [slachtoffer 2]. Eikelenboom stelt in zijn onderzoeksrapport dat indien de objecten waarop zich bloedspatten van [slachtoffer 2] bevinden op een andere locatie hebben gestaan dan in het kamertje van de Chinees, de steun voor de hypothese dat er een steekpartij is geweest in deze kamer wordt verzwakt. Ter terechtzitting heeft deze deskundige desgevraagd hieromtrent voorts nog verklaard dat die objecten in de omgeving van de slachtoffers gestaan moeten hebben.

Enkel verdachte [verdachte 2] heeft - overigens eerst als getuige ter terechtzitting - verklaard dat van de bovengenoemde voorwerpen er zich drie ten tijde van de steekpartij in kamer 1 hebben bevonden, te weten de Heinekenfles, het kastje en de asbak, zulks terwijl hij tot dan toe had verklaard dat de kamer van de Chinees enkel was voorzien van een bed en dat er kleding aan de muur hing. Dit laatste heeft ook de bewoner van het kamertje, de [getuige 3] verklaard. Verdachte [verdachte 3] heeft in een van zijn verklaringen ten aanzien van de in kamer 1 aanwezige meubelen verklaard dat er alleen een eenpersoonsbed stond en een tafeltje. Later heeft hij verklaard dat het een kastje betrof.

Uit het proces-verbaal van de technische recherche d.d. 28 december 2004 blijkt dat op 21 december 2004 alle vertrekken in de woning [adres] met behulp van luminol zijn onderzocht, welk onderzoek geen bruikbare sporen heeft opgeleverd.

De deskundige Eversdijk heeft omtrent het gebruik van luminol ter terechtzitting van 16 november 2006 verklaard dat er naar zijn oordeel in onderhavig opsporingsonderzoek niet op de juiste wijze met luminol is omgegaan. Enerzijds dient luminol, zo heeft deze deskundige gesteld, als laatste middel te worden ingezet bij bloedsporenonderzoek daar als gevolg van het gebruik van luminol contaminatie kan optreden en het gebruik van luminol voorts kan leiden tot verkleuring van bloed en aantasting van het DNA, terwijl het anderzijds naar zijn oordeel beslist niet nodig was om overal luminol te gebruiken.

Voorts heeft de deskundige Eikelenboom in zijn rapportage en ter terechtzitting aangegeven dat hij aanwijzingen heeft dat ook buiten de kamer van de Chinees sporen zouden kunnen worden aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van bloed en dat er mogelijk pogingen zijn ondernomen dergelijke sporen weg te werken. In dit verband heeft hij onder meer opgemerkt dat vloerdelen leken te zijn verdwenen en dat op een aantal muren nieuw pleisterwerk leek te zijn aangebracht. Ter terechtzitting heeft de deskundige Eversdijk aangegeven dat hij bij binnenkomst in het pand om zich heen heeft gekeken en geconstateerd dat zich ook in andere kamers sporen bevonden die op het eerste gezicht op bloed leken.

Naar het oordeel van beide deskundigen is het - zo hebben zij ter terechtzitting desgevraagd aangegeven - in beginsel mogelijk om dergelijke sporen aan te tonen met behulp van een infrarood- dan wel lasermethode.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest, omdat enerzijds onvoldoende duidelijkheid bestaat over de situering van de genoemde aangetroffen voorwerpen in de woning [adres] ten tijde van en in relatie tot de gebeurtenissen op 12 augustus 2004 en anderzijds onvoldoende duidelijkheid bestaat over de exacte toedracht en locatie van de fatale steekpartij. Dientengevolge ziet de rechtbank in de eerste plaats aanleiding tot het nader horen als getuige van [getuige 3] met betrekking tot de situatie in zijn kamer in de [adres] voor wat betreft de aanwezige meubelen en eventueel andere voorwerpen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding, met name gelet op de verklaringen van de deskundigen Eversdijk en Eikelenboom, een nader deskundigenonderzoek plaats te laten vinden naar de aanwezigheid van sporen in het pand [adres], die in verband gebracht kunnen worden met de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bij dit onderzoek kan mede betrokken worden hetgeen naar voren komt uit de verklaring van de getuige voornoemd. De rechtbank zal hiertoe de stukken stellen in handen van de rechter-commissaris.

BESLISSING

De rechtbank heropent het onderzoek ter terechtzitting en schorst dit terstond tot 14 maart 2007 te 11.00 uur.

De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte en de raadsman, tolk, getuige [getuige 3] en benadeelde partijen tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat.

De rechtbank stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde uitvoering te geven aan het hierboven geformuleerde deskundigenonderzoek.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, en mrs. H. Heins en F. Spiering-van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2007.